Ik heb de afwijking dat wanneer ik ergens enthousiast over raak, ik er meteen alles over wil weten. Dat had ik al eens met whisky, en later ook met James Bond. Geef me een onderwerp dat mijn aandacht trekt en voor ik het weet zit ik op een dinsdagavond artikelen te lezen waarvan ik een week eerder het bestaan niet eens vermoedde.
Sinds vorige week geldt dat ook voor bloeddonatie.
Na mijn eerste donatie liep ik eigenlijk heel tevreden naar buiten. Een verbandje om mijn arm, een roze koek achter de kiezen en verder het gevoel dat er weinig bijzonders was gebeurd. Ik voelde me niet duizelig, niet slap en ook niet alsof er zojuist een halve liter van mijn levensenergie was afgetapt. Het voelde verrassend normaal.
Toch bleef er een vraag door mijn hoofd spoken: hoe is dit eigenlijk ooit begonnen?
Want tegenwoordig lijkt alles vanzelfsprekend. Je meldt je aan, vult een vragenlijst in, neemt plaats in een comfortabele stoel en een tijdje later staat er een zak bloed klaar die ooit bij een patiënt terechtkomt. Maar ooit moet iemand bedacht hebben dat bloed geven aan een ander mens misschien een goed idee was. En minstens zo belangrijk: ooit moest iemand ontdekken waarom dat soms werkte en soms niet.
Die zoektocht bracht me op een dinsdagavond naar Wenen, rond het jaar 1900.
Daar werkte een arts genaamd Karl Landsteiner. Geen wereldberoemde naam zoals Einstein of Edison, maar zonder hem had de moderne geneeskunde er waarschijnlijk heel anders uitgezien.
Artsen zaten destijds namelijk met een groot probleem. Wanneer een patiënt veel bloed verloor, probeerden ze soms bloed van een ander mens toe te dienen. De ene keer leek dat een wondermiddel, de andere keer overleed de patiënt meteen. Niemand kon begrijpen waarom. Het leek een loterij waarvan niemand de spelregels kende.
Landsteiner geloofde niet dat het toeval was. Hij begon bloedmonsters van verschillende mensen met elkaar te mengen en keek wat er gebeurde. Geen spectaculair onderzoek. Geen ontploffingen, geen ingewikkelde machines, geen dramatische muziek op de achtergrond. Gewoon een nieuwsgierige arts die bleef kijken.
En toen zag hij iets wat anderen over het hoofd hadden gezien.
Sommige bloedmonsters bleven rustig, andere begonnen samen te klonteren. Veel mensen zouden dat als een vreemde, mislukte uitkomst hebben gezien om vervolgens snel over te gaan tot de volgende proef. Maar Karl bleef kijken. Hij bleef vragen stellen.
Langzaam werd duidelijk wat hij had ontdekt: niet al het bloed is hetzelfde.
Dat klinkt tegenwoordig ongeveer even verrassend als de mededeling dat water nat is. We leren op school over bloedgroepen A, B, AB en O. Maar rond 1900 wist niemand dat. Niemand.
Ineens werd duidelijk waarom sommige bloedtransfusies succesvol waren en andere fataal afliepen. Voor het eerst begrepen artsen dat bloedgroepen een rol speelden. Later hielp Landsteiner ook mee aan de ontdekking van de rhesusfactor, de bekende plus of min achter een bloedgroep – in mijn geval dus O+.
Wat me tijdens het lezen vooral fascineerde, was dat Karl onmogelijk kon weten wat zijn ontdekking uiteindelijk zou betekenen. Hij kon niet weten dat er bloedbanken zouden ontstaan en dat miljoenen patiënten dankzij zijn werk zouden overleven. Hij kon niet weten dat er operaties mogelijk zouden worden die destijds ondenkbaar waren.
En hij kon al helemaal niet weten dat een man uit Almere, ruim een eeuw later, na zijn eerste bloeddonatie op de bank zou zitten en zich zou afvragen hoe dit allemaal ooit begonnen was.
Toch bestaat er een directe lijn tussen zijn laboratorium in Wenen en de donorstoel waarin ik vorige week zat. Tussen zijn reageerbuisjes en de bloedzak die naast mij hing. Tussen zijn nieuwsgierigheid en mijn mogelijkheid om bloed te geven aan iemand die ik nooit zal ontmoeten.
Dat vind ik misschien nog wel het mooiste aan het hele verhaal. Soms veranderen mensen de wereld niet met grote speeches of spectaculaire uitvindingen. Soms doen ze dat door simpelweg goed te kijken naar iets wat iedereen over het hoofd ziet.
Karl Landsteiner deed precies dat.
Meer dan honderd jaar later profiteren we daar nog steeds van. Ik zelfs met terugwerkende kracht, want zonder Karl had ik vorige week waarschijnlijk geen roze koek gekregen.
En ergens vind ik het een geruststellende gedachte dat dit verhaal nog steeds doorgaat. Iedere dag weer steken ergens in Nederland mensen vrijwillig een arm uit voor iemand die ze nooit zullen ontmoeten. Dankzij Karl weten we hoe dat veilig kan. Dankzij donoren blijft het mogelijk.
Mocht je ooit twijfelen of bloeddonatie iets voor jou is: ik kan in ieder geval melden dat ik het heb overleefd. Die roze koek vanzelfsprekend niet.

