Zeven-Vijftig

Komend weekend loop ik weer een officiële run. Niet zomaar een rondje, maar 7,5 kilometer door Amsterdam. Omdat de stad 750 jaar bestaat. Een slimme vondst, dat getal. Zeven-vijftig. Het klinkt vriendelijk, bijna nonchalant. Maar iedereen die hardloopt weet: tussen vijf en tien kilometer zit een wereld van verschil.

De route gaat kris kras door het Vondelpark. Een plek die ik aardig ken; de bochten, de bruggetjes, de stukken waar het altijd nét iets zwaarder gaat. In de lente ruikt het er naar gras en verwachting, in de herfst naar regen en volharding. Dit weekend zal het ruiken naar mensen. Naar honderden lopers, allemaal met hun eigen tempo en hun eigen reden om te rennen.

Er is iets moois aan hardlopen in een georganiseerde run. Je praat niet, maar toch ben je samen. De cadans van voetstappen, het zachte hijgen om je heen, een duim omhoog van iemand die net zo moe of gemotiveerd is als jij. Misschien een paar opbeurende woorden, maar geen verschil in wie of wat je bent. Alleen het gedeelde ritme van volhouden.

De finish is in het Olympisch Stadion, en dat blijft magisch. Dat heeft de ervaring mij geleerd: die bocht naar binnen, het geroezemoes dat aanzwelt tot applaus. Even voel je je deel van iets groters.

En als je daarna in het stadion de run uitloopt, adem terug, hart nog hoog, denk je aan de stad die ouder is dan jij ooit zult worden. Zeven-vijftig. Een ode aan Amsterdam, aan alle benen die het volhouden, en aan dat kleine moment waarop honderden mensen tegelijk hetzelfde doen. Genieten.

Afval

Onder het spoor, waar station Amsterdam Bijlmer Arena zijn schaduw werpt over het Bijlmerplein, ligt misschien wel het smerigste stukje van Amsterdam. Het is een plek waar je voeten niet lopen, maar zich voortslepen. De tegels lijken zich aan je zolen te hechten, alsof ze een wanhopig gebaar maken: blijf hier, zie mij, ruik mij, blijf — letterlijk plakken. Maar eigenlijk wil je er niets mee te maken hebben.

Misschien ligt het aan het tijdstip. Ik loop er altijd in de vroege ochtend, wanneer de dag nog moet beginnen maar de nacht zijn troep al heeft achtergelaten. Vuilnisbakken gapen wijd open of hebben hun buik vol en spugen het overschot aan afval gulzig terug op straat. Blikjes, pizzadozen, restjes kip die niemand meer aandurfde. Een vies servet dat onschuldig wegwaait. Het lijkt alsof de afvalstroom hier een eigen ritme heeft, een nachtelijk jazzorkest zonder dirigent.

En toch: je kijkt ernaar zoals je naar een oude kennis kijkt die het niet zo getroffen heeft. Je ergert je, maar er zit ook iets vertederends in die troep, alsof de stad hier haar kater uitspant. Mensen haasten zich voorbij, niemand kijkt naar beneden. Alleen de vroege wandelaar, op weg naar kantoor, merkt hoe de straat onder zijn schoenen zachtjes zuigt en fluistert: “Vandaag niet te schoon.”

Misschien is dit gore stukje Amsterdam wel een spiegel. We willen de stad blinkend, maar we leven rommelig. Soms, heel even, komt die rommel boven. Onder het spoor, tussen twee treinen en een passerende metro door.

Stalen Vriend

Nu met de diverse versoepelingen van de corona-regels in Nederland, mag ik sinds afgelopen week minimaal één dag per week naar kantoor komen, om daar mijn werkzaamheden te doen. Eén dag dat ik weer mag wennen aan het reizen betreffende het woon- en werkverkeer. En dat het wennen is, daar kwam ik snel achter. Nog nooit eerder hoefde ik met een laptop te lopen zeulen in mijn rugzak. De schootcomputer van het werk is niet echt zwaar, maar zwaar genoeg om me weer even een brugklasser te voelen, met een tas vol zware schoolboeken. Bij mijn overstap op station Amsterdam-Zuid viel ik nog net niet achterover.

Mijn grote vriend, Medley, de herenfiets, stond nog steeds geduldig op me te wachten. Dat het even had geduurd bleek uit het feit dat Medley was gehuld in spinnenwebben en de ketting die hem op zijn plek hield, kleurde roestig. Deze kleur werd ook aan mijn handen afgegeven. Een geluk dat ik mijn handen, sinds maart vorig jaar, een paar keer per dag was. Deze dag was ik de fietssleutel niet vergeten en zo waren we klaar voor onze fietsrit-reünie sinds september vorig jaar. 

Dat het maandenlange stilstaan mijn vriend geen goed had gedaan hoorde ik aan het gekraak van de fietsketting in de kettingkast. Ik denk dat Medley een kruipolie-injectie wel kan waarderen, wanneer ik volgende week weer in Amsterdam ben. Ook had mijn fietsvriend tijdens het wachten op een uitje, enig lucht in de banden verloren. Afgelopen dinsdag heb ik dit meteen opgelost door in mijn pauze even beide fietsbanden volumineus op te pompen. Het schuldgevoel van het in de steek laten heb ik hiermee hopelijk voldoende van me afgeworpen. 

Op kantoor was het vreemd en ook heel gewoon. Het was af en toe wennen er weer te zijn, maar met andere zaken was het alsof ik er dag ervoor nog aanwezig was. Ik vind het bijzonder hoe sommige gewoontes zo vastzitten dat je er onbewust, als op de automatische piloot, mee omgaat. Een dag op kantoor met oude en nieuwe indrukken gaat snel voorbij. Voor ik het wist zat ik alweer op mijn fiets naar het metrostation. Ik kan het mis hebben, maar de fietsketting leek op de terugweg minder moeilijk te doen. Toen ik bij het plaatsen van vriend Medley per ongeluk aan de fietsbel zat, rinkelde deze verdacht opgewekt.

Wandeling

Ik ben een stadsmens. Ik hou van de kleine dorpen en van het platteland, maar ik voel me meer thuis in de stad. Ik kan genieten wanneer ik getuige ben van het ontwaken van een stad. Deze ochtend moet ik al vroeg in Amsterdam zijn en ik besluit vanaf het Centraal Station naar mijn afspraak in de Spaarndammerbuurt te lopen. Het is een beetje troosteloos en miezerig weer, maar echt nat kan je er niet van worden. Ik loop door de Haarlemmerstraat en de geluiden van rolcontainers met voorraden die naar een winkelmagazijn worden gereden, in combinatie met het geluid van mensen die hun zaterdag starten, brengen een glimlach op mijn gezicht.

Ik zie een hardloper, die ondanks het grauwe weer in korte broek met een iPhone in zijn handen voorbij rent. Ik wens dat hij iets langzamer hardloopt, of dat ik zelf tijd genoeg heb om in mijn hardloopkloffie met hem op te lopen, want nu kan ik helaas niet de vele en vooral kleurrijke tatoeages op zijn kuiten bewonderen. Verderop staat een groepje van ongeveer tien Italianen. Ze zijn, denk ik, net bij een hotel uitgecheckt en zijn in een heftige discussie over hoe de dag verder door te brengen. Denk ik. Het kan ook zijn dat ze een normaal overleg hebben, maar voor mij klinkt het enorm emotioneel. De temperamentvolle toeristen overheersen voor even alle andere stadsgeluiden.

Ik wandel mijn route in de Westelijke Eilanden, naar de Haarlemmerdijk. Twee blonde jochies op de step schieten mij op de stoep voorbij. Aan de overkant plaatst een te geblondeerde mevrouw een bord met een reclameleus over kortingen en je kansen grijpen voor haar winkel. Ze kijkt even schuin omhoog naar de hemel en houdt haar handpalm op om wat regen op te vangen. Ze knikt tevreden, ze denkt dat het miezerig regenbuitje snel ophoudt. Even verderop knikt de eigenaar, of werknemer van de dierenwinkel mijn vrolijk toe. Hij lapt de ramen van de winkel schoon en ik begroet hem net zo vrolijk terug met een welgemeende ‘Goedemorgen.’ Wanneer ik na een paar minuten aan het einde van de straat aankom en het Haarlemmerplein op loop, merk ik dat het inmiddels gestopt is met miezeren. Het zonnetje is voorzichtig gaan schijnen en ik loop over de Willemsbrug richting de Mirakelbrug. Daarachter ligt de Spaarndammerbuurt.