Klassenfoto 1979

Laatst plaatste ik in een Facebookgroep van verschillende scholen uit mijn geboortestad Den Helder een oude schoolfoto uit 1979. Oorspronkelijk was het een zwart-witfoto, maar ik had hem met behulp van AI laten inkleuren. Dat was verrassend goed gelukt. Ineens leek die verre schooltijd een stuk minder ver weg.

De reacties kwamen snel binnen: mensen herkenden zichzelf, wezen oude klasgenoten aan en haalden herinneringen op aan gebeurtenissen die ik allang vergeten was. Namen die tientallen jaren ergens in mijn geheugen lagen te sluimeren, doken plotseling weer op.

Wat me vooral opviel, waren de profielfoto’s naast de reacties.

Op de schoolfoto staan tientallen kinderen. Sommigen kende ik goed, anderen slechts van gezicht. Destijds waren we allemaal ongeveer even oud. Het leven lag nog voor ons. We maakten ons druk over huiswerk, gymles, voetbal op het schoolplein of wie naast wie in de klas mocht zitten. Van de toekomst hadden we geen idee.

Wanneer ik nu naar die reacties kijk, zie ik mannen en vrouwen van rond de zestig jaar oud. Mensen met grijs haar, leesbrillen, kleinkinderen of een naderend pensioen. Mensen die ooit gewoon die jongen of dat meisje op de foto waren. Dat blijft een vreemde gewaarwording.

In mijn herinnering zijn veel van die gezichten nauwelijks ouder geworden. Pas wanneer je de huidige profielfoto’s ziet, besef je hoeveel tijd er werkelijk verstreken is. Niet alleen voor hen, maar ook voor jezelf.

Ik vraag me af hoe het iedereen is vergaan. Welke dromen zijn uitgekomen? Welke plannen verdwenen onderweg? Wie vond precies wat hij of zij zocht? En wie kwam ergens totaal anders terecht dan ooit gedacht?

Op dat grasveld stonden toekomstige ouders, grootouders, vakmensen en ondernemers. Verpleegkundigen en ambtenaren. Misschien stonden er ook mensen tussen die de wereld hebben rondgereisd, boeken hebben geschreven of juist hun hele leven in Den Helder zijn gebleven. Niemand wist het toen.

Dat is misschien wel het mooiste van zo’n foto. Je kijkt naar een verzameling levens die nog volledig open lagen. Alle liefdes, teleurstellingen, successen, verhuizingen, verliezen en overwinningen moesten nog plaatsvinden.

Tegelijkertijd besef je dat niet iedereen de finishlijn heeft gehaald. Sommige kinderen op deze foto zijn inmiddels overleden. Sommige veel te vroeg. Dat raakt me, meer dan vroeger. Op een schoolfoto zie je alleen kinderen die lachen naar de camera. Je ziet niet welke verhalen later een gelukkig einde krijgen en welke veel eerder stoppen dan verwacht.

Wat me misschien nog wel het meest trof, is een andere gedachte: wij zijn inmiddels ouder dan onze ouders waren toen deze foto werd gemaakt.

Als kind keek ik tegen volwassenen op alsof zij altijd oud waren geweest. Nu zijn wij zelf die generatie geworden. Zonder dat je het merkt, schuift de tijd je langzaam door naar de plek waar ooit je vader en moeder stonden.

Toch zie ik, wanneer ik naar die ingekleurde foto kijk, vooral de kinderen van toen. Kinderen die niet konden vermoeden dat ze bijna een halve eeuw later via Facebook weer contact zouden hebben. Kinderen die nog geen idee hadden van wat het leven voor hen in petto had.

Misschien zijn onze haren grijzer geworden en onze lichamen wat minder soepel. Maar ergens achter al die jaren zitten die kinderen van 1979 nog steeds op dat grasveld. Wachtend tot de fotograaf eindelijk klaar is, zodat ze weer verder kunnen met kind zijn.

