Frédérique

Ik sprak van de week Frédérique, na meer dan veertig jaar. Tenminste, zo voelde het. In werkelijkheid kwam ik haar niet tegen. Ze stond gewoon ineens in mijn droom, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Alsof er geen decennia waren voorbijgegaan.
Ik had haar letterlijk tientallen jaren niet gezien of gesproken. Geen idee waarom juist zij zich aanmeldde. In het echte leven bestaat ze vermoedelijk nog, ergens, met een baan, een partner, misschien kinderen of kleinkinderen. In de droom was ze gewoon weer daar, zoals toen, zonder leeftijd, zonder uitleg.

We zaten nu niet eens naast elkaar. Het was meer een soort aanwezigheid. Ze leunde tegen een muur die ik herkende maar niet kon plaatsen, een oude gymzaal misschien of een hal van school. Dromen zijn soms slecht in architectuur, maar ze kunnen gevoelens terugbrengen waarvan je dacht dat ze waren opgelost.
Het vreemde was niet dat ik haar herkende. Het vreemde was dat zij mij herkende. Alsof er geen tijd tussen zat. Alsof ik niet ouder was geworden, geen andere kleren droeg, geen ander leven had opgebouwd. In haar blik zat geen verbazing, meer iets als: o ja, jij, Dray van toen.

Overdag dacht ik: waarom nu, en waarom Frédérique? We hadden geen grote vriendschap, geen romance, geen ruzie die uitgesproken moest worden. We zaten in dezelfde klas, soms naast elkaar, dat was het. Ze had altijd haar agenda en pennenetui netjes naast elkaar liggen, ik nooit. Ze was fan van Bloem, een popgroep met liedjes die net iets te opgewekt waren. De zanger was de zoon van Mies Bouwman. Dat vond ik destijds bijzonder grappig, alsof dat al reden genoeg was om het niet serieus te nemen.
Ik noemde het een sukkeltjesbandje, meer uit houding dan uit overtuiging. Frédérique trok zich daar niets van aan. Ze vond Bloem gewoon goed, punt. Geen ironie, geen uitleg. Dat vond ik opmerkelijk. Ze hoefde haar smaak niet te verdedigen. Ze luisterde ernaar en daarmee was de zaak voor haar afgedaan.

Ik heb haar opgezocht, of beter gezegd geprobeerd. Je tikt een naam in, voegt een school toe, een jaartal, een stad. Je krijgt gezichten terug die het net niet zijn, te jong, te glad, met een glimlach die zij nooit had. LinkedIn, Facebook, Instagram, nergens. Alsof ze zich keurig buiten beeld heeft gehouden, alsof ze zich heeft afgemeld voor deze tijd.
Misschien is dat geen toeval. Misschien was het niet Frédérique die zich meldde, maar iets daarachter. Een seintje van mezelf of, als je het groter wilt maken, van het universum. Zo’n ongevraagd bericht dat nergens wordt aangekondigd maar toch aankomt. Dat zegt: kijk even terug. Niet om te blijven hangen, maar om te herinneren.

Je denkt vaak dat herinneringen iets zeggen over het verleden, maar ze zeggen vooral iets over het heden, over wat je onderweg bent kwijtgeraakt zonder het te merken.

Onleesbaar

Afgelopen week keek ik naar de eerste aflevering van de serie Evil. Een verhaal over het wankele evenwicht tussen geloof en rede, tussen het verklaarbare en het onverklaarbare. Er zat een scène in waarin iemand droomde en probeerde iets te lezen — tevergeefs. De letters gleden over het papier alsof ze iets te verbergen hadden.

Dat gegeven bleef aan me knagen. Want stel dat het waar is: dat je in een droom niet kunt lezen. Een zonderling idee, maar ook een prachtig. Later die avond, in bed, dacht ik eraan terug. En ergens tussen waken en slapen besloot ik het te proberen. Als ik zou dromen, zou ik lezen. De nacht kwam, en met hem het vage theater van het onderbewuste.
Ik liep over een onbekend plein, de lucht in onbestemd schemerlicht. Er hing een bord aan een gevel, met letters die ik niet helemaal kon onderscheiden. Ik kneep mijn ogen samen, boog me voorover — en zag de woorden veranderen, verdwijnen, oplossen in de muur. Ik werd wakker met het gevoel dat ik op het punt had gestaan iets belangrijks te weten te komen.

De volgende nacht probeerde ik het opnieuw. Ik droomde van een krant, vers van de druk. Maar zodra ik naar de koppen keek, zwommen de zinnen weg als inkt in de regen. Alsof de droom zelf me tegenwerkte. Zou het dan toch waar zijn? Dat lezen in een droom niet kan?

Misschien komt het omdat dromen niet bedoeld zijn om te begrijpen. De wereld van de slaap is niet van papier, maar van gevoel. Alles beweegt, alles verandert. Tekst zou er te vast, te logisch voor zijn. Toch bleef ik er die ochtend over nadenken. Over die onleesbare borden, die vluchtige zinnen. Misschien is dat de kern van dromen: ze geven ons verhalen zonder woorden, boodschappen die je alleen kunt voelen.

Later die dag sloeg ik de nieuwe Runner’s World open. De letters bleven keurig staan.
In rechte lijnen keken ze me aan, alsof ze wisten dat ze iets konden wat mijn dromen niet lukt: blijven.
En ik dacht, half glimlachend, dat wakker zijn misschien gewoon betekent dat de wereld scherp is, en dromen altijd een beetje wazig zullen blijven.

Onderweg

Als kleuter zei ik dat ik later zwerver wilde worden, onder de bruggen van Parijs. De stad kende ik niet, bruggen hooguit uit de zandbak. Toch voelde het alsof iets diep in mij het wist. Soms denk ik dat het een echo was van een vorig leven, een archetypische herinnering, of gewoon een kinderlijke intuïtie: de wereld is groter dan je kunt bevatten, en ik wil er middenin zijn, onderweg.

Jaren later droom ik nog altijd dat ik onderweg ben. Door onbekende straten, treinen waarvan ik de bestemming niet weet, een vergeten paraplu hier, koffie over de krant daar, een kat die de stoep oversteekt alsof hij alles regelt. Je glimlacht erom, want zo gaat dat dus, onderweg zijn.

Misschien is het mijn levenshouding. Anderen werken aan carrière en pensioen, ik blijf hangen bij vragen zonder antwoord. Oude verhalen van nomaden en profeten spreken me altijd aan: Abraham, Jezus, mensen die hun huis verlieten zonder te weten waar de weg eindigt.

Onder de bruggen van Parijs; de ruimte, de stilte, de plek waar het leven het helderst klinkt. Ik ben onderweg, altijd onderweg. Zwerver, pelgrim, Parijs overal en nergens tegelijk. Ik glimlach, omdat onderweg zijn wenselijker is dan ergens blijven hangen.