Iedereen kent wel een persoon die de mooiste en sterkste verhalen kan vertellen. Zo had ik vroeger een buurman die schitterend en in detail je dingen kon doen laten geloven. Of deze verhalen waar waren, daar moest je dan zelf maar achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog wel helder bij. De ouders van oudtante Boukje hadden vroeger een kroeg in Den Helder. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf, maar ook die van haar vader en moeder maken.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen, bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk, moest Boukje een paar eieren voor hen klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader de eerste keer gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had Boukje pas later begrepen. Omdat vader en moeder het lekker vonden deed Boukje ook een scheut uit het vaatje bij haar eigen eitjes. Oudtante verklaarde later: ‘Ik was acht jaar oud en ik kwam elke ochtend dronken in de klas.’ Hierbij keek ze iedereen die het lachende aanhoorde ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude en eenzame man die ze in haar café leerde kennen. Het was telkens een andere vent, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg Boukje een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was de treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Haar laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder enige twijfel vriendelijk voor haar zijn.

De trein staat stil op station Duivendrecht. Enkele reizigers stappen uit en er stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Hij is druk in gesprek met een voor ons onzichtbare gesprekspartner. Mijn ogen blijven gericht op mijn telefoonscherm, maar mijn oren luisteren stiekem mee naar wat de jongen heeft te melden. Hij vertelt enthousiast wat hem vandaag is overkomen. Hij houdt hierbij het witte snoertje van zijn oordopjes met zijn vingertoppen fijngevoelig vast.

Hij heeft vandaag een vertrouwenscursus gehad. Het standaard vertrouwensverhaal wordt verteld. Alle kandidaten op deze cursus moesten zich met het volste vertrouwen achterover laten vallen, in de armen van de andere cursisten. Hij vond het echt fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus. Om te weten of de voor ons onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’ Ik weet het inmiddels ook.

Op een gegeven moment schelt er een hoog aanhoudend gepiep uit zijn oordopjes. Zelfs ik en andere reizigers schrikken ervan. Hij ervaart het zeer waarschijnlijk als een enorme aanslag op zijn gehoor, en geschrokken roept hij wat de fokking hel er aan de hand is. We vernemen even later uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is. De jongen geeft hem het vertrouwelijke advies om bij het koken alles goed voor te bereiden.

‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, klinkt er bijna wijs uit zijn mond. Hij spreekt het uit met een Almeers accent uit. Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft de focus verplaatst naar het kookplaat. Er klinkt luide muziek uit de oortjes. Het zijn hedendaagse, vette en zware beats, waar een man van mijn leeftijd niet op kan dansen zonder verdacht te worden van een epileptische aanval te hebben.

Verveeld draai ik met mijn ogen en mijn gezicht draait naar het raam. Het zicht naar buiten is wazig. Een vette afdruk van een voorhoofd, zeker van een persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten, ontneemt me een helder uitzicht. Door de vetvlek heen zie ik in de verte de skyline van Almere, en even later rijdt de trein het station van Almere Centrum in.