Ik ben niet vaak ziek. Regelmatig ontspring ik de dans bij griepepidemieën, maar dat lukt niet altijd. Soms heb je iets onder de leden en wanneer dat moment zich voordoet wil ik alleen maar slapen. Ik ben van mening dat slapen het beste medicijn is. Tenminste voor griepachtige kwalen. Bij een schaafwond kan je een gat in de dag slapen, maar dat helpt niets aan een snel herstel van de wond. Ik kan het weten, ik heb het geprobeerd. Maar slapen bij een griepje werkt voor mij hartstikke goed. Vergeet de paracetamol. Slaap is alles wat ik nodig heb.

Of ik het leuk vind? Ziek zijn vind ik nooit leuk. Wanneer ik met een zwak gestel in bed lig, weet ik dat ik een demonenstrijd aan moet gaan. Waandromen of waanideeën houden me bezig. Gargouille-achtige wezens houden me uit mijn slaap. Honend proberen ze me wakker te houden en wanneer ik ze wil ontwijken door me op een andere zijde om te draaien, meldt zich een anders duivels beest. Op hoge poten en met een onooglijk gezicht lacht deze me waanzinnig uit. Ook proberen ze me aan het schrikken te maken door ineens vlak voor mijn gezicht op te duiken. In your face, zeg maar.

Ook wanneer ik ziek in bed lig, ben ik bewust van de onechtheid van deze storende demonen. Ik ben duidelijk niet goedgelovig. Zelfs niet wanneer ik helemaal helder kan denken. Ik probeer altijd een verklaring voor de dingen te vinden. Ook wanneer een nieuwe kwelgeest zich meldt. Voor mij staan deze waandromen gelijk aan het lichamelijk bestrijden van de ziektekiemen. Er bevindt zich een gevecht in mijn lichaam tussen de bacillen en het afweersysteem en dat uit zich door deze krankzinnige beelden in mijn hoofd te creëren.

Nadat ik een dagdeel heb liggen slapen, waarin de meest absurde dromen zijn voorbijgegaan, voel ik me altijd wel iets beter. Vast ritueel is inmiddels dat ik uit mijn bed ga om iets lichts te eten. Mijn lichaam heeft dat beetje energie nodig en wanneer ik dan weer terug in bed lig en mijn ogen sluit, melden de idiote dromen zich. Dan word ik geacht de meest onmogelijke handelingen uit te voeren, altijd steevast gehinderd door diverse demonen die mij nog niet los kunnen laten. Wanneer ik na enkele uren weer wakker wordt, voel ik me weer goed.

Vandaag ben ik alweer een flink aantal dagen hersteld. Ik voel me energiek en de kwelgeesten zijn inmiddels een vage herinnering geworden.

Op de vooravond van zijn vertrek, terug naar Spanje, heeft Sinterklaas even tijd voor een kort gesprek met mij. We ontmoeten elkaar op Schiphol. De terugreis naar het zuiden van Europa, waar hij de overige maanden van het jaar woont, zal niet per stoomboot gaan. Sinterklaas ziet er moe uit. De afgelopen weken waren vermoeiend voor de bisschop, maar wel succesvol. De winkels haalden de afgelopen weken een ruime omzet van 340 miljoen euro. Dat is niet verkeerd voor een man die bijna 1.740 jaar oud is.

Lieve Sinterklaas, uw bezoek aan Nederland dit jaar was zeer succesvol. De winkels  draaiden een recordomzet van miljoenen euro’s en zelfs op pakjesavond scoort u hoog. Op televisie, qua kijkcijfers. U bent ongekend populair.
‘Ja, ik sta er ook van te kijken. De afgelopen jaren zijn mijn bezoekjes steeds zwaarder. Ik word er tenslotte niet jonger op, en die onuitputtelijke discussie over het uiterlijk van mijn personeelsleden doen mij af en toe twijfelen of ik nog wel aan die rompslomp van het reizen naar Nederland moet beginnen.’

Maar u kom volgend jaar november toch wel weer naar Nederland?
‘Jazeker. Zolang mijn gezondheid mij niet in de weg zit ben ik van de partij. Daarbij sta ik er al honderden jaren om bekend dat ik vergevingsgezind ben. Dat sla je er niet zo maar uit met een aanhoudende discussie. Daarbij vraag ik u, heeft u de kindergezichtjes gezien, wanneer zij mij weer in Nederland zien? Heerlijk! Daar doe je het toch voor?’

Inderdaad. Kunt u uw eerste jaar als goedheiligman herinneren?
‘Ik kan het me natuurlijk niet meer precies herinneren. Ik leef nu langer in de jaren van mijn dood, dan dat ik ooit op deze wereld heb geleefd. Maar honderden jaren geleden wanneer vrouwen niet in staat waren om te trouwen, waren ze gedoemd om als slaaf voort te leven. Op een gegeven moment ben ik begonnen met het uitdelen van bruidsschatten. Ik gooide zakjes geld door de ramen van woningen. Men heeft een specifiek voorval onthouden. Het moment dat het geld bij een gezin in de schoenen, die hij de haard stonden, terechtkwamen. Zo is het idee ontstaan dat schoenen bij de haard gezet moeten worden, om zo mijn geschenken te kunnen ontvangen.’

