Voorpret

Een paar dagen geleden hebben we een weekend naar Pisa geboekt. Niet zomaar een stad, niet zomaar een reis. Pisa, met z’n scheve toren, z’n pleinen, z’n gelato en z’n zonlicht dat eind maart al een beetje naar zomer ruikt. Edo en ik gaan, samen met twee familieleden, Diana en Marcel, die Italië niet alleen bewonderen, maar aanbidden. Toscane in het bijzonder. Ze kennen de streek volgens mij als hun broekzak, praten over cipressen alsof het oude vrienden zijn, en het zal me niet verbazen als ze blind een Chianti Classico herkennen aan alleen al de geur.

Het idee ontstond eind vorig jaar, bij een etentje in een Italiaans restaurant in Amstelveen. Zo’n warme Italiaanse plek met een ober die buonasera zegt omdat hij het meent, en waar een rode wijn altijd een vino eccellente is. We zaten daar, met volle glazen en volle magen, en nichtje Diana zei: “Zouden jullie het leuk vinden om volgend jaar maart mee naar Pisa te gaan?” Vaak blijven vragen als deze in de lucht hangen, zwevend tussen een espresso en de rekening. Maar deze keer niet. Deze keer hebben we woord bij daad gevoegd. Al duurde het nog maanden voordat de boeking er daadwerkelijk kwam.

We gaan wanneer de lente aanbreekt. Eind maart. De maand waarin alles begint te ruiken naar belofte. Ik reken een beetje op mooi weer. Niet te warm, niet te koud. Een jas over de schouder, een zonnebril op het hoofd. Wandelen door smalle straatjes, verdwalen zonder spijt. Pisa schijnt daar uitermate geschikt voor te zijn. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen grote stad, eerder een compacte verzameling geschiedenis, waar je in een middag van de Arno naar de beroemde Piazza dei Miracoli kunt lopen. Dat plein alleen al: een kathedraal, een doopkapel, een begraafplaats en die ene toren die iedereen kent, maar die eigenlijk pas later beroemd werd omdat hij per ongeluk begon te verzakken.

Wat ik prettig vind, is dat Pisa meer is dan alleen die scheve toren. Ooit was het een machtige zeehandelstad, een rivaal van Genua en Venetië. Galileo Galilei werd er geboren, al zal hij dat zelf waarschijnlijk niet zo interessant hebben gevonden. Tegenwoordig is het ook een universiteitsstad, met studenten, boekwinkels en cafés waar je vermoedelijk beter zit dan in de schaduw van selfiesticks.

We gaan zeer milieu-onbewust met het vliegtuig, dat wel. Ik weet het. Maar de trein was duurder en ingewikkelder. Eerlijk gezegd hebben we daar niet eens serieus naar gekeken. Vliegen heeft iets van een sprong. Een snelle beslissing. Je stapt in en even later sta je ergens waar de koffie anders smaakt.

We gaan. Dat is het belangrijkste. We hebben geboekt. En dat is al een beetje reizen. Voorpret vind ik minstens zo belangrijk als de trip zelf. Want soms begint een reis niet bij aankomst, maar al bij het idee dat ergens, in Pisa, alles rustig op ons staat te wachten.

Omkijken

Het was vorige week dinsdag, zo’n dag tussen kerst en Oud en Nieuw waarop de tijd zich sowieso anders gedraagt. Niet sneller, niet langzamer, maar anders. Ik keek om me heen, samen met man Edo en nichtje Nikki, in het Anne Frank Huis. Druk was het natuurlijk, maar niet opdringerig. Eerder ingetogen. Alsof iedereen wist dat hier niet werd gekeken, maar geluisterd.

Nichtje Nikki werkt daar, en dat maakt verschil. Niet omdat ze meer weet dan een audiotour, maar omdat ze het huis kent zoals je een werkplek kent: met routine én betrokkenheid. Ze gaf ons een mini-rondleiding, zonder dat het een officiële zaak werd. Geen feitenregen, geen jaartallen die om voorrang vroegen, maar aandacht voor details. De trap die kraakt. Een afvoerleiding die meer geluid maakt dan je verwacht. De plekken waar stilte geen leegte is, maar aanwezigheid.

