Neutraliteit

Soms kijk ik een film die niet ophoudt wanneer de aftiteling begint. Grâce à Dieu was er zo een. De Franse film uit 2018 van regisseur François Ozon vertelt het waargebeurde verhaal van een aantal mannen die als kind seksueel zijn misbruikt door een priester in Lyon.

Met indrukwekkende rollen van Melvil Poupaud, Denis Ménochet en Swann Arlaud, laat de film zien hoe verschillend mensen omgaan met trauma, schuldgevoel en de behoefte om eindelijk gehoord te worden.

Maar eerlijk gezegd bleef ik niet zozeer hangen bij de daders.

Wat mij vooral bezighield, waren de mensen eromheen.

Ouders. Kerkbestuurders. Gelovigen. Bekenden. Mensen die signalen hadden opgevangen. Mensen die achteraf zeiden dat ze eigenlijk altijd wel een vermoeden hadden gehad. Dat er iets niet klopte. Dat ze weleens verhalen hadden gehoord. Maar ja… wat moest je ermee? En bovendien: zou het toch iets hebben uitgemaakt als je iets had gezegd?

Ik zat met open mond te kijken.

Niet omdat ik naïef ben. We weten inmiddels allemaal hoe vaak machtsmisbruik jarenlang verborgen blijft. Maar telkens weer verbaast het me hoe gemakkelijk mensen zichzelf kunnen overtuigen dat zwijgen de verstandigste keuze is.

Misschien omdat we onszelf graag vertellen dat iemand anders wel zal ingrijpen. Dat de waarheid vanzelf boven tafel komt. Of dat het onze zaak niet is.

Ik geloof daar steeds minder in.
Sterker nog: ik geloof niet dat neutraliteit bestaat.

Op het moment dat je weet dat er onrecht plaatsvindt en je besluit niets te zeggen, maak je óók een keuze. Misschien voelt dat niet zo. Misschien denk je dat je juist neutraal blijft door je erbuiten te houden. Maar in de praktijk werkt die stilte bijna altijd in het voordeel van degene die de macht heeft. De dader hoeft immers niets te vrezen van mensen die wegkijken.

Ik moest tijdens de film denken aan een uitspraak van Elie Wiesel, overlevende van de Holocaust en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede:

Neutraliteit helpt de onderdrukker, nooit het slachtoffer. Stilte moedigt de dader aan, nooit degene die lijdt.
Ik denk dat hij gelijk had.

Dat betekent niet dat iedereen altijd heldhaftig moet zijn. Ik begrijp heel goed dat mensen bang kunnen zijn. Of twijfelen. Of niet weten wat ze moeten doen. Maar zwijgen is geen neutrale positie. Zwijgen heeft gevolgen.

Juist daarom vond ik Grâce à Dieu zo’n indrukwekkende film. Niet omdat hij de misstanden binnen de kerk nog eens blootlegt. Die kennen we inmiddels helaas maar al te goed. Maar omdat hij laat zien hoeveel schade er ontstaat wanneer een hele omgeving besluit weg te kijken.

Soms is onrecht niet alleen het gevolg van één slechte dader.
Soms is het ook het gevolg van heel veel goede mensen die dachten dat hun stem toch niets zou veranderen.

Leugens

Iedereen heeft wel zo’n film. Een film die niet per se de beste ooit is, maar die op de een of andere manier bij je leven is gaan horen. Je kent de dialogen bijna uit je hoofd, weet precies welke scène eraan komt en toch blijf je kijken. Niet omdat de film verandert, maar omdat jij dat doet. Voor mij is dat Les Petits Mouchoirs.

Edo en ik hebben er inmiddels zelfs een traditie van gemaakt. Zodra Nederland weer onder een hittegolf gebukt gaat, verdwijnt de afstandsbediening bijna automatisch naar die film. De laatste jaren gebeurt dat opvallend vaak. Waar een hittegolf vroeger iets uitzonderlijks was, lijkt het tegenwoordig bijna een vast onderdeel van de zomer. Buiten trilt de lucht boven het asfalt, binnen zoemt de ventilator en begint een film die inmiddels voelt als een oude bekende.

Ik zag Les Petits Mouchoirs voor het eerst in 2012, zonder precies te weten wat ik kon verwachten. Een Franse film over een hechte vriendengroep die, ondanks een ernstig ongeluk van een van hen, besluit toch samen op vakantie te gaan. Geen spectaculaire actie, geen helden die de wereld redden en ook geen verhaal waarin je na tien minuten al weet wie de goede en de slechte zijn.
Sterker nog, er zijn eigenlijk helemaal geen helden.

Wat ik zo knap vind aan de film, zijn de personages. Ze voelen als echte mensen. Mensen die soms egoïstisch zijn, verkeerde keuzes maken of iets zeggen waar ze later spijt van krijgen. Ze zijn lief, irritant, onzeker, grappig en soms ronduit onmogelijk. Precies zoals mensen in het echte leven zijn.