Er is de jaren enorm veel veranderd. Wat valt u het meeste op wanneer u weer in Nederland bent?
‘De mensen zijn de laatste jaren enorm snel op de tenen getrapt. Als we het ergens niet mee eens zijn, zijn we ook meteen beledigd. Of het nu over het uiterlijk van Piet gaat, die overigens ook niet altijd zwart is geweest, of over het percentage vrouwen in de Top 2000 van dit jaar. Mensen hebben te veel vrije tijd. En dan heb je nog de mensen die alles aanpakken om hun agressie te uiten. Relschoppers die tegenwoordig iedere demonstratie gebruiken om vooral onrust te stoken. Wie gaat er demonstreren met wapens op zak? Wat dat betreft, lijken we weer op de mensen van zo’n 1.000 jaar geleden. Ongeletterde bollebozen, zijn het.’

Nogal een gewaagde uitspraak van Sinterklaas. Wat als straks iedereen, ook de ongeletterde bollebozen, niet meer in u geloven?
‘Ach, weet u wat het is? Wanneer je zo oud bent als ik, maak je je niet meer zo om wat er allemaal gaande is. Het klinkt misschien arrogant, maar ik weet dat ik een geliefd persoon blijf.’

Kunt u dat uitleggen?
‘Ik ben namelijk een fantastisch excuus. Voor de mensen in Nederland. Dankzij mij kunnen zij zichzelf schaamteloos verwennen. Dit jaar hebben de winkels een ruime omzet van 340 miljoen euro gehaald. Zo veel geld wordt er nooit opgehaald voor welk goed doel dan ook. De kans is enorm groot dat ik volgend jaar november gewoon weer van de partij ben.’

Onderstaande tekst (Kronkel) is van de hand van Simon Carmiggelt. Het is gepubliceerd op 18 november 1963. Het had ook vandaag in de krant kunnen staan.

“Uit een ingezonden stuk in de Volkskrant verneem ik dat Godfried Bomans, in een artikeltje over de heer Ras die, geloof ik, voortaan een witte Piet wil, te ver gegaan.
Dat is niet zo mooi.
Hij was onlangs, op het Grand Gala in het Kurhaus, óók al te ver gegaan. En nu wéér. Een bedenkelijk snelle recidive. Als er geen verbetering intreedt, gaat het slecht aflopen met deze arbeidzame jongen. En niet alleen met hem. Want wat deed Mies Bouwman? Zie de bladen: zij is te ver gegaan. En dat, terwijl Wim Sonneveld nog maar kort te voren ook te ver was gegaan. U ziet hoe het om zich heen grijpt. Ze doen maar. Ze gaan maar te ver. ’t kan me niets meer verdommen,geloof ik. Alleen Wim Kan is nog niet te ver gegaan. Maar dat komt, omdat hij nooit voor de televisie optreedt, doch in zalen. Daar gaat hij al jaren elke avond te ver, maar het publiek dat betaald heeft om hem te horen, vindt dat juist zo leuk. Ze gaan vrolijk mee. Toe maar, ’t kan niet ver genoeg wezen.
Maar bij de televisie kan dat niet.
O neen.
Iemand die voor de televisie puntig of satirisch waagt te zijn, verkeert ongeveer in de positie van een dromer, die in het uitverkochte stadion voor de microfoon treedt en een vers van Baudelaire voordraagt, terwijl hij gevoegelijk kan aannemen dat honderd van de zestigduizend aanwezigen Frans verstaan en vijftien van de honderd het vers begrijpen.
Wat gebeurt er met zo’n man?
Hij krijgt negenenvijftigduizend negenhonderdvijfentachtig kussentjes naar zijn hoofd.
Allicht.
Hij is te ver gegaan.
Hoewel je bij televisie gemakkelijk te ver gaat, gebeurt het toch niet iedere avond, Nee hoor. Ik draai herhaaldelijk om elf uur, na het laatste nieuws de knop om met gedachte: Zo, er is vanavond niemand te ver gegaan.
Ze zijn allemaal lekker dicht bij huis gebleven. Vlak bij de clivia. Vlak bij het kopje thee met het boterbiesje, Vlak bij pa, die alles ‘waardeloos’ vindt,als ’t geen kopbal is, die zit. Vlak bij ma, die pas opbloeit bij ‘Adieu mein kleiner Gardeoffizier’. Vlak bij Fred en Mientje die, met hun rug naar Bussum,hun huiswerk maken. Vlak bij het gemiddelde Hollandse binnenhuisje, waar men tevreden is op een wat ontevreden manier.
In een krant kun je ook wel te ver gaan.
Ik heb het herhaaldelijk gedaan.
Het is heel makkelijk.
Als ik een stukje schrijf over een kind, dat een schilderij van het laatste avondmaal ziet en zegt: ‘Die met het kadetje in zijn hand is Onze Lieve Heer,’dan weet ik met volstrekte zekerheid, dat de post mij des ander daags enige brieven van lezeressen brengen zal, die verklaren in hun diepste geloofsovertuiging te zijn geschokt en concluderen dat ‘Kronkel te ver is gegaan’. er zijn in elke lezerskring van elk dagblad nog een aantal eksterogen,waarnaar je slechts hoeft te wijzen, om het gekerm te doen opstijgen.
Wat moet je doen?
Al die eksterogen vermijden?
Dat wordt een zeer benauwde eierdans, die er alleen toe leidt, dat de lezerselke avond geeuwend zeggen: ‘Nou, hij is in ieder geval niet te ver gegaan.’Niet tot aan mijn tenen. En zelfs niet tot aan de tenen van tante Coba uitBreda, die zo lang zijn dat ze reiken tot boven Moerdijk.
Nu zegt u misschien: ‘Gaat jou dan nooit iets te ver? Natuurlijk. Sommige dagsluiters gaan me te ver als ze menen ernstige menselijke problemen te kunnen afhandelen met een flets, populair uit een opmerkelijke ongeïnspireerdheid opgeboerd causerietje. De sierhuppeltjes waarmee Vlaamse presentatrices schijnen te moeten zijn toegerust gaan me te ver. En de kir-interviewtjes met lachjes van opgespoten suiker gaan me te ver. Maar het mag allemaal van me, hoor. Als er maar tegenover staat dat er, de andere kant op, ook eens te ver mag worden gedaan.
‘Maar meneer. In uw blad van gisteren ging Kronkel te ver.’
Nou ja, ’t is pas de eerste keer deze maand. Maar Bomans moet uitkijken.
Kronkel [18 november 1963]