We liepen samen: mijn man, Nikki en ik. Dat alleen al gaf het bezoek een andere toon. Het was geen publiek, maar iets gedeelds. Via een sluip- en kruiproute vanwege onderhoud stonden we in het keukentje van het Achterhuis. Dat kleine keukentje waar normaal geen bezoekers mogen komen. Een ruimte buiten de vaste route, zonder informatiebordjes, zonder audio-uitleg.

Het was een intens en intiem moment. Alsof je stiekem in andermans keuken staat te kijken. Niet nieuwsgierig op een ongepaste manier, maar voorzichtig, bijna verontschuldigend. Je kijkt naar het aanrecht, de kastjes, de ruimte waarin alledaags leven doorging terwijl de wereld daarbuiten ontspoorde. Een keuken is geen museumstuk. Het is een plek van wachten, van water koken, van stil zijn. Juist daarom kwam het zo binnen. De geschiedenis stond hier niet achter glas; je stond er middenin.

Daar, ergens tussen het keukentje en de bekende kamers, dacht ik aan de Museumkaart. Niet als digitaal pasje op je mobiel, maar als houding. Als een besluit om vaker terug te keren, om niet alles in één keer te willen zien. De kaart nodigt uit tot herhaling. Tot langzaam kijken. Tot het besef dat cultuur geen eenmalige ervaring is, maar iets waar je steeds opnieuw langsgaat.

Mijn interesses dwalen graag door musea waar geschiedenis, literatuur, muziek en theologie elkaar raken. Waar een oude bijbel net zo veel zegt als een schilderij. Waar een handgeschreven brief meer losmaakt dan een interactieve kinderinstallatie. Het zijn de plekken waar vragen belangrijker zijn dan antwoorden, en waar je niet hoeft te begrijpen om toch geraakt te worden.

De Museumkaart maakt dat mogelijk. Je loopt makkelijker even binnen. Je blijft kort of juist lang. En, zoals Nikki ons ook vertelde vanuit haar werk daar, zijn er in het Anne Frank Huis regelmatig nieuwe tentoonstellingen. Andere invalshoeken, andere stemmen, nieuwe manieren om hetzelfde verhaal te vertellen. Het huis blijft hetzelfde, maar het gesprek verandert.

Die ochtend, samen met familie, voelde dat gesprek even heel dichtbij. Niet groots, niet luid. Gewoon drie familieleden in een huis dat blijft spreken. Misschien is dat wel de waarde van zo’n kaart. Niet dat je overal naar binnen kunt, maar dat je soms precies daar bent waar je even moet zijn.

Terugblik

Het afgelopen jaar liet zich niet vangen in agenda’s of fotoboeken. 2025 was er een van lopen, kijken en af en toe blijven staan. Een jaar waarin niets per se groot hoefde te zijn om toch te tellen. Een jaar waarin de kleine momenten soms meer gewicht hadden dan de grote.

Zoals elk jaar begon ook dit met het voornemen het rustiger aan te doen. Dat lukte soms, vaker op de momenten dat niemand keek. In mei was er Frankrijk en Frankrijk is altijd een antwoord op vragen die je niet precies kunt formuleren. Le Touquet Paris-Plage. Alleen de naam al. Familie erbij, een weekend dat verrassend uitpakte. Een gezellig terras die net te krap was, stoelen die zonder overleg werden aangeschoven. Gesprekken die nergens heen hoefden, en het was goed zo. Er werd gelachen zonder aanleiding. Zo geslaagd zelfs, dat we er terloops, maar vastberaden voor kozen dit in 2026 te herhalen. Dan weet je: familie kan nooit groot genoeg zijn.

Later in het jaar kwamen Luca en Job erbij, achterneefjes. Twee kleine mensen die meteen iets verschuiven. Je kijkt anders naar tijd wanneer er nieuw leven bijkomt. Minder gehaast, iets voorzichtiger ook. Hoopvol, tegen beter weten in, met ogen die meer zien en een hart dat meer voelt.

