Veerkracht

Er zijn van die momenten waarop je ineens beseft: hé, dit voelt weer goed. Voor mij is dat de laatste tijd onmiskenbaar het hardlopen. Niet één keer per week, niet af en toe wanneer het uitkomt, maar gewoon weer meerdere keren. Ritme. Regelmaat. En misschien nog wel belangrijker: plezier.

Het is een vreemd soort voldoening die moeilijk uit te leggen is aan iemand die het niet ervaart. Je trekt je schoenen aan, stapt naar buiten, en ergens halverwege merk je dat je ademhaling rustiger wordt, je pas vanzelf komt en je hoofd leegloopt. Geen grote inzichten, geen wereldproblemen die worden opgelost, maar wel een soort innerlijke rust die zich langzaam opbouwt. Alsof alles weer even op zijn plek valt.

Wat me vooral opvalt, is dat mijn conditie vooruitgaat. Waar ik eerst nog moest zoeken naar mijn tempo, voelt het nu steeds natuurlijker. Mijn lichaam herinnert zich blijkbaar meer dan ik dacht. Spieren die weer meedoen, longen die minder protesteren. Het is geen spectaculaire sprong vooruit, maar een geleidelijke verbetering die misschien juist daarom zo prettig is. Elke keer een klein beetje beter. Elke keer net iets soepeler.

En misschien nog wel het mooiste: ik geniet er weer van. Echt. Niet omdat het moet, niet omdat het goed voor me is, maar omdat ik het wíl. Dat gevoel was ik een tijdje kwijt, en het is verrassend hoe waardevol het is als het terugkomt. Hardlopen wordt dan geen verplichting, maar een soort afspraak met jezelf waar je naar uitkijkt.

Grappig genoeg krijg ik achteraf soms ook nog een soort bevestiging van buitenaf. De app Strava laat na afloop zien dat mijn hartslag keurig in een gezonde zone heeft gezeten. Iets waar ik tijdens het lopen eigenlijk helemaal niet mee bezig ben. Ik kijk niet voortdurend op mijn horloge of cijfers. Maar als ik het dan later zie staan, denk ik toch even: mooi zo. Blijkbaar is mijn lichaam niet alleen bezig, maar ook nog eens op een goede manier.

Toch is er ook een kleine kanttekening. Of eigenlijk meerdere. Met veren. Want waar ik ook loop, lijken ze me te vinden: ganzen. En niet één of twee, maar complete gezinnen. Met kuikens. Kleine, pluizige versies van hun ouders, die op zichzelf nog best aandoenlijk zouden kunnen zijn, ware het niet dat ze bewaakt worden door een stel overijverige, sissende wachters.

Laat ik het zo zeggen: ik ben niet bang voor ganzen. Echt niet. Maar vrolijk word ik er ook niet van. Er is iets aan die dieren, misschien hun houding, misschien hun blik, dat me toch een beetje ongemakkelijk maakt. Ze hebben, in mijn ogen, iets prehistorisch. Alsof ze zo uit een tijdperk komen waarin alles net iets groter, ruiger en minder vriendelijk was. Een tikje dinosauriërachtig, als je het mij vraagt.

En zodra er kuikens in het spel zijn, verandert de sfeer volledig. Het gemoedelijke grazen maakt plaats voor gesis, gespreide vleugels en een houding die duidelijk maakt: dit is ons terrein. Dat dreigende gedoe hoeft voor mij niet zo nodig. Ik begrijp het ergens wel, bescherming van het nageslacht en zo, maar prettig is anders.

Dus wat doe ik? Ik wijk uit. Loop een stukje om. Kies een andere route of steek eerder over. Niet uit angst, maar uit, laten we zeggen, gezonde alertheid. Het is een kleine aanpassing in mijn rondje, maar wel eentje die ervoor zorgt dat ik ontspannen kan blijven lopen. En uiteindelijk is dat waar het om draait.

Want ondanks de ganzen, hun gesis en hun licht intimiderende aanwezigheid, overheerst toch één gevoel: tevredenheid. Blij zijn dat ik weer loop. Dat mijn lichaam meedoet. Dat mijn hoofd leeg wordt en mijn conditie groeit.

En ja, als ik daarvoor af en toe een klein ommetje moet maken vanwege een stel zelfbenoemde dino’s met veren, dan zij dat maar zo.