Mocht het zo zijn dat ik met het kopiëren van bovenstaande Kronkel te ver ben gegaan, in verband met copyrights en auteursrechten, laat het weten. Dan zal ik de tekst verwijderen. Maar om zo’n nostalgisch, evenwel actueel en grappige tekst alleen in boekvorm te willen delen, vind ik iets te ver gaan. Het is tenslotte al vijfenvijftig jaar geen 1963 meer.

In de meest donkere periode van de aidsepidemie in de jaren tachtig van de vorige eeuw, zorgde een vrouw voor honderden mensen wiens familie hen in de steek had gelaten. De persoon die het als een roeping zag om deze mensen te helpen is Ruth Coker Burks. Vandaag een grootmoeder die een rustig leven leidt in de stad Rogers, Arkansas.

Voor Burks was het een missie om in de jaren tachtig voor Aidspatiënten te zorgen. Ongeveer een decennium lang, tussen 1984 en het midden van de jaren negentig en voordat betere hiv-medicijnen en verlichte medische zorg voor Aidspatiënten, zorgde Burks voor honderden stervende mensen,veelal homoseksuelen die door familie in de steek waren gelaten. Ze had geen medische opleiding, maar ze nam ze mee naar hun afspraken, haalde medicijnen open hielp hen om de diverse  formulieren in te vullen. Ze was er voor hen. Burks heeft in deze periode tientallen moeten begraven, nadat nabestaanden hun lichamen weigerden op te eisen. Voor veel van die mensen is zij de enige die de locatie van de graven kent.

Het begon in 1984, in een ziekenhuisgang. Burks, nu 55, was 25 jaar en een jonge moeder toen ze naar het Universitair Ziekenhuis in Little Rock ging om te zorgen voor een vriend die kanker had. In die tijd bracht ze veel tijd door in het ziekenhuis. Zo zag ze opeen dag de deur met een grote, rode zak eroverheen. Het was de kamer van een patiënt. ‘Ik zag de verpleegsters strootjes trekken om te zien wie er naar binnen zou gaan. Vaak werd er smekend gevraagd: ‘Kunnen we niet opnieuw trekken?’’

Burks wist wat het waarschijnlijk was, het was de nieuwe ziekte met de naam GRID (gay related immune disease). Later bekend als AIDS (acquired immune deficiency syndrome). Ze had een homoseksuele neef op Hawaï en ze had hem eens eerder gevraagd naar de verhalen over de homoseksuele plaag. Hij had toen tegen haar gezegd: ‘Dat zijnde leernichten in San Francisco. Dit raakt ons niet, maak je geen zorgen.’ Toch had ze, in haar bezorgdheid over hem, alles gelezen wat ze de afgelopen maanden over de ziekte kon vinden, in de hoop dat hij gelijk had. Of ze nu vanwege nieuwsgierigheid of – zoals ze vandaag gelooft – een hogere macht haar heeft laten besluiten, negeerde Burks de waarschuwingen op de rode deur en sloop de kamer binnen. In het bed lag een zwaar vermagerde jongeman. Moeizaam vertelde hij haar dat hij zijn moeder wilde zien voordat hij stierf.

‘Ik liep naar buiten en de verpleegsters vroegen me: ‘Je bent toch niet die kamer ingegaan?’’ Burks herinnerde zich. ‘Nou ja, hij wil zijn moeder spreken,’ antwoordde ze. ‘Ze lachten en zeiden: ‘Lieverd, zijn moeder komt niet. Hij is hier nu zes weken ener is hier niemand geweest en niemand zal hier ook komen.’ Nee was geen antwoord voor Burks en wist een telefoonnummer van de moeder te achterhalen Ze heeft gebeld, maar voordat ze haar verhaal kon doen werd de verbinding verbroken.‘Ik heb meteen weer gebeld en ik vertelde de vrouw aan de lijn dat als ze nu weer ophangt, ik het overlijdensbericht van haar zoon in de plaatselijke krant zou plaatsen, inclusief de doodoorzaak. Toen had ik haar aandacht.’

