Oktober is voor mij een maand die nergens echt thuishoort. De zomer heeft afscheid genomen, maar haar warmte hangt nog in de herinnering — als een parfum dat in de kamer blijft zweven nadat iemand is vertrokken. De dagen worden korter, de zon hangt lager, en de avonden brengen een eerste belofte van kou.
Zaterdagochtend, bij de koffie, twijfel je. Korte broek of running tights? Het ene moment lijkt het nog nazomer, het volgende herfst. Een jasje voelt overdreven als je vertrekt, maar noodzakelijk zodra je omkeert. De straatstenen glanzen vochtig, de lucht is koel en ruikt naar aarde en blad. Terwijl je loopt, hoor je het zachte kraken van je eigen pas — het enige geluid in een wereld die langzaam wakker wordt.
De ochtenden zijn donker nu. Waar in augustus de zon je nog tegemoet sprong, lijkt ze nu te aarzelen. En jij aarzelt mee. Je denkt aan het strand, aan de lange dagen die zomaar voorbij zijn gegaan. Aan avonden op een terras waar de tijd vloeibaar leek.
Toch is er iets rustgevends aan dit tussenland. Oktober vraagt niets. Ze nodigt uit tot stilstaan, tot ademhalen. En ergens, aan de horizon van de kalender, lonkt november — de maand die de opstap vormt naar lichtjes, geuren van kaneel en het geritsel van cadeaupapier. De eerste kerstetalages zullen spoedig verschijnen — nog wat onwennig, alsof ook zij moeten wennen aan het idee dat de feestmaand eraan komt.
Oktober is de schakel tussen herinnering en verwachting. Ze is geen seizoen, maar een zucht: een zachte overgang tussen het warme verleden en het glinsterende vooruitzicht. En terwijl je na het lopen je dampende adem ziet vervagen, weet je: november klopt al aan — met koude handen, maar een warm hart vol belofte.
