De trein staat stil op station Duivendrecht. Enkele reizigers stappen uit en er stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Hij is druk in gesprek met een voor ons onzichtbare gesprekspartner. Mijn ogen blijven gericht op mijn telefoonscherm, maar mijn oren luisteren stiekem mee naar wat de jongen heeft te melden. Hij vertelt enthousiast wat hem vandaag is overkomen. Hij houdt hierbij het witte snoertje van zijn oordopjes met zijn vingertoppen fijngevoelig vast.

Hij heeft vandaag een vertrouwenscursus gehad. Het standaard vertrouwensverhaal wordt verteld. Alle kandidaten op deze cursus moesten zich met het volste vertrouwen achterover laten vallen, in de armen van de andere cursisten. Hij vond het echt fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus. Om te weten of de voor ons onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’ Ik weet het inmiddels ook.

Op een gegeven moment schelt er een hoog aanhoudend gepiep uit zijn oordopjes. Zelfs ik en andere reizigers schrikken ervan. Hij ervaart het zeer waarschijnlijk als een enorme aanslag op zijn gehoor, en geschrokken roept hij wat de fokking hel er aan de hand is. We vernemen even later uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is. De jongen geeft hem het vertrouwelijke advies om bij het koken alles goed voor te bereiden.

‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, klinkt er bijna wijs uit zijn mond. Hij spreekt het uit met een Almeers accent uit. Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft de focus verplaatst naar het kookplaat. Er klinkt luide muziek uit de oortjes. Het zijn hedendaagse, vette en zware beats, waar een man van mijn leeftijd niet op kan dansen zonder verdacht te worden van een epileptische aanval te hebben.

Verveeld draai ik met mijn ogen en mijn gezicht draait naar het raam. Het zicht naar buiten is wazig. Een vette afdruk van een voorhoofd, zeker van een persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten, ontneemt me een helder uitzicht. Door de vetvlek heen zie ik in de verte de skyline van Almere, en even later rijdt de trein het station van Almere Centrum in.

Dolblij en euforisch. Twee woorden, één betekenis. Het omschrijft hoe ik me momenteel voel. Sinds maandagmiddag heb ik een extreem gevoel van vreugde: na ruim twee jaar werkeloos te zijn geweest, tel ik weer mee in de maatschappij. Met ingang van april ben ik een werknemer. Dit heerlijke gevoel, daar kan geen hardloopwedstrijd tegenop. Een medaille is leuk, maar een loonstrookje leuker.

Het zal ook voor het eerst in mijn leven zijn dat ik mag forensen. Waar ik al mijn vorige jobs op fiets- of loopafstand van mijn werk woonde, mag ik binnenkort afreizen naar mijn werk in een andere gemeente. Een afstand van zo’n 50 kilometer van thuis. Ik kan er nu al van genieten. Met de trein naar Utrecht en daar verder met de bus, en misschien over een paar maanden met een auto over de snelweg.

Natuurlijk zullen er momenten komen waarbij de euforie en het blijdschap ver te zoeken zijn, wanneer er een trein uitvalt of er een vertraging is. Wanneer ik in de auto onderweg naar het werk of thuis ben, zal ik ook meer dan eens in de file staan. Allemaal dingen waar ik niet op zit te wachten en op dat moment helemaal niet zal kunnen waarderen, maar who cares? Ik heb een baan.

forens