Haar zoon was een zondaar, werd haar door de vrouw verteld. Ze wist niet wat er met hem aan de hand was en het kon haar niet schelen. Ze zou niet komen, omdat haar zoon wat haar betreft al dood was. De moeder verklaarde ze zijn lichaam niet eens op te eisen na zijn dood. Het was een uitspraak die Burks in het navolgende jaren keer op keer zou horen. Burks schat dat ze in de loop van de jaren met meer dan duizend mensen met AIDS heeft gewerkt. Daarvan zei ze dat slechts een handvol familieleden hun dierbaren niet de rug toekeerden. Of dit vanwege religieuze overtuiging of angst voor het virus is geweest, weet ze vandaag de dag nog steeds niet.

Burks hing op en probeerde te beslissen wat ze de stervende man zou vertellen. ‘Ik wist niet wat ik hem anders moest vertellen dan dat zijn moeder niet wilde komen. Er zat niets op om hem de waarheid te vertellen. Ik liep terug naar zijn kamer en toen ik naar binnen liep, zei hij: ‘Mama, ik wist dat je zou komen,’ en toen hief hij zijn hand op. Wat moest ik doen? Ik pakte zijn hand en zei: ‘Hier ben ik schat. Ik ben hier.’

Het was zeer waarschijnlijk de eerste keer was dat door een persoon werd aangeraakt, die geen handschoenen droeg, sinds hij in het ziekenhuis was aangekomen. Burks trok een stoel naar zijn bed en praatte tegen hem en hield zijn hand vast. Ze depte zijn gezicht met een vochtige doek en vertelde hem dat ze er was. ‘Ik bleef er 13 uur, terwijl hij zijn laatste adem uitblies.’ Burks heeft tot voor kort niet veel over deze dag gepraat. Mensen vragen haar altijd waarom ze geen angst had. ‘Ik heb werkelijk geen idee. De gedachte bang te zijn kwam nooit bij me op. Ik vroeg het me soms wel af, maar als dit is wat ik moet doen, dan zal ik het doen.

Lees hier het hele verhaal van Ruth Coker Burks.

Ik heb een haat-liefdeverhouding met de mens. Ik kan enorm genieten van de mensen om mij heen, maar af en toe bedenk ik dat de wereld beter af is zonder de mens. Dan doel ik vooral op de schreeuwende, luidruchtige en egoïstische personen, en daarbij heb ik een speciale exitplek voor de conventionele xenofoben onder ons. Gelukkig is niets zo zwart/wit als ik het hier opschrijf, want ieder slecht mens heeft ook iets goeds. Op zijn minst wanneer ze uit het oog zijn.

Om de meeste mensen kan ik wel grinniken en sommigen zijn dolkomisch bezig. Het is niet aardig te lachen over anderen, maar sommige mensen vallen buiten de norm en vallen daarom juist op. Ik lach ze niet uit, ik lach ze toe. Zo is er een meneer die op metrostation Henk Sneevliet in Amsterdam niet kan stilstaan. Hij wacht niet geduldig op de metro, maar loopt in stevige pas rond over het perron. Soms zie ik hem wel tot vier keer toe voorbijlopen. Pas wanneer de metro op een paar meter afstand van het station is wil hij stilstaan, om hierna rap in te stappen.

Afgelopen donderdagavond stapte ik op station Amsterdam-Zuid op de trein, richting huis. Het was druk en er waren niet veel zitplaatsen over in de coupe. Een mevrouw was van mening dat haar grote handtas naast haar mocht plaatsnemen. Hiermee was ik het niet helemaal eens en ik vroeg beleefd of ik op de plek van haar tas mocht plaatsnemen. Zonder iets te zeggen trok ze de grote tas van de zitting, plaatste deze tussen haar benen en ging verder met wat ze bezig was. Het kijken naar een serie via Netflix op haar mobiele telefoon.

Natuurlijk was het mogelijk geweest dat ze een OV-chipkaart speciaal voor haar handtas had aangeschaft, en dan was de tas volkomen rechtvaardig naast haar geplaatst. Dit was niet het geval, want mevrouw bleef stil. Hoewel niet helemaal stil. Mevrouw kon niet stilzitten. Ze vond het niet fijn dat onze beide benen tegen elkaar aankwamen. Constant draaide ze haar kont om mijn bovenbenen zo min mogelijk aan te raken. Dit was een mission impossible, want mevrouw was in het bezit van een paar stevige benen.

Toen ik in Almere uitstapte, hoorde ik een opgeluchte zucht uit de vrouw ontsnappen. Ik lach er maar om. Ik word ook wel eens ongelukkig van sommige mensen. Dit heb ik met de meneer die alleen op de donderdagen in de trein zit. Hij is te herkennen aan het slonzige uiterlijk. Hij is van het type ouderwetse leraar. Stoffig, en zo ruikt hij ook. Als een lerarenkamer van vroeger. Tegenwoordig ruikt zo’n lerarenkamer fris. Dat komt natuurlijk ook omdat er tegenwoordig bijna geen leraren meer zijn. Dat vind ik kwalijk. Er zijn nu zo veel mensen die denken zonder opleiding intelligent te zijn. Ja, zo raak ik nooit over mensen uitgepraat en misschien is dat maar goed ook.