Alleen Max vormt daarop een heerlijke uitzondering. Hij dendert door de film als een hyperactieve Louis de Funès. Altijd druk, overal bovenop en voortdurend pratend. Soms is hij vermoeiend, maar meestal vooral ontzettend grappig. Juist zo’n uitvergroot karakter zorgt ervoor dat de rest alleen maar echter aanvoelt.

De film maakte zoveel indruk dat ik daarna zelfs een opfrissingsopleiding Frans ben gaan volgen aan het Helen Parkhurst College in Almere. Niet omdat ik ineens vloeiend Frans wilde spreken, maar omdat ik dichter bij die taal wilde komen. Alsof ik de film nóg een keer wilde beleven, maar dan zonder ondertiteling.

Dat is overigens nooit helemaal gelukt.
Mijn Frans is nog steeds voldoende om een kop koffie te bestellen en de weg naar het station te vragen. Maar de poging alleen al zegt genoeg. Soms kan een film blijkbaar meer losmaken dan je van tevoren had verwacht.

Wat mij vooral blijft intrigeren, is dat Les Petits Mouchoirs eigenlijk helemaal niet over vakantie gaat. De film gaat over de kleine leugens die we elkaar en onszelf vertellen. Over de rol die we spelen binnen een vriendengroep. Over de versie van onszelf die we graag aan anderen laten zien.
Want zeg nu zelf: wie doet dat niet?

We zeggen dat alles goed gaat, terwijl we ergens mee worstelen. We lachen om een grap waar we eigenlijk geen zin in hebben. We houden ons groot, omdat dat eenvoudiger is dan toegeven dat iets ons raakt. Niet uit onwil, maar omdat een klein leugentje om bestwil soms comfortabeler voelt dan de waarheid.

Dat vind ik misschien wel het mooiste aan deze film. Hij oordeelt niet over zijn personages. Hij laat ze gewoon mens zijn. Met al hun mooie én minder mooie eigenschappen. Juist daardoor ga je om ze geven, zelfs als je het regelmatig hartgrondig met ze oneens bent.

Misschien is dat wel de reden waarom Les Petits Mouchoirs na al die jaren nog steeds een van mijn favoriete films is. Niet omdat het verhaal zo bijzonder is, maar omdat de mensen erin zo herkenbaar zijn.

En daarom weet ik nu al dat, zodra de volgende hittegolf zich aandient, Edo en ik weer op de bank zitten. Buiten zal de warmte boven het asfalt dansen, binnen begint een film die we inmiddels bijna uit ons hoofd kennen.

Crimineel

De eerste keer dat ik The Godfather zag, kon ik niet eens goed plaatsen wat ik keek. De wereld om me heen was nog klein, beperkt tot de straat en de school, en toch waren die films er al, als een achtergrondmuziek van iets wat altijd al heeft bestaan. Alsof de maffia er altijd al was, in een parallelle wereld waar ik nog geen toegang toe had, maar die stilletjes mijn verbeelding binnensloop. Het is een wereld van familie, macht en verraad, en een wereld waarin alles, maar dan ook alles, onder controle lijkt, zolang je de juiste mensen kent en de juiste stappen zet.

Thuis kijken we de eerste twee delen elk jaar wel een keer of twee. Minimaal. Altijd weer. De dialogen, de sfeer, diezelfde zware, intieme muziek. Soms kunnen we bepaalde zinnen per lettergreep meezeggen, alsof we onderdeel zijn van die wereld, alsof de films ons al die jaren geheim hebben toegesproken. Het tweede deel is mijn persoonlijke favoriet. De verhalen van Michael Corleone, de spanningen, de tragedie en de loyaliteit, alles samen maakt dat het tweede deel een eigen, onvervangbare magie heeft. Het derde deel? Nee. Daar trek ik de grens. Misschien omdat het probeert te verklaren wat niet te verklaren valt, of omdat de magie van de eerste twee delen onmogelijk te herhalen is.

Toen we elkaar leerden kennen, las Edo het boek van Mario Puzzo. Jaren later had hij het uit. Mijn man is geen groot boekenliefhebber, maar The Godfather leek hem genoeg te fascineren: de wereld van macht en verraad, de subtiele regels van eer en loyaliteit. Samen hebben we ons jarenlang laten meeslepen door deze wereld van corruptie en macht. Niet omdat we de maffia romantiseren, integendeel, maar omdat het laat zien hoe slecht en corrupt de mens kan zijn. Dat fascinatie en afschuw zo dicht bij elkaar liggen, maakt het interessant. Er zit iets onmenselijk menselijks in, iets wat ons toestaat te genieten van foute karakters. De donkere kant van ons krijgt even de kans om te genieten, zonder dat we de grenzen daadwerkelijk overschrijden.

