Pluribus

Ik raak niet vaak in een jubelstemming bij een televisieserie. Ik kijk genoeg, maar meestal kabbelt het allemaal langs me heen zoals een boomblaadje voorbijdrijft op het oppervlak van een slootje, waarbij je met één oogopslag de bodem ziet. Prettig, vertrouwd, maar zelden iets dat me overeind doet komen. Toch was er bij Pluribus iets anders aan de hand. Geen toevalstreffer, dat moet ik erbij zeggen. Ik wist wie de maker was, Vince Gilligan, de man achter Breaking Bad, en dat is al jaren mijn onaantastbare nummer één.

Al vanaf de eerste minuut merkte ik dat ik rechter ging zitten dan goed is voor mijn rug. Het begon als een rustige kijkavond, maar eindigde met een licht ongemak in mijn borst. De soort spanning die je krijgt als je voelt dat een serie meer wil dan alleen vermaken. In mijn hoofd maakte ik automatisch de vergelijking met The Invasion of the Body Snatchers, een klassieke favoriet. Diezelfde sluimerende paranoia, alsof de werkelijkheid langzaam kantelt. Maar al aan het einde van de eerste aflevering wist ik dat Pluribus die vergelijking in volle vaart voorbijliep. Die film houdt afstand. Deze serie kruipt naast je op de bank en tikt je stiekempjes en heel zachtjes aan.

Rhea Seehorn is daar de grootste schuldige aan. Ik kende haar al uit Better Call Saul, ook van Vince Gilligan, waar ze glorieus in acteerde zonder ooit te overdrijven. Maar in Pluribus doet ze iets wat moeilijk te beschrijven is. Ze speelt niet een rol, ze leeft op het scherm. Met de natuurlijke twijfel in haar ogen, haar verbazing over de nieuwe wereld waarin ze leeft, een soort onbehapbare menselijkheid die me raakte. Je hoeft niet eens op het plot te letten om te weten dat er iets groots staat te gebeuren.

En dan is er dat wringende gevoel. Die vraag die ik na elke aflevering met me meedraag: hoe zou ik zelf staan in zo’n wereld? Een wereld waar iedereen één kant op kijkt, zonder twijfel, zonder hapering, bijna opgelucht dat niemand vragen stelt. Kies ik voor de waarheid, als die überhaupt nog te herkennen is? Of ga ik zoals zovelen mee met de meute, gewoon omdat meedeinen nu eenmaal minder energie kost dan blijven staan?

Ik betrapte mezelf erop dat ik het antwoord niet zo graag wil toegeven. Teveel nuance, te weinig heldhaftigheid. Misschien zou ik eerst rondkijken, aftasten, schipperen. Maar ergens diep vanbinnen zit toch dat koppige dat weigert uit de weg te gaan. Dat fluistert dat je soms moet blijven zoeken naar wat klopt, zelfs als iedereen beweert dat het al bepaald is.

Pluribus doet precies dat. Het houdt je bij de les, niet met bombarie, maar met de rustige zekerheid van een serie die weet wat ze doet. Ik ben heel nieuwsgierig naar de komende afleveringen en seizoenen. Wellicht eindigt deze serie als favoriet op een bijzondere, eenzame hoogte. Ik hoop het!

Binnenstebuiten

Soms, als ik te moe ben om nog te denken. Of als het journaal me weer te veel van de wereld heeft laten zien, zap ik wat gedachteloos door de kanalen. En dan beland ik af en toe bij Binnenstebuiten: een programma dat deels lijkt te bestaan uit mensen die hun leegte proberen te vullen met verhalen over een servies dat ze in een kringloopwinkel vonden, of over een moestuin “die helemaal past bij hun levensfilosofie”.

Ze vertellen dat dan met die ernst die alleen mensen kunnen hebben die eigenlijk niets te zeggen hebben, maar dat toch graag willen laten horen. Mensen die een oude kast met krijtverf hebben besmeurd en vervolgens beweren dat het “hun identiteit weerspiegelt”. Of een man met een baard, die trots vertelt over de aanschaf van een kroonluchter uit de Serengeti in Tanzania; die hier, bij hen, trots in het trappengat hangt. Alsof de Tanzanianen in hun lemen hutten van koeienmest en gras ruimte zouden hebben voor een kroonluchter.

Het gaat nooit over iets écht. Altijd over iets dat zogenaamd iets zegt over wie ze zijn. Maar dat juist laat zien dat ze niets meer zijn dan iedereen. Ze doen alsof ze pioniers zijn, maar in werkelijkheid wonen ze allemaal in dezelfde opengewerkte stolpboerderij, met dezelfde gietvloer, dezelfde linnen gordijnen en dezelfde vaas met uitgebloeide bloemen op een verweerde tafel.

Wat ze uniek maakt, zeggen ze zelf, is hun verhaal. Hun ‘reis’. Hun ‘ontdekkingstocht naar duurzaamheid’. En ik geloof dat ze dat echt menen. Maar ondertussen hebben ze wel een espressomachine van 1.800 euro; daarnaast staan er minimaal twee auto’s op de oprit.

Toch blijf ik soms even hangen. Want eerlijk is eerlijk; de cameravoering is prachtig, en af en toe schijnt het licht precies goed op een oude muur of een slapende kat in een vensterbank. Dan denk ik: dáár zou ik ook wel willen zitten, met een glas wijn. Zwijgend. Zonder verhaal.

Maar dan begint iemand te praten. Over een stoel. Of over de ziel van een vergeten dorp. En dan weet ik weer waarom ik verder zap. Niet omdat het niet mooi is, maar omdat het vol is van mensen die denken dat ze bijzonder zijn, terwijl ze juist zo vreselijk gewoon zijn.
Na vijf minuten is het genoeg. Klik. Volgende zender. De leegte weer even gevuld.