Het treintje rijdt gestaag de berg op. Boven aan de top bevindt zich een adembenemend uitzicht over Oostenrijk. Zo hebben we ons laten vertellen, maar zo ver zijn we nog niet. Het oude voertuig kraakt en schud over de rails naar boven. Een Hemelvaart van een Jezus die de pensioengerechtigde leeftijd heeft behaalt. Tussen de bomen door gaan we omhoog. De berg is te steil om iets van omgeving mee te krijgen, behalve de bomen die traag voorbij gaan.

‘Zijn jullie twee broers?’ raadt de vrouw tegenover mij met een begrijpend lachje. Ze is het type dat er plezier in heeft dat men haar een geheim onthult.
‘Nee, we zijn getrouwd,’leg ik haar uit. Ze denkt een geheim te hebben onthult.
De vrouw knikt tevreden. Tussen de bomen zie ik een paar geiten op de rotsen staan. Wie heeft deze beesten ooit geleerd om zo te kunnen klimmen? Of zijn ze zonder er zelf bij nagedacht te hebben, zelf aan begonnen? Door niet te denken kom je wel voor verrassingen te staan. Dat zie ik bij te veel mensen tegenwoordig. Ze denken niet na en de verrassing komt altijd wanneer de batterij van hun telefoon nog maar 20% aangeeft.

‘Zijn jullie al lang getrouwd, met elkaar?’ vraagt ze vriendschappelijk, maar zeker wel indringend.
‘Sinds april 2000,’ zeg ik.
‘Ik niet,’ betuigt ze, met een gespeelde droevige blik. ‘Ik ben geen relatiemateriaal, lijkt het.’
Het treintje mindert vaart. Ik hoop dat we bij de top van de berg, onze bestemming aankomen. Weg van dit gesprek en de mevrouw.
‘Mannen gaan mij uit de weg, weet u? Misschien moet ik ook maar lesbienne worden,’ lacht ze theatraal.
Ze lijkt mij een persoon die iedere ochtend jammerend wakker worden en iedere avond mopperend in slaap valt.
‘Langer dan zes maanden houden ze het niet met me uit. Stuk voor stuk.’
En ik weet waarom, denk ik.

Ik glimlach en kijk door het raam naar buiten. Het uitzicht wordt ons door bergmist ontnomen, en ik draai mijn gezicht weer terug. Mijn niet-broer-maar-echtgenoot fingeert alsof hij iets heel interessants leest in een folder over deze trip.
‘Het nadeel van alleen reizen is niet dat je alleen bent, maar je betaalt ook nog eens toeslagen voor het alleen zijn. Je wordt dubbel gestraft.’
‘Dat wist ik niet,’ jok ik.
Het voertuig schudt alle inzittenden heen en weer, en we staan stil op het kleine station. We lijken ons doel te hebben bereikt. De top van de Oostenrijkse berg. De mist is weg en het uitzicht is daadwerkelijk adembenemend. Of de adem wordt ons ontnomen door de ijle lucht op deze hoogte.

Bovenop de berg staat een restaurantje waar versnaperingen voor een paar Oostenrijkse schillingen gekocht kunnen worden. Helaas geen broodjes kroket. De vrouw die geen mannen kan houden staat tussen een paar andere vakantiegangers. Ze is druk aan het praten. Of de toeristen aandachtig luisteren weet ik niet. Het zijn vast geen Nederlanders en laten ze haar beleefd doorpraten.
Mijn niet-broer-maar-echtgenoot en ik lopen weer terug naar het kleine station. Na drie kwartier is een uitzicht wel gezien, vinden wij.
In het treintje zitten we tegenover een grote, stoere meneer. Leren jack en dikke baard. Hij kijkt ons voor een korte tijd aan, en ik verwacht dat hij ons zal vragen of wij zijn motorfietser hebben gezien, maar nee.
‘Zijn jullie twee broers?’ gist de man.
Met een schreeuw schiet ik wakker. Mijn echtgenoot schrikt even op, maar ronkt daarna rustig verder en ik blijf voorlopig wakker.

‘Ik zal mijzelf voorstellen. Mijn naam is Martinus van Tours. Ik ben eeuwen geleden, zo’n 1.700 jaar terug, geboren in West-Hongarije. In de stad Szombathely om precies te zijn. Nu ook bekend om de voetbalclub Szombathelyi Haladás, die op het hoogste niveau spelen. Gisteren hebben ze nog met 1-0 gewonnen van Ferencváros

De man tegenover me lacht genegen en buigt even naar voren. Hij reikt naar een oude, versleten drinkbeker. Hij neemt een slok uit de groene mok. Hij zit nu rechtop op de sofa. De man heeft een leeftijd van achter in de zeventig, misschien net tachtig jaar. Het grijze pak dat hij draagt lijkt hem niet comfortabel te zitten. Hij trekt constant aan zijn jasje. De knoop van zijn stropdas hangt losjes om zijn nek en zijn schoenen lijken een maatje te groot. Ik zit tegenover hem met een notitieboekje op schoot. Martinus wilt mij zijn verhaal vertellen. Het is niet dat niemand zijn verhaal kent, maar hij heeft de behoefte het na al die jaren na zijn dood nogmaals eens correct te vertellen.