Nikki slaagde en mag zich nu Neerlandica noemen: dat klinkt als een beroep uit een roman. Taal als keuze, niet alleen als gereedschap. Dat is moedig in tijden waarin emojis woorden vervangen, maar gelukkig niet altijd. Woorden worden zeldzaam, maar ze kunnen nog altijd raken, zoals een steen die zacht in water valt en kringen maakt die verder reiken dan je ziet.

Edo en ik reisden. Slapen op het strand, waar de nacht langer lijkt en de stilte iets belooft dat je overdag niet kunt horen. Een weekend Berlijn, altijd in beweging, altijd onderweg, altijd nieuwe gezichten en verhalen. Corfu, waar de dagen zich rustig verplaatsen en het leven zijn eigen tempo bepaalt. Reizen hoeft niet ver te zijn; soms is het genoeg om ergens anders wakker te worden, om te merken dat je nog ademhaalt, dat alles nog kan.

Het persoonlijke dieptepunt was een kies. Getrokken. Niet de behandeling in de stoel, maar het gemis daarna. Je merkt pas wat iets betekent als het er niet meer is. De leegte in je mond, de stilte die je proeft. Misschien was dat de stille metafoor van het jaar, een kleine herinnering aan hoe kwetsbaar het leven kan zijn, en hoe groot het gemis kan voelen.

Verder wil ik niet te lang stilstaan bij wat somber stemt. De wereld oogt zorgelijk, maar dat hoor ik al mijn hele leven. Altijd staat ze in brand, meestal houden mensen zelf de lucifer vast. En soms, gelukkig, ook de emmer.

Wereldwijd was 2025 misschien geen groots jaar. Maar grote conclusies heb ik er niet aan verbonden. Daarvoor was het te menselijk. Het bestond uit vakanties, geboortes, gesprekken aan tafels en een kies die ontbrak. En sinds oktober bestaat het ook weer uit vaker schrijven: bijna fanatiek, in stukjes op dit weblog. Dat hoop ik enigszins mee te nemen naar het nieuwe jaar. Maar laat dat geen belofte zijn!

Cadeau

Op tweede kerstdag kreeg ik van mijn zus een boek. Dat is op zich al prettig nieuws, want een boek is altijd beter dan een deodorant waarvan je niet weet of je er het einde van de dag mee haalt. Maar dit was geen willekeurig boek. Het ging over het zestigjarig jubileum van De Schooten, de wijk waar ik mijn eerste dertig levensjaren heb doorgebracht. In de tijd dat De Schooten nog een nieuwbouwwijk heette, wat toen betekende dat alles rook naar beton, nat zand en belofte.

Het boek was stevig, rijk geïllustreerd en had iets geruststellends in de hand. Alsof het zei: ga maar zitten, ik neem het wel even van je over. Maar het mooiste zat meteen voorin. Een handgeschreven introductie van mijn zus. Een mooi, lief gebaar, in haar handschrift. Dat handschrift dat ik herkende van boodschappenlijstjes van vroeger en verjaardagskaarten van recent. Hoe lief en bijzonder is dat, en ik dacht het zonder ironie, wat voor mij vooruitgang betekent.

De Schooten. Een wijk die ooit begon als een plan op papier, getekend door mensen die dachten dat dit een goede plek was om een leven te beginnen. Brede straten, veel groen, scholen op loopafstand. Een wijk waarin alles nog moest gebeuren. Wij waren er vroeg bij. Voor mij was het geen wijk, het was de wereld. Alles wat daarbuiten lag, was buitenland.

Het boek staat vol verhalen over het ontstaan van De Schooten. Over de eerste bewoners die hun gordijnen ophingen terwijl verderop in de straat woningen nog niet eens klaar waren. Over kerken die begonnen op noodlocaties en winkels die langzaam hun weg vonden tussen de huizen. Het leest als een collectief geheugen dat eindelijk eens netjes is opgeschreven.

En dan de foto op pagina 65. De opening van de speeltuin in 1975. Zwart-wit, vanzelfsprekend, want kleur was toen nog iets voor de toekomst. Een groep kinderen, een officieel moment dat werd opgeluisterd met een doorgeknipt lint en een man in een ambtelijke jas. En daar, ergens tussen die kinderen, herken ik mezelf. Niet omdat ik precies weet wie ik ben, maar omdat ik het voel. Dat jongetje met die houding, die blik. Dat ben ik. Aanwezig bij de opening van iets wat later heel gewoon zou worden.

Het ontroert me meer dan ik had verwacht. Niet groots, niet meeslepend, maar op de stille manier waarop herinneringen dat doen: als je ze niet oproept, maar ze zich ineens aandienen. Een wijk wordt ouder, mensen verhuizen, verdwijnen, komen niet meer terug. Maar zo’n boek houdt alles even vast. Alsof De Schooten zegt: ik was er, jij was er, en het was goed.

Ik sloeg het boek dicht en legde het naast me neer. Derde kerstdag, thuis, de tijd stond even stil. En ik dacht: soms is een cadeau geen voorwerp, maar een herinnering met kaft. En dat zijn toch de beste cadeaus.

Fout

Fout. Het woord heeft een vreemde klank. Hard, bijna schel. Alsof het ergens tegenaan botst vóór het je mond uitkomt. Tijdens de oorlog kreeg het een nog zwaardere lading. Iedereen kende wel iemand die fout was, of van wie men fluisterde dat hij fout was. En vaak wist men niet eens of dat terecht was. De oorlog was een tijd waarin morele lijnen bewogen, soms per dag, soms per uur. De ene keuze werd gezien als heldhaftig, de andere als zwak, en soms was het precies andersom.

Mijn pake, de vader van mijn vader, bevond zich ergens in die mistige zone van grijs die je niet in geschiedenisboeken terugziet. Niet omdat hij iets fout deed, maar omdat hij iets deed dat niet mocht: hij stal vlees van de nazi’s. Sneek, Friesland, winter. De kou kroop door alles heen. Het soort kou dat niet alleen je huid raakt, maar ook je geduld, je trots, je moraal. Als er in zo’n tijd vlees in de pan gaat, ruikt de hele buurt dat. Dat was het gevaar. Niet het stelen zelf, dat was al riskant genoeg, maar het braden ervan. De geur van overleven verspreidt zich nu eenmaal sneller dan je eigen angst.

En toch: het was overleven. Niet profiteren. Niet meeliften op andermans ondergang. Niet beter worden ten koste van een ander. Dáár zit voor mij de grens. Wie zijn eigen hachje redt zonder anderen te verraden, mag van mij in moreel grijs gebied opereren. Maar wie zijn buurman uitlevert om zelf extra brood te krijgen, is fout. Niet een beetje fout, niet “de omstandigheden”, maar echt fout.

De wereld houdt van het idee dat goed en kwaad eenvoudig zijn. Denk aan iemand als schrijfster J.K. Rowling. In haar boeken is het kwaad vanzelfsprekend slecht en moet het goede natuurlijk overwinnen. Voldemort is donker, koud, wreed. Zo’n personage lijkt me voor haar niet moeilijk te bedenken. In haar echte leven weet ze echter heel goed hoe ze moet uithalen naar transgenders, hoe ze woorden kan gebruiken om een groep weg te zetten. Dan wordt die simpele scheidslijn tussen goed en kwaad opeens minder literair en vooral ongemakkelijk. Misschien is kwaad in de echte wereld niet zo magisch, maar wel veel herkenbaarder.

De oorlog liet zien hoe dun die scheidslijn werkelijk is. Sommige mensen deden dingen die ze nooit van zichzelf hadden verwacht. Sommigen vielen mee, anderen tegen. Maar echte foutheid zit niet in nood, maar in keuze. In het moment waarop je besluit dat jouw voordeel zwaarder weegt dan andermans bestaan.

Mijn pake koos niet voor eigen winst. Hij stal vlees omdat zijn kinderen anders honger hadden. Hij verraadde niemand. Hij nam niets af van mensen die zelf al te weinig hadden. En daarom noem ik hem niet fout. Hooguit vindingrijk.

Overleven is soms lelijk of geheimzinnig, soms stinkend naar gebraden vlees. Maar fout ben je wanneer je anderen laat bloeden voor jouw gemak. Dat is een regel die zelfs in vredestijd geldt. Misschien juist dan.

Verhuizing

Het was weer zover. Niet voor onszelf, dit keer, maar voor mijn schoonzus en zwager. Familie dus — en als familie verhuist, dan help je. Dat is geen keuze, dat is een natuurwet.

Er was een vrachtwagen gehuurd. Zo’n groot wit ding dat op internet nog tam oogt, maar in het echt de halve straat opeet. Mijn man reed. Hij deed dat met het kalme zelfvertrouwen van iemand die vindt dat hij de vrachtwagen begrijpt. En eerlijk: dat deed hij ook. Hij nam bochten alsof hij ze persoonlijk had aangelegd, en achteruitrijden beschouwde hij als een kunstvorm.

Twee dagen lang sleepten we. Dozen, stoelen, bedden — het eeuwige kastje dat niemand wil, maar dat als een trouwe hond iedere verhuizing overleeft. Er was een pallet die niet wilde luisteren, en een regenbui die precies op het verkeerde moment arriveerde. Natuurlijk waren er ook kleine wrevels. Dat hoort zo. Een doos te zwaar aangepakt, een zucht op het verkeerde moment. Maar zodra de meubels stonden waar ze moesten, loste alles weer op. Alsof het huis zelf vrede sloot met ons geploeter.

’s Avonds voelde ik het. Mijn geest vond dat we goed bezig waren geweest, maar mijn lijf was een andere mening toegedaan. Rug, schouders, knieën — ze hielden elk hun eigen protestvergadering. Vroeger, toen we nog vaker hielpen met verhuizen, kenden we dat niet. Toen tilde ik moeiteloos wat nu piept en kraakt. We waren sneller, soepeler. We dachten niet na over herstel.

Nu doen we het rustiger. Met koffie in plaats van bravoure, met overleg in plaats van spierkracht. De dozen lijken zwaarder geworden, maar ik weet wel beter. Toch zit er iets ontroerends in. Verhuizen is een bewijs dat er nog iets beweegt in de wereld. En zolang ik nog kan helpen — zolang ik mijn man achter het stuur van die vrachtwagen zie zitten — voel ik me niet oud, slechts een beetje gebruikt.

Maar diep vanbinnen weet ik het wel. Dit was de laatste keer. De volgende verhuizing bekijk ik vanachter een kop koffie, die koffiemok til ik dan nog wel zonder moeite.

Geheim

Elke familie heeft ze. Van die verhalen die niet in een doos met papieren zitten, maar gewoon ergens in de lucht hangen. Ze waaien van generatie op generatie. Meestal blijven ze half gefluisterd, net hard genoeg om te blijven bestaan.

Bij ons ging het verhaal dat mijn moeder en haar broer — hij die de oorlog in Neuengamme niet zou overleven — eigenlijk de kinderen waren van een zwager van mijn oma. Een ingewikkelde constructie, waar een notaris van zou gaan zuchten. Maar goed, families zijn geen notariskantoren.

Het bleef binnenskamers. Mijn zussen wisten ervan. Ik hoorde het pas later, alsof ik ineens werd ingewijd in een geheim genootschap dat zichzelf niet al te serieus nam.

Mijn moeder heeft er nooit iets over gezegd. Ik heb het haar ook nooit gevraagd. Soms denk ik: dat had ik wel moeten doen. Een vraag is tenslotte zo gesteld. Maar tegelijk ben ik opgelucht dat ik het niet heb gedaan. Stel je voor dat ze het had bevestigd. Dan zaten we nu met een feit. En feiten zijn meestal een stuk saaier dan vermoedens.

Of nog erger: ze had het ontkend. Dan was het mooie verhaal in één klap kapot geweest. Een familie zonder raadsel is net een tuin zonder onkruid — netjes, maar ook een beetje doods.

Misschien is het dus maar goed zo. Dat het geheim nooit onthuld is. Het geeft de oude foto’s iets extra’s, een zweem van mysterie. Alsof ze niet zomaar familie zijn, maar acteurs in een film waarvan wij de plot zelf mogen bedenken.

En eerlijk gezegd: ik gun iedereen zo’n verhaal. Een stamboom zonder geheim is als erwtensoep zonder worst — voedzaam, maar er mist iets. Het is juist die kleine onduidelijkheid die een familie levendig houdt. Wie alles wil weten, eindigt met niets om over te praten.