Moppermeister

Ik liep van de week naar huis vanaf station Almere Centrum. Zo’n moment waarop je al bijna thuis bent en je hoofd eigenlijk al op de bank zit. De jas is in gedachten al uit en de schoenen mentaal uitgeschopt. Vlakbij huis dus. En daar zag ik hem. Een man op zijn hurken naast zijn fiets. Ketting eraf, houding van lichte wanhoop. Niet dramatisch, maar wel van het soort dat je herkent als je zelf ooit hebt gedacht: dit komt nu even niet uit.
Mijn eerste gedachte was niet fraai: wat moet die sukkel daar nou weer? En vrijwel direct daarna werd ik moe van mezelf. Dat gebeurt me de laatste tijd vaker. Niet het mopperen, dat is er altijd al geweest, maar het besef dat ik er steeds beter in word. Alsof het een vaardigheid is die je ongemerkt perfectioneert. Ik hoef er niet eens voor te oefenen, het gaat vanzelf.

Ik mopper veel. Te veel. Bijna automatisch. Over kleine dingen, grote dingen, dingen waar ik niets mee te maken heb en waar ik toch een mening over heb. Het zit in mijn aard, vrees ik. Ik ben de zoon van mijn vader en ik heb de leeftijd mee. Dat is een dodelijke combinatie. Ik mopper alsof het een natuurverschijnsel is. Iets waar je je niet tegen verzet, omdat je toch al weet dat het weinig zal helpen.
Maar daar stond die licht wanhopige man. En ergens tussen mijn ergernis en mijn zelfkritiek besloot ik dat ik het deze ene keer anders wilde doen. Gewoon om te kijken hoe dat voelde. Misschien ook om mezelf even te corrigeren. Ik vroeg of het wel goed met hem ging. In half Nederlands zei hij dat de ketting het niet deed. Dat was helder genoeg.

Zijn wieg had duidelijk niet in een van onze provincies gestaan, maar zijn Nederlands was beter dan ik ooit zijn moedertaal zou kunnen spreken. Die gedachte bleef even hangen. Niet beschuldigend, eerder beschamend. Ik bedacht dat hij waarschijnlijk niet is opgegroeid met het vanzelfsprekende idee dat je een fietsprobleem zelf oplost. Dat is tenslotte ook een vorm van cultureel erfgoed, net als weten hoe je een cassettebandje met een potlood redt.
Ik vertelde hem dat hij zijn fiets op zijn kop moest zetten. Dan kon je de ketting er zo weer op leggen, op het grote tandwiel. Of hoe dat ding ook heet. Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld het wiel opnieuw uit te vinden. Vragende ogen, lichte paniek. Mijn interne risicoanalyse sloeg aan. Als ik nu weg zou lopen, bleef ik niet alleen een mopperkont, maar ook een lafaard.

Dus ik zette mijn rugzak op de grond en zijn fiets op zijn kop. Ik draaide de pedalen terug. En ja hoor, daar ging de ketting. Terug op het kettingblad, of hoe dat ook heet. In één keer goed. Geen drama, geen zwarte handen tot aan de ellebogen, geen paniek. Hooguit een beetje roest aan de vingers.
De man keek opgelucht. Blij zelfs. Alsof ik iets had gedaan wat in zijn ogen groter was dan het in werkelijkheid was. Ik voelde tevredenheid. Niet overdreven, maar wel echt. Dat soort tevredenheid dat niet schreeuwt, maar rustig blijft hangen.

Het is nu niet zo dat ik vanaf vandaag een ander mens ben. Ik zal blijven mopperen. Dat staat vast. Ik doe het waarschijnlijk morgen alweer, misschien zelfs vanavond nog. Maar dit moment gaf me iets. Een klein tegenwicht. Het bewijs dat ik niet alleen maar dat zeurende stemmetje hoef te zijn.

Stalen Vriend

Nu met de diverse versoepelingen van de corona-regels in Nederland, mag ik sinds afgelopen week minimaal één dag per week naar kantoor komen, om daar mijn werkzaamheden te doen. Eén dag dat ik weer mag wennen aan het reizen betreffende het woon- en werkverkeer. En dat het wennen is, daar kwam ik snel achter. Nog nooit eerder hoefde ik met een laptop te lopen zeulen in mijn rugzak. De schootcomputer van het werk is niet echt zwaar, maar zwaar genoeg om me weer even een brugklasser te voelen, met een tas vol zware schoolboeken. Bij mijn overstap op station Amsterdam-Zuid viel ik nog net niet achterover.

Mijn grote vriend, Medley, de herenfiets, stond nog steeds geduldig op me te wachten. Dat het even had geduurd bleek uit het feit dat Medley was gehuld in spinnenwebben en de ketting die hem op zijn plek hield, kleurde roestig. Deze kleur werd ook aan mijn handen afgegeven. Een geluk dat ik mijn handen, sinds maart vorig jaar, een paar keer per dag was. Deze dag was ik de fietssleutel niet vergeten en zo waren we klaar voor onze fietsrit-reünie sinds september vorig jaar. 

Dat het maandenlange stilstaan mijn vriend geen goed had gedaan hoorde ik aan het gekraak van de fietsketting in de kettingkast. Ik denk dat Medley een kruipolie-injectie wel kan waarderen, wanneer ik volgende week weer in Amsterdam ben. Ook had mijn fietsvriend tijdens het wachten op een uitje, enig lucht in de banden verloren. Afgelopen dinsdag heb ik dit meteen opgelost door in mijn pauze even beide fietsbanden volumineus op te pompen. Het schuldgevoel van het in de steek laten heb ik hiermee hopelijk voldoende van me afgeworpen. 

Op kantoor was het vreemd en ook heel gewoon. Het was af en toe wennen er weer te zijn, maar met andere zaken was het alsof ik er dag ervoor nog aanwezig was. Ik vind het bijzonder hoe sommige gewoontes zo vastzitten dat je er onbewust, als op de automatische piloot, mee omgaat. Een dag op kantoor met oude en nieuwe indrukken gaat snel voorbij. Voor ik het wist zat ik alweer op mijn fiets naar het metrostation. Ik kan het mis hebben, maar de fietsketting leek op de terugweg minder moeilijk te doen. Toen ik bij het plaatsen van vriend Medley per ongeluk aan de fietsbel zat, rinkelde deze verdacht opgewekt.