‘Mijn vader was destijds een Romeinse magistraat. Een overheidspersoon, zeg maar. Als vijftienjarige tiener ging ik in dienst bij het Romeinse leger en kwam ik bij een ruiterij in Gallië terecht. In die tijd had je geen internet of verenigingsleven, dus enig vertier vond je in het Katholieke geloof. Dus op achttienjarige leeftijd heb ik me laten dopen, heb het leger verlaten en werd ik leerling van bisschop Hilarius van Poitiers. De belangrijkste theoloog van die tijd. Zijn geschriften vormen de oudste christelijke literatuur in Gallië.’

Martinus is een vriendelijke man. Wanneer hij spreekt doe hij dit met enthousiasme. Zijn blauwe ogen stralen als hij spreekt over zijn tijd dat hij besloot zich als kluizenaar terug te trekken in de Franse stad Ligugé. Hij vertelt me met schik dat hij juist toen veel volgelingen kreeg.
‘Het waren er zoveel, dat dit tot gevolg had dat hierdoor het eerste klooster op Franse bodem ontstond. Kort hierna werd ik door de bewoners tot bisschop verkozen. Ondanks flink verzet van de andere bisschoppen,’ knipoogt hij me toe.

‘Als bisschop hield ik me aan het vrome monnikenleven, in tegenstelling tot andere bisschoppen, en maakte ik vele uitgebreide missioneringsreizen. Op zestigjarige leeftijd stichtte ik, natuurlijk tezamen met anderen, een klooster te Marmoutiers. Ik vond dat ik dit op deze leeftijd wel kon regelen. Het klooster was enorm in omvang en werd al snel een centrum van studie en missionering voor geheel Gallië. Ondanks dit succes, waren velen niet gelukkig met mij en mijn keuzes,’ fluistert hij me serieus toe. Hij hoest even achter zijn gesloten hand. ‘Ondanks dat ik voorstander was van orthodoxie, en nog steeds ben, was ik voor een mildere houding ten opzichte van het Priscillianisme. Een beweging binnen de christelijke kerk.’

‘Dit werd mij niet in dank afgenomen. Mijn bemiddelingen tot een mildere houding creëerde niet alleen weerstand bij de bisschoppen uit mijn eigen clerus, maar ook bij de Spaanse. Niet dat dit gegeven me tegenhield om mijn missioneringswerk te blijven doen, maar het geeft me een licht bitter gevoel, dat ik hierin werd tegengewerkt. Het is vooral treurig dat na mijn dood, mijn lichaam in triomf, als een overwinning, naar Tours werd overgebracht en bijgezet.’ De oude man glimlacht bedroevend naar mij en haalt even zijn schouders op. ‘Na bijna tweeduizend jaar, ben ik er nog niet aan gewend.’

‘Maar laten we vooral niet treuren, of boos blijven. Daar is niemand bij gebaat.’ Martinus van Tours kijkt me aan en vraagt me of ik verder nog vragen heb. Zonder te antwoorden, weet ik dat hij mijn vraag al weet. Hij sluit zijn ogen en vertelt verder.
‘Het was in mijn tienerjaren, een paar jaar nadat ik in dienst bij het Romeinse leger ging. Aan de stadspoort van Amiens reden we op onze paarden voorbij een paar schooiers. Bedelaars, zeg maar. Eén van hen was van mijn leeftijd en ik bedacht toen hoe ik zelf had geleefd, wanneer mij geen keuzes in het leven waren gegeven. Het was toen dat ik zonder aarzelen mijn mantel in tweeën sneed en mijn helft van de mantel aan de  arme schooier gaf. Soms is spontaan handelen niet verkeerd. Het blijft bij de mensen hangen.’

Martinus pakt zijn mok van de tafel en ziet dat deze inmiddels leeg is. Hij haalt zijn schouders op en glimlacht. ‘Komen er vanavond nog kinderen aan de deur te zingen voor snoep?’

Halverwege dit jaar was ik om. Ik zei thuis: ‘Vanaf nu eet ik geen dieren meer.’ Ik liep al langer met het idee om vegetariër te worden. Ik vind dieren veel leuker (en aardiger) dan mensen. Daarbij vraag ik me af wat het verschil tussen rundvlees en bijvoorbeeld hondenvlees is. De ethiek heeft ons geleerd om bepaalde dieren wel te eten, en andere dieren niet. Het is dierenracisme.

Het leven als vegetariër bevalt me prima. Ik voel me gelukkiger zonder het eten van dieren. Er zijn mensen die dat niet begrijpen en zijn soms bang dat ik ze wil overhalen om ook geen dieren meer te eten, maar het is voor mij geen religie. Ik wil niet overtuigen om geen dieren meer te eten. Ondanks die mededeling schieten mensen toch in de verdediging of erger, in de aanval.

Het is maar net waar je boos om kunt worden. Mensen raken geïrriteerd wanneer anderen geen vlees eten, maar wel bijvoorbeeld vleesvervangers. Ik ben niet gestopt met het eten van dieren omdat ik ineens geen vlees meer lust. Ik verlang soms naar een rookworst of een gehaktbal, maar gelukkig heb je tegenwoordig prima alternatieven in de schappen van de supermarkt liggen. De omnivoor waarmee ik ben getrouwd eet af en toe graag plantaardig vlees mee.