Zaalgenoten

Vorige week zat ik in de bioscoop. Terwijl ik wachtte tot Disclosure Day, de laatste film van Steven Spielberg, begon, dwaalden mijn gedachten af naar Den Helder.

Dat doe ik vaker. Niet alleen aan Den Helder, maar aan bioscopen in het algemeen. Aan Rialto en Tivoli. Aan de jaren dat een bioscoopbezoek nog een uitje met hoofdletters was; iets om je de hele week op te verheugen.

Voor mij begint een film niet als het licht dooft. Het begint eerder. In de minuten waarin de zaal volloopt, de jassen worden uitgetrokken en iedereen nog even iets tegen elkaar zegt wat daarna niet meer mag. Dat is het moment. Altijd al geweest.

Vroeger waren er geen flitsende trailers. Toen waren er dia’s.

Den Helder had twee bioscopen. Tivoli lag in de Koningstraat en voelde zelfs toen al als een monument voor betere tijden. De stoelen hadden geschiedenis. Net als de geur: sigarettenrook, oud tapijt, iets ondefinieerbaars dat je als kind gewoon voor lief neemt, en waar je veertig jaar later ineens aan moet denken terwijl je ergens in een moderne zaal op een klapstoeltje zit.

Rialto zat in een hotel en was daardoor meteen al iets bijzonders. Hotels waren spannend. De lobby was breed, of leek dat tenminste. En de toiletten; die lagen diep in het gebouw, aan het einde van een gang die maar niet ophield. Of dat klopte weet ik niet meer. Herinneringen doen dat. Ze rekken gangen op, verplaatsen plafonds, maken alles een beetje groter dan het was. Als compensatie misschien.

Voor de film verschenen dia’s op het scherm. Een fietsenzaak. Een meubelwinkel. Een garagebedrijf aan de rand van de stad. Geen bewegende beelden, geen voice-over, gewoon een foto met een telefoonnummer eronder. En daaroverheen, altijd weer, My Name Is Nobody van Ennio Morricone.

Ik hoef maar de eerste maat te horen.

Dan ben ik weer twaalf en ruik ik Tivoli. Dan zit ik in Rialto met het gevoel dat er iets gaat gebeuren, al weet ik nog niet wat.

Van de films zelf weet ik vaak weinig meer. The Fog en The Spy Who Loved Me zag ik ooit tijdens een voorstelling, dat weet ik nog. Maar de meeste zijn vervaagd. Wat is gebleven, is de zaal. Het geroezemoes. De spanning die nergens over gaat en toch over alles.

Tegenwoordig scan je een QR-code op je iPhone en zoek je zelf je stoel. De stoelen zijn beter, de advertenties groter, de popcorn duurder. Alles is gladder geworden. Dat hoort zo, veronderstel ik.

Maar als de zaal zich vult en de eerste beelden oplichten, is het er nog steeds. Dat gevoel. Onveranderd, onbedorven, hardnekkig aanwezig.

Rialto bestaat niet meer. Tivoli ook niet. De jongen die daar zat ook niet. Strikt genomen.

Maar ik hoor My Name Is Nobody nog vaak.

En soms is dat genoeg.

Reiziger

Ik heb altijd van reizen gehouden. Al zolang ik me kan herinneren. Niet eens zozeer vanwege de vreemde landen of talen, maar om het gevoel ergens anders terecht te komen. Alsof een andere plek je even losmaakt van jezelf. Misschien is daar ook mijn fascinatie voor geschiedenis begonnen. Want wat is geschiedenis anders dan reizen naar een wereld die niet meer bestaat? Toch waren mijn reizen anders dan die van de meeste mensen.

Ik was een tiener toen ik ontdekte dat ik kon tijdreizen. Misschien was het geen toeval dat het juist toen begon; dat is tenslotte de leeftijd waarop alles verandert. Je lichaam wordt anders, je gedachten worden zwaarder en nachten krijgen een vreemde intensiteit. