Kinderachtig

Het sneeuwt nu al een paar dagen flink. Niet dat slappe gedoe dat meteen weer in regen overgaat, maar sneeuw die blijft liggen, sneeuw die kraakt onder schoenen en waar ineens van alles mee moet. Sleetjes worden uit schuren gehaald, plastic zakken krijgen een tweede leven en volwassen mensen roepen dingen die ze de rest van het jaar niet zeggen. “Ik ben weer even kind,” hoor ik ze roepen, terwijl ze met rode wangen van een helling afglijden die normaal vooral dienst doet om honden uit te laten.

Dat “weer even kind” hoor je alleen in de winter. Nooit in april, als iemand een boterham eet in de zon. Nooit in juli, als iemand tot zijn knieën in zee staat of op een doordeweekse donderdag in de supermarkt. Blijkbaar heeft het kind in de volwassene een winterjas nodig, en toestemming van de winterkoning.

Ik sta erbij en kijk ernaar, zoals ik wel vaker sta te kijken. Ik ben zelf bijna zestig en voel me, eerlijk gezegd, toch 365 dagen per jaar nog een kind. Niet voortdurend, niet ongeremd, maar aanwezig. Het kind in mij staat meestal iets achter me, omdat de senior in mij zich graag overal tegenaan bemoeit. Die senior zegt: rustig aan, denk aan je knieën, morgen moet je ook nog functioneren. Hij draagt een jas met veel zakken en weet precies waar de paracetamol ligt.

Toch wint het kind vaker dan je zou denken. Bij simpele dingen. Een goed liedje op de radio. Een kop koffie die precies goed is. Een poes die besluit vlak voor je langs te rennen. Ik kan daar oprecht blij van worden, zonder dat ik hoef te roepen dat ik weer even kind ben. Ik bén het al. Of beter gezegd: ik ben het nog.

Misschien is dat wel het verschil. Voor sommige volwassenen is het kind iets dat kwijtgeraakt is, opgeborgen onder verantwoordelijkheden, agenda’s en fatsoen. Het ligt ergens tussen de belastingaangifte en een onderhoudscontract. En dan, ineens, valt er sneeuw. En mag het eruit. Even. Met veel lawaai. En nog meer selfies.

Voor anderen, waaronder ikzelf, is het kind nooit echt weggeweest. Het is alleen wat stiller. Het weet dat het niet altijd voorop mag lopen, dat het soms plaats moet maken voor die bijna zestigjarige senior die beter weet hoe laat het is. Maar het kind blijft nieuwsgierig. Verwonderd. Een tikje naïef misschien.

Wat me fascineert aan die roepende volwassenen op sleeën, is niet het plezier dat ze hebben. Dat gun ik ze van harte. Het is mijn verbazing daarover. Alsof plezier iets tijdelijks is, iets uitzonderlijks, iets wat je alleen mag voelen als de wereld wit is en iedereen het ziet. Misschien zouden we het kind niet zo moeten herontdekken, maar gewoon erkennen dat het er altijd is. Ook zonder sneeuw.

Polshoogte

Gelukkig is het nog niet zo ver. De temperatuur blijft voorlopig boven nul, en dat is een geruststellende gedachte. Nog geen ijs op de sloten, geen mensen die zenuwachtig naar het weerbericht kijken, en geen praatprogramma’s die het ineens weer over “de Tocht der Tochten” moeten hebben. IJskoorts, noemen ze dat. Een aandoening die vooral in Nederland opduikt zodra het drie nachten achter elkaar vriest.

Ik moest er deze week aan denken, tijdens het afdrogen in de badkamer, toen dat zeurderige puntje in mijn pols weer opspeelde. Het steekt een beetje uit, alsof er iets niet helemaal op zijn plek zit. Er zit daar een botje niet lekker — al jaren. De oorzaak is eenvoudig te herleiden: ergens in 1981, op de bevroren vijver in De Schooten, in Den Helder.

Ik stond op schaatsen — of beter gezegd: ik probeerde op schaatsen te staan. Het was koud, mijn tenen gevoelloos, mijn sjaal stijf van de rijp. En toen gebeurde het. Plotseling schoten mijn voeten onder me vandaan en ik lag, met een smak, op het ijs. Mijn handen braken de val, maar niet helemaal. Knak! zei iets in mijn rechterpols. Sindsdien heb ik er een klein souvenir aan overgehouden, een herinnering aan de winter van toen.

Misschien is dat ook de reden dat ik sindsdien liever niet meer op schaatsen sta. Niet dat die val de schuld heeft — schaatsen is gewoon niet leuk. Het is glad, het is koud, en er komt altijd een moment dat iemand voor je neus onderuit gaat en jij probeert te doen alsof dat grappig is, terwijl je stiekem denkt: shit, ik ben de volgende.

En dan dat eeuwige gedoe met de schaatsen zelf: te strak, te los, blaren en verzwikte enkels. Nee, laat dat ijs maar wachten. Geef mij een stevige wandeling, warme sokken en een kop koffie. De kou mag van mij blijven waar ze hoort: buiten.