Patchouli

Er zijn snellere vervoermiddelen dan de bus in Almere. Dat wist ik al. Maar dat ze ook zonder dienstregeling bestaan, ontdekte ik pas toen er van de week iemand met een vleugje patchouli in de bus stapte.

Enkele seconden later zat ik niet meer in de bus. Ik was elf. Den Helder, 1978. Zonlicht dat door een halfopen gordijn naar binnen viel, stofdeeltjes die daarin dansten alsof ze wisten dat dit moment later nog eens belangrijk zou worden. En ik zat op de kamer van Yvonne Z., met Karin H., Nancy S., Patty P. en Sheila S. Vijf meiden, en ik.

De bus reed door, maar ik was weg. In mijn oren zong Charles Aznavour zachtjes Hier Encore. Dat hielp niet bepaald om in het heden te blijven. Integendeel. Het was alsof iemand de deur van vroeger op een kier had gezet en zei: kijk maar even.

En daar zat ik. Elf jaar oud. Niet bezig met later, niet bezig met wie ik moest worden. Gewoon daar, op dat bed of misschien op de grond, dat weet ik niet meer precies. Wat ik wel weet is dat ik luisterde. Dat deed ik vooral. Die meiden praatten, over school, over ouders, over jongens. Licht absurd, want ik zat er gewoon tussen. Ik knikte, zei af en toe iets waarvan ik hoopte dat het ergens op sloeg, en probeerde vooral niet door de mand te vallen als iemand die eigenlijk geen idee had hoe je je in zo’n situatie hoorde te gedragen.

Maar ik hoorde erbij. Op een of andere manier wel, misschien zagen ze me als een van de meiden. Ik herinner me geen exacte zinnen meer, wel de sfeer. Het gevoel dat dit ergens over ging, ook al kon ik het niet benoemen. Dat hier iets gebeurde wat belangrijk was, zonder dat iemand het zo noemde. Misschien was dit het begin van begrijpen dat mensen ingewikkeld zijn, of dat luisteren soms belangrijker is dan praten, of gewoon dat het fijn was om ergens te zijn zonder dat je precies wist waarom.

En die geur. Patchouli. Iemand had het opgedaan, waarschijnlijk gedachteloos. Een druppeltje achter een oor. Maar het vulde de kamer, vermengde zich met het zonlicht, met stemmen, met alles wat daar gebeurde. Blijkbaar heeft mijn hoofd dat toen opgeslagen als één geheel. Want één vleugje, al die jaren later, en ik zat er weer middenin.

Terug in de bus keek ik om me heen. Mensen die ergens naartoe gingen, zoals mensen dat doen. Niemand die doorhad dat er net iemand even elf was geweest. Dat is misschien wel het wonderlijkste. Je draagt al die versies van jezelf gewoon met je mee. Ze zeggen niets, dringen zich niet op. Tot er iets gebeurt dat precies de juiste sleutel is.

Het openbaar vervoer brengt je van halte naar halte. Dit ging van Almere naar een tienerkamer in Den Helder, zonder overstap, zonder vertraging, en zonder dat ik er iets voor hoefde te doen.

Krokussen

Ik zit in de bus naar huis, ergens tussen Amsterdam en mijn halte, en ik heb de neiging het nu hardop te zeggen. Niet tegen iemand in het bijzonder. Gewoon de ruimte in.
Kijk dan. Het is nog licht.
Een paar weken geleden zat ik hier ook. Dezelfde stoel ongeveer. Toen keek ik vooral naar mijn eigen spiegelbeeld in het raam. Buiten was het al donker. Rode achterlichten. Nat asfalt. De dag was klaar voordat ik het zelf was.
Nu niet meer.

De lucht heeft kleur. Net geen spektakel. Het is min of meer toch een applauswaardige zonsondergang. Gewoon een blauw-oranje lucht dat blijft hangen. De bomen langs de weg zijn weer bomen in plaats van schaduwen. Ik zie knoppen aan takken. Kleine verdikkingen. Alsof er iets wordt voorbereid.
Misschien begon het met de krokusjes. Ze stonden er ineens. Paars, geel, hier en daar een witte. Tussen het nog winterse gras. Alsof ze zich niets aantrekken van wat de kalender zegt. Even later kwamen de narcissen. Dat geel waar je niet omheen kunt. Ze staan daar en doen hun werk.
Sindsdien kijk ik beter.

’s Ochtends, wanneer ik naar kantoor vertrek, is het bijna licht. Dat bijna is genoeg. De straatlantaarns branden nog, maar binnenkort lijken ze het zelf ook niet meer nodig te vinden. Er hangt een blauw dat niet meer bij de winter hoort. Je voelt dat het schuift.
Nu, in de bus, schuift het ook. De stad zakt achter ons weg, maar het licht reist mee. Fietsers zonder dikke sjaals. Zelfs iemand met een open jas. Niemand zegt er iets van. Toch beweegt alles anders.
De dag houdt niet meer plotseling op. Hij loopt uit. Hij neemt zijn tijd.

Straks stap ik uit terwijl het licht is in plaats van schemer. Thuis zal er licht in de kamer vallen zonder dat er een lamp aan hoeft. Het blijft even hangen. Alsof het niet weg wil.
Ik merk dat ik daar gevoeliger voor ben dan ik dacht. Dat beetje extra dag aan het begin en aan het einde. Het maakt iets los wat moeilijk uit te leggen is. Geen uitbundigheid. Eerder een stille instemming.
De bus nadert Almere. Buiten wordt het zachter van kleur, maar donker is het nog niet. Ik glimlach. Om niets groots. Krokusjes tussen het gras. Narcissen langs de stoep. Een ochtend die niet meer zwart begint. Een avond die zich niet haast.