Naast The Godfather kijken we eens in de zoveel tijd ook Good Fellas of Scarface, maar het blijft anders. Die films zijn groot, chaotisch, misschien realistischer op hun manier, maar de eerste twee delen van The Godfather zijn als een oude vriend, een jaarlijkse terugkerende herinnering. Ze vormen een constante in een wereld die snel verandert en herinneren ons eraan dat verhalen over macht, loyaliteit en verraad altijd relevant zijn, ongeacht het decennium.

Thuis, op de bank, met een wijntje of een gin tonic, kijken we samen naar die scènes die we kennen als onze eigen broekzak. Soms glimlachen we om een blik, soms slikken we bij een stilte. Het voelt intiem, vertrouwd, alsof de films een deel van ons geworden zijn. Alsof die wereld van macht en verraad altijd al een hoekje in ons huis had, wachtend tot wij hem weer zouden begroeten.

Horror

Laatst zag ik de film Weapons. Een vernieuwende horrorfilm: vermakelijk, maar niet echt eng. Mijn man keek de film zonder moeite mee. Dat is voor mij altijd een goede graadmeter; als hij blijft zitten, valt de horror meestal wel mee. Weapons probeert je angst aan te praten en slaagt daar deels in. Er zijn echter ook horrorfilms die je niet direct laten schrikken, maar je langzaam ongemakkelijk maken, alsof er iets in de kamer is veranderd zonder dat je precies kunt aanwijzen wat. Sinister (2012) behoort tot die laatste categorie. Het is geen film die je opzweept, maar een die je geestelijk tot stilstand brengt. Niet met geweld. Maar met een hardnekkig gevoel dat je iets ziet wat je eigenlijk niet had moeten zien. Het soort gevoel dat nog even blijft hangen als je de televisie uitzet, alsof je je omgeving opeens anders waarneemt.

Wat deze film voor mij vooral verontrustend maakt, is de manier waarop kinderen een centrale rol spelen. Niet als klassieke slachtoffers, zoals in Weapons, maar ook niet als expliciet demonische figuren die schreeuwen, tieren en vloeken, zoals we dat kennen uit The Exorcist. In Sinister is het subtieler, en juist daardoor des te ongemakkelijker. Kinderen horen onschuldig te zijn, of op zijn minst op een veilige manier ondoorgrondelijk. De film draait dat om. De blikken zijn onnatuurlijk leeg, de handelingen te doelgericht. Er zit een vorm van bewustzijn achter die niet past bij de leeftijd. Dat schuurt. Niet omdat het expliciet wordt gemaakt, maar juist omdat de film weigert het uit te leggen. Het is die combinatie van herkenning en vervreemding die je voortdurend op scherp zet, alsof je steeds een stap te ver in hun wereld kijkt.

De Super 8-filmpjes die een belangrijke rol spelen, vormen het morele en emotionele middelpunt van de film. Korrelige beelden, schijnbaar huiselijke taferelen, vastgelegd alsof het om herinneringen gaat. En juist daarin zit de kracht. Deze beelden voelen niet als fictie, maar als archiefmateriaal. Alsof je per ongeluk iets afspeelt dat niet voor jou bedoeld is. De afstand tussen kijker en gebeurtenis verdwijnt. Je kijkt niet naar een horrorfilm, je kijkt mee. En dat maakt het ongemak des te intensiever, omdat het idee dat het echte gebeurtenissen zouden kunnen zijn een constante sluier van dreiging meebrengt.

Die ervaring wordt versterkt door het geluid. Of eigenlijk door het ontbreken van traditionele muziek. In plaats daarvan is er een voortdurende aanwezigheid van vreemde, onheilspellende klanken. Geen melodieën die emoties sturen, maar geluiden die op de achtergrond blijven knagen. Industriële dreunen, vervormde tonen, iets wat lijkt op ademhaling, maar dan net niet menselijk. Het geluid begeleidt niet, het dringt zich op. Het zet zich vast onder je huid en blijft daar zitten, lang nadat de film is afgelopen.

Wat Sinister slim doet, is de kijker geen emotionele rust gunnen. Er is geen moment waarop je kunt zeggen: nu is het voorbij, nu begrijp ik het. De film weigert elke vorm van geruststelling. Zelfs wanneer het verhaal tot een einde komt, blijft het gevoel dat er niets is opgelost. Alsof het kwaad niet is verslagen, maar simpelweg van plek is veranderd.

Misschien is dat wel de kern van waarom Sinister bij mij zo blijft hangen. De film suggereert dat sommige vormen van kwaad niet spectaculair zijn, maar stil. Niet chaotisch, maar georganiseerd. En dat idee, gecombineerd met kinderstemmen, huiselijke omgevingen en een soundtrack die meer voelt dan klinkt, maakt Sinister niet zozeer angstaanjagend, maar diep verontrustend.

Het is geen film die je bang maakt om te kijken. Het is er een die je dwingt na te denken over wat je gezien hebt. En vooral over wat je liever niet had willen zien.