Visarend

Zondagochtend. De stad slaapt nog half, behalve hondenbezitters en vroege fietsers zoals ik. Even het hoofd leegmaken, de benen laten draaien, weg van alles wat moet. Almere. In gezelschap vaak met een lichte frons uitgesproken: “Och, Almere.” Beton, planologie zonder ziel, de plek waar je woont omdat het elders te duur werd. Een hardnekkig beeld dat mensen meenemen die er zelden komen.

Na vier kilometer kom ik op het Noorderledepad. Het decor verandert ongemerkt. Asfalt slingert langs water en riet, de lucht is laag en grijs, maar rustig. Geen dramatisch wolkenspel, gewoon een stille zondagochtend in de polder. Deze natuur dringt zich niet op; je moet haar tijd geven. Vandaag vallen ze op: nestpalen, hoge houten palen met een stevig plateau bovenop, klaar voor de visarend. Functioneel, zonder opsmuk. Dat alleen al maakt iets los. Je fietst door een stad die nog steeds het imago van beton meesleept, terwijl hier ruimte wordt gemaakt voor een roofvogel die zijn winters in West‑Afrika doorbrengt. Naar Almere. Niet naar een romantisch bergmeer, maar naar de polder.

Ik fiets langzamer en kijk omhoog. Zo’n paal oogt eenvoudig, maar straalt overtuiging uit: hier mag iets groots landen. Ik stel me voor hoe een visarend boven het water hangt, stil in de lucht, plots naar beneden duikt en met een zilveren vis weer opstijgt. Hoe hij takken aansleept en een nest bouwt dat jaar na jaar groter wordt. Op de achtergrond zie je de contouren van de stad: huizen, een mast, een brug. Niets spectaculairs, en toch klopt het. Water, riet, wind. Veel lucht. Almere is misschien wel de stad met de meeste lucht van Nederland. Dat zie je niet op oude luchtfoto’s, dat merk je pas als je hier fietst, op een ochtend waarop niemand iets van je verwacht.

Het imago van Almere is hardnekkig. Mensen onthouden de eerste huizen, de rechte lijnen, de jonge boompjes. Ze zien een bouwtekening in plaats van een landschap. Maar wie hier op zondagochtend rondrijdt, ziet iets anders. Stilte is dichtbij. Binnen tien minuten hoor je vooral je eigen adem en het zachte zoemen van banden over asfalt.

Langs het Noorderledepad staan de nestpalen geduldig te wachten. Alsof de stad ruimte reserveert voor iets dat groter is dan zijzelf. Dat vind ik misschien wel het mooiste. Almere is niet af. Het groeit. Niet alleen in huizen, maar ook in natuur, in vogels die besluiten terug te keren. Ik fiets verder. Een paar andere vroege fietsers knikken kort. We delen niets, en toch ook weer wel: dit uitzicht, deze rust, deze onverwachte rijkdom. Misschien moet Almere niet verdedigd worden tegen vooroordelen. Misschien moet je hier gewoon een keer fietsen. Vier kilometer is genoeg. Dan zie je ze vanzelf staan, die nestpalen bij het riet, wachtend op een roofvogel die vertrouwen heeft in deze plek. En als een visarend dat kan, kunnen wij dat ook.

Zinloos

Afgelopen zondag had ik nergens zin in. Dat is een constatering die je het liefst voor jezelf houdt, omdat hij zo weinig spectaculairs heeft. Nergens zin in klinkt niet heroïsch. Het klinkt vooral alsof je jezelf een beetje in de weg zit. Toch was het zo. De dag begon netjes, zoals zondagen dat doen, maar ergens onderweg liet hij me los.

Het merkwaardige was dat er aanvankelijk niets aan de hand was. Ik stond op zonder protest, deed wat gebruikelijke handelingen en stapte op de fiets. Geen innerlijke strijd, geen zwaar gemoed. Gewoon fietsen. De wereld deed ook normaal: lucht, wegdek, andere mensen die duidelijk wel ergens zin in hadden.

En toen was er dat moment. Nadat ik een korte klim had gefietst, werd ik licht in mijn hoofd en even kortademig. Niet dramatisch, niet geschikt voor sirenes of omstanders, maar wel voldoende om af te stappen. Preventief. Met die rustige wetenschap die je rond je zestigste ontwikkelt: als ik nu val, sta ik waarschijnlijk wel weer op, maar niet meer zo achteloos als vroeger. De kans dat er iets kraakt wat vroeger zweeg, is simpelweg groter geworden.

Dat besef maakte me niet somber, hooguit iets bedachtzamer. Ik stond even stil. De fiets ook. Alles ging weer over en ik reed verder.

Thuis leek het incident netjes opgeborgen. En juist toen begon het. Nergens zin in. Alsof het lichaam dacht: zo, nu hebben we dat gehad, nu even niet meer. Geen duidelijke aanleiding, geen drama, alleen een lichte leegte, met hoofdpijn als bijsluiter. Geen hoofdpijn die aandacht vraagt, maar eentje die zachtjes fluistert dat plannen vandaag overbodig zijn.

Ik ging wandelen. Omdat dat hoort. Twee pogingen voelen altijd serieuzer dan één. Ik liep rustig, keek om me heen, hoopte dat de zin zich ergens onderweg zou aandienen. Misschien zat hij op een bankje. Of achter een struik. Hij bleef onvindbaar. De wandeling deed niets verkeerds, maar ook niets goeds. Hij was er vooral.

Het is geen groot probleem, zo’n dag. Ik heb het gelukkig niet vaak. Dit was volgens mij de eerste keer dit jaar. En het jaar is bijna voorbij, wat betekent dat ik statistisch gezien behoorlijk goed bezig ben. Het lijkt het meest op een mini-depressie, al klinkt dat zwaarder dan het voelt. Meer een tijdelijke systeemmelding dan een echte storing.

Gelukkig weet ik wat helpt. Lezen. Een paar hoofdstukken uit een boek. Of een film die ik nog niet eerder heb gezien. Niet omdat die film bijzonder moet zijn, maar omdat hij nieuw is. Nieuwheid blijkt een verrassend effectief middel.

Langzaam keerde alles terug. De hoofdpijn verdween. De zin kwam aarzelend terug, alsof hij zich excuseerde voor zijn afwezigheid. Tegen de tijd dat de aftiteling begon, was de zondag weer gewoon een zondag. Geen inzicht, geen overwinning. Alleen het prettige gevoel dat alles het weer doet. Dat is, op sommige dagen, meer dan genoeg.