Motivatie

Maandag heeft een imagoprobleem. Het is de dag die zich moet verantwoorden, nog vóór hij goed en wel begonnen is. De dag waar mopjes over worden gemaakt, memes over circuleren en mokken met cynische teksten voor worden verkocht. Alsof maandag persoonlijk verantwoordelijk is voor het feit dat we weer moeten opstaan. Alsof hij ’s nachts naast het bed staat en fluistert: “Zo, vriend, daar gaan we weer.”

Ik heb geen hekel aan maandag. Dat is altijd een beetje verdacht om te zeggen, alsof je meteen ook verklaart dat je van lauwe koffie houdt en vrijwillig in een wachtruimte van de Belastingdienst gaat zitten. Maar het is zo. Ik ben geen Garfield die zich met theatrale weerzin onder een dekentje oprolt en de wereld vervloekt. En ik ben zeker geen Brenda Ann Spencer, die vanuit een verknipte logica besloot dat maandag een goede dag was om om zich heen te schieten. Dat is een vergelijking die je liever niet maakt, maar hij dringt zich nu eenmaal op wanneer mensen hun afkeer van maandag met overdreven pathos beschrijven.

Mijn verhouding tot maandag is eenvoudiger. Ik ben tevreden. Niet uitbundig, niet euforisch. Gewoon tevreden. Maandag is voor mij nog net geen confettikanon, maar zeker ook geen rouwkaart. Het is een schone lei, nog zonder krabbels en aantekeningen. Een week die nog niet weet wat hij gaat worden, en dat vind ik prettig.

Op maandag mag alles weer. Niet in de zin van grootse beloftes en mislukte voornemens, maar in kleine dingen. De agenda is nog overzichtelijk, het hoofd nog niet vol. Dinsdag heeft al haast, woensdag begint te tellen, donderdag kijkt vooruit naar het weekend en vrijdag doet alsof hij al klaar is. Maandag daarentegen staat er gewoon. Hij zegt niets, hij vraagt niets. Hij wacht.

Motivatie op maandag zit voor mij niet in slogans of podcasts die beloven dat je leven vóór tien uur ’s ochtends al een succes is. Motivatie zit in het idee dat je opnieuw mag beginnen zonder dat iemand daar heel moeilijk over doet. Niemand verwacht dat je alles vandaag al af hebt. Niemand kijkt raar op als je nog even zoekt naar het ritme.

Maandag is geen vriend die je omhelst, maar ook geen vijand die je moet bevechten. Het is een rustige kennis die zegt: we hebben tijd. Een nieuwe week. Een nieuw begin. En dat vind ik voldoende.

Pols

Ik dacht altijd dat ik mezelf het beste kende. Ik weet wanneer ik moe ben, wanneer ik honger heb en wanneer ik beter op de bank kan blijven liggen. Dat dacht ik tenminste. Maar mijn Apple Watch weet het beter. Dat horloge kent me inmiddels intiemer dan ik mezelf ooit heb gekend.

Ze weet wanneer ik te lang zit, wanneer mijn hartslag stijgt, wanneer ik onrustig slaap. Ze weet zelfs wat ik ontken: dat ik te weinig beweeg. En ze zegt het zonder omhaal. Deze maand, meldt ze, moet ik minimaal veertien dagen meer dan vijfennegentig minuten bewegen. Niet wandelen, niet lummelen. Bewegen.
En ik gehoorzaam.
Bijna slaafs.

In de vroege ochtends, nog voor de koffie, kijk ik naar mijn pols. Drie ringen, drie opdrachten. De rode voor calorieën, de groene voor het aantal minuten activiteit, de blauwe voor staan. Samen vormen ze een vriendelijk soort dwangbuis. Als de groene ring nog open is, voel ik me schuldig, alsof ik iemand teleurstel. Niet mezelf, maar háár.

Soms loop ik laat op de avond nog een rondje door de straat. De buren denken vast dat ik slapeloos ben, maar nee: mijn horloge heeft me op pad gestuurd. “Nog twaalf minuten,” zegt ze, met dat onverbiddelijke geduld van technologie. En daar ga ik dan, ploeterend door de regen, in de hoop dat de ring eindelijk sluit.

Het is wonderlijk hoe iets van aluminium en glas je zo kan sturen. Ze prijst, ze tikt, ze trilt — een klein, digitaal geweten om mijn pols. En eerlijk gezegd: ik luister liever naar haar dan naar mezelf.
Want ik dacht dat ik mezelf kende.
Maar zij kent me beter.