Er is een bepaald soort weemoed dat zich niet aankondigt met trompetgeschal. Het komt niet binnen als een drama. Het schuifelt naar binnen, gaat ergens zitten en zegt niets. Je merkt het pas als je ’s ochtends wakker wordt, in Nederland, terwijl de regen horizontaal lijkt te vallen. Het begint meestal een dag na thuiskomst.
In Toscane was alles eenvoudig. Dat is misschien wel het verraderlijke eraan. Je stond op, deed niets bijzonders, en toch voelde de dag als een cadeautje. De zon was er gewoon. Alsof iemand hem speciaal voor jou had aangezet en daarna vergeten was hem weer uit te doen. Je liep naar een pleintje dat er al honderden jaren lag en bestelde een caffè pistachio. Alleen al de naam maakte dat je bleef zitten.
Lunch was geen onderbreking van de dag, maar de dag zelf. Een tafeltje, een karaf bronwater, koel en helder, met van die kleine druppels aan de buitenkant van het glas. En die koffie dus, zachtgroen bijna, lichtzoet, iets romigs, iets dat nergens om vroeg en toch alles gaf. Je keek naar mensen die ook zaten te kijken. Er gebeurde niets en dat was precies de bedoeling.
En dan nu. Een woensdagmorgen die al moe begint. De lucht heeft de kleur van een oude krant. De wind trekt aan je jas alsof hij iets van plan is. Op kantoor ruikt het naar natte jassen en koffie die al te lang op de plaat staat. Je opent je mailbox en daar is hij weer: de wereld zoals hij blijkbaar hoort te zijn. Afspraken, herinneringen, kleine verzoeken die nooit klein blijven.
Het is niet dat het hier slecht is. Dat is het verwarrende. Nederland doet gewoon zijn ding. Collega’s zijn vriendelijk. De koffie is prima, maar hij is geen caffè pistachio. Dat is het probleem misschien. Hij doet wat hij moet doen, maar hij blijft koffie.
Je denkt aan dat terras. Niet eens aan iets spectaculairs. Geen groot uitzicht, geen dramatische zonsondergang. Gewoon dat tafeltje, een beetje scheef misschien, met een glas dat een kringetje achterlaat. Het bronwater dat je niet dronk omdat je dorst had, maar omdat het er was. Omdat het hoorde bij zitten. Bij blijven.
Hier kijkt de klok je aan. Niet vijandig, maar wel nadrukkelijk. Alsof hij wil zeggen: we gaan door, of je het nu leuk vindt of niet. ‘s Middags, als de regen nog steeds niet heeft opgegeven, vraag je je af hoe dat kan. Dat je daar zo moeiteloos in een ritme gleed dat eigenlijk nergens over ging, en dat je hier zo hard moet werken om iets eenvoudigs vast te houden. Een gevoel, een rust, al is het maar voor even.
Misschien zit het hem in dat water. In de vanzelfsprekendheid ervan. In het feit dat je daar niets hoefde toe te voegen om het goed te laten zijn. Geen haast, geen plan. Alleen een glas dat af en toe werd bijgevuld.
Aan het eind van de dag reis je weer naar huis. De regen is iets minder geworden, maar hij is er nog. Je stapt de voordeur door, hangt je jas op, en ergens, heel even, denk je: morgen ga ik het anders doen. Rustiger. Minder haast. Maar je weet ook dat morgen gewoon donderdag is. En toch, heel even, bij het inschenken van een glas water, zie je dat Toscaanse tafeltje weer voor je. Met die caffè pistachio en dat koele bronwater. Het staat er nog. Het wacht nergens op. Misschien is dat het. Dat het daar gewoon doorgaat, zonder jou.