Vleeseters en vegetariërs kunnen dus prima samenleven, ondanks dat het soms niet zo lijkt. Enkelen zijn de mening toebedeeld dat wanneer je geen dieren eet, je ook geen dierenhuid aan de voeten mag dragen. Het nuttigen van zuivelproducten en eieren mag ook niet. Toen ik afgelopen zomer besloot geen dieren meer te eten, heb ik geen memo met (spel)regels voor vegetariërs ontvangen.

Ik doe wat in mijn beleving het beste is. Daarmee ben ik niet beter dan een ander. Doe wat je zelf graag wilt. Dat gemeld te hebben, deel ik graag de uitspraak van Ronald Leopold die vanmorgen in een Amsterdamse krant werd geplaatst. ‘Mensen zijn te veel bezig met hun eigen mening en willen die met windkracht 10 de wereld in blazen, maar we mogen wel wat meer oog hebben voor elkaar.’

Het sporten gaat me weer goed af! Je zou denken dat ik goed bezig ben, maar eigenlijk doe ik het hartstikke verkeerd, want in de maand november werken aan een zomerlichaam gaat niet goed wanneer je strakke lijf in het voorjaar alweer uitdijt naar een winterlichaam. Het voornemen is er om dit vol te blijven houden. De sportschool waar ik me uitsloof ligt nog geen 400 meter van huis. Wanneer ik straks de kerstkaarten op de bus mag doen, ben ik langer onderweg, dus die afstand naar de sportschool mag geen excuus meer zijn.

De afgelopen week ben ik bijna dagelijks naar de sportschool geweest. Op de dagen dat ik er afwezig was, ben ik buiten gaan hardlopen. Op de lopende band indoor hardlopen lukt me niet. Het apparaat gaat dan ineens op de rem, waardoor ik bijna naar voren wordt gekatapulteerd. Dan ga ik liever een stukje stilstaand fietsen. Verder besteed ik de meeste tijd aan het roeien. Met een heerlijk gemak peddel ik zo een paar kilometer weg. Ik wordt er enthousiast van, maar nog niet enthousiast genoeg om me aan te melden bij de plaatselijke roeivereniging.

Het roeien in de sportschool is populair. Er zitten altijd wel mensen op de roeimachines. Zo ook vandaag. Twee dames van tegen de 30 jaar bewegen synchroon op de apparaten. Alle spieren zijn in beweging. Vooral de kaakspieren, want ze zitten druk te praten. Over de andere sportschoolbezoekers. Er wordt commentaar gegeven over de corpulente dame in haar felroze tijgerlegging en de mannelijke sportschoolbezoeker gaan ook over de tong. Ik besluit om nog een paar kilometer door te roeien. Ik wil nog even niet nagekeken en becommentarieerd worden.

Het is te laat voor de mannen achter in de zaal. Zij staan bij de zwaardere apparaten, waar de biceps en de triceps worden opgepompt. Ik plaats de mannen in de categorie Peppie en Kokkie, maar de dames naast mij hebben een internationale benaming. Beavis en Butthead. Er wordt nog even een vinnige opmerking gegeven over de kleinere man van de twee. ‘Hij kan nu wel 100 kilo’s wegdrukken, maar hij zal nooit 1.70 meter worden.’ Het is een lelijke opmerking. Deze vrouwen zijn in staat om met alleen hun commentaar een man te castreren. Met samengeknepen billen roei ik een paar honderd meter stilstaand door.

‘Kook je vaak voor jezelf?’ vraagt ze nieuwsgierig wanneer hij een teentje knoflook en een handje grof gesneden kastanjechampignons in de wok gooit.
‘Ja, hoezo? Jij niet?’
‘Bijna niet. Een magnetronmaaltijd of thuisbezorgd werkt prima voor mij.’
‘Dat is niet echt gezond te noemen.’ Hij roert even in de pan met tagliatelle.
‘Ik weet het, maar ik vind het gewoon niet leuk, koken. Jij wel?’
‘Jazeker. Helemaal nu ik geen vlees eet, kook ik meer gevarieerd.’
Verrast kijkt ze op, terwijl hij verse spinazie in de wok doet.
‘Eet je geen vlees meer? Waarom? Sinds wanneer? Vind je het zielig voor de dieren? Eet je nog wel vis?’
Het zijn de inmiddels bekende vragen die hij de afgelopen maanden te horen krijgt, nadat hij een paar maanden geleden heeft besloten geen dieren meer te eten.
‘Ik eet geen vlees meer, want ja, ik vind het zielig en het voelt voor mij niet goed dat ik dieren eet. Ik eet dus ook geen vis, al een paar maanden niet. Het eten van dieren is zo van voor 2018,’ licht hij glimlachend toe.
‘Joh, ik weet niet of ik dat kan, hoor!’
‘Dat hoeft ook niet,’ reageert hij lachend en voegt de roomkaas toe aan de spinazie in de wok. ‘Het is geen religie voor mij, ik hoef en wil je niet overtuigen.
‘Gelukkig maar,’ laat ze opgelucht weten.
Hij haalt de tagliatelle van het vuur en voegt nog wat peper en zout toe aan het spinazie-roomkaas-champignonmengsel.
De borden worden opgeschept met de pasta en de spinaziesaus. Nog even bestrooit hij het eten met wat geraspte kaas.
‘Klaar om lekker te eten?’ Hij loopt naar de eettafel en zij volgt hem.
‘Jazeker! Zonder vlees?’ informeert ze overbodig.
Hij glimlacht naar haar en zegt: ‘Zonder vlees, maar met smaak.’
300 gram tagliatelle
1 teen knoflook
250 gram kastanjechampignons
3 eetlepels olijfolie
600 gram spinazie
100 gram roomkaas (naturel)
geraspte pittige kaas

Nadat ik mijn eigen fiets van woonplaats Almere naar mijn werk in Amsterdam heb verhuisd, heeft het fietsplezier precies een week geduurd. Sindsdien is de relatie gespannen. Alsof het vervoersmiddel ineens een ziel heeft verkregen en mij wel eens karma zal leren. Omdat het rijwiel in Almere altijd droog in de schuur heeft mogen staan, verblijft het nu ‘s-nachts, ongeacht de weersgesteldheid, onbeschermd bij metrostation Henk Sneevliet. Daar wordt een fiets niet blij van en ik kan bij wijze van, het rijwielgeroddel in de fietsenstalling al horen. ‘Een man verkast toch niet zo maar ongevraagd zijn rijwiel?’

Het idee om mijn fiets te gebruiken als vervoersmiddel tussen het metrostation en mijn werkadres, is een prima plan geweest. Ik win er per dag gemakkelijk 20 minuten mee en reken dat maar uit: Dat scheelt per half jaar 40 uur, en dat zijn twee werkweken in een jaar. Voorlopig kom ik niet aan dat getal, want constant ligt mijn fietsketting eraf. De eerst keer was vorige week, dinsdagavond. De enige dag in de week dat ik tot 20:00 uur moet werken. In de avonden rijdt de metro niet meer zo vaak en is een fiets een uitkomst. Gejaagd, maar als een volleerde chirurg, trek ik fel de kettingkast open om het binnenste van de kettingkast te bekijken.

De fietsketting hangt er ongeïnteresseerd en levenloos bij. Geïrriteerd over de onverschilligheid trek ik de ketting los van haar raderen om deze met precisie weer op de juist plek terug te leggen. Na wat gepriegel en wild draaien van de trappers ligt de ketting er weer op en draait ze als een kermisattractie het achterwiel rond. Het schijnt een zware operatie van een paar uur te zijn, maar mijn horloge geeft aan dat ik nog geen twee minuten bezig ben geweest. Snel dicht ik de kettingkast en spring op mijn fiets. Met mijn vingers zwart van het oude vet fiets ik naar het metrostation. Vervolgens heb ik na deze dinsdagavond nog een paar keer de kettingkast mogen openen. Mijn fiets en ik zijn zo hecht niet meer.

Ik heb me van de week aangemeld bij de sportschool. Onder het mom van liever hardleers dan standvastig, ga ik er weer voor. Ik weet echt wel dat het iets is dat niet altijd tot me doordringt. Ik ga altijd fanatiek sporten, maar na een maand spoelt mijn enthousiasme voor het sporten als het water tijdens het douchen weg via het doucheputje. Daarnaast is mijn planning voor het sporten altijd hartstikke verkeerd. Ik ga altijd fanatiek sporten wanneer de zomer net voorbij is. Hierdoor zit ik rond mijn verjaardag tussen Sinterklaas en Kerstmis, strak in mijn zomerlichaam, dat met de kerstdagen en tegen oudejaarsavond weer teniet wordt gedaan door al het lekkere eten.

Juist om die reden lig ik tijdens de zomermaanden als een Jabba the Hutt op mijn bedje aan de rand van het zwembad of in de achtertuin. Ik hou van eten. Dat nog meer dan van sporten. Daar ben ik geen uitzondering in, want ik zie overal Obesitas-look-a-likes om me heen. Voor mij zal dat binnenkort weer veranderen, want zoals hierboven gemeld; ik ga weer sporten. Over een paar weken wordt er in de buurt een sportschool geopend, waarvan de maandcontributie gelijk staat aan 2 pakjes sigaretten, en ik mag mijn sportpas met iedereen delen. Aangezien de nieuw sportschool ongeveer 200 meter van mijn huis ligt, wordt de door mij gecreëerde drempel vernietigd.

Zo verkoop ik het sportschoolverhaal heel goed aan mezelf. Ik moedig mezelf fanatiek aan, maar ik weet dat ik in november alweer ben bevorderd tot sportschoolsponsor. De te korte periode van reguliere sportschoolbezoeker ligt dan achter me. Zo is het altijd gegaan. Maar misschien moet ik het dit keer anders aanpakken. Een schema voor een langere periode, waardoor ik langer dan een maand actief bezig ben. Ik ben tenslotte ook ooit met een schema begonnen voor hardlopen, terwijl ik de hardlopers in opzichtige kleding eerder lachwekkend vond dan inspirerend. U mag me in december weer eens aanspreken over mijn sportschoolbezoeken.