Zout

Het begon me te dagen toen ik van de week zoute pinda’s zat te knabbelen die meer ambitie hadden dan nodig was. Ze waren niet gewoon zout. Ze waren overtuigd. Elke pinda leek persoonlijk verantwoordelijk voor de winterveiligheid van een middelgrote provinciestad. Alsof ze niet uit een zak kwamen, maar waren opgeraapt van een gepekeld fietspad, ergens in januari, wanneer de sneeuw al weg is maar het zout is gebleven.

Een pinda hoort je niet aan te vallen. Hij mag knapperen, geruststellen, iets doen met je handen terwijl het gesprek voortgaat. Deze pinda’s deden iets anders. Ze eisten aandacht. Ze lieten je lippen samentrekken en je tong twijfelen aan zichzelf. Na drie handjes had ik dorst. Na vijf begon ik na te denken over mijn levenskeuzes.

En toch at ik nog even door. Dat hoort bij te zout. Je klaagt, je zucht, en je eet door. Zoals bij veel dingen die eigenlijk net iets te ver gaan, maar waar je pas achteraf bezwaar tegen maakt.

Zout is zo’n woord dat je achteloos gebruikt. Het staat al op tafel voordat je gaat zitten. In een shaker, in een molentje, soms in een zakje dat open scheurt met een geluid dat belooft dat het goed komt. Zout is er altijd al geweest. Dat is meteen het probleem. We vertrouwen erop zonder erbij stil te staan.

Ik las ooit dat Romeinse soldaten een toelage kregen die met zout te maken had. Salarium. Daar komt salaris vandaan. Het idee dat geld ooit wit, korrelig en onmisbaar was, stelt me gerust. Zout was macht. Wie zout had, kon eten bewaren, reizen maken, de winter doorkomen. Zonder zout geen haring, geen kaas, geen beschaving, of in ieder geval een te magere versie daarvan.

Toch zegt de dokter iets anders. Te veel zout is slecht voor je. Bloeddruk, hart, nieren. Het lichaam houdt van evenwicht en raakt van slag zodra je het te royaal strooit. Dat is vreemd, want zonder zout functioneert datzelfde lichaam ook niet. Spieren weigeren, zenuwen raken in de war. Zout is tegelijk noodzakelijk en verdacht. Zoals alles wat te belangrijk wordt.

Een beetje zout maakt eten beter. Een tomaat zonder zout is gewoon water met ambitie. Met een snufje zout wordt het ineens zomer. Zout haalt smaken naar voren die er al waren, maar zich nog niet durfden te melden. Te veel zout doet het tegenovergestelde. Het neemt de ruimte in. Dan verdwijnt de pinda, de aardappel, de tomaat. Er blijft alleen zout over.

Er is zout buiten de aarde. Op Mars zijn zouten gevonden, resten van water dat ooit vloeide. Op manen van Jupiter en Saturnus liggen zoute oceanen verborgen onder ijs. Het idee dat daar zout water klotst zonder tafels, zonder handen, zonder iemand die zegt dat het net iets te veel is, stemt me weemoedig. Alsof zout daar zijn bestemming is kwijtgeraakt. Zonder betekenis.

Een wereld zonder zout op aarde zou flauw zijn. Geen zeeën zoals we die kennen. Geen zweet na een lange dag. Geen tranen met melancholische smaak. Geen broodkorst die kraakt. Misschien gezonder. Zeker stiller. Maar ook armer.

Ik strooi nog steeds zout. Voorzichtig. Omdat zonder ook niets is. En te veel, dat weet ik sinds die paar handjes pinda’s, is minstens zo problematisch.

U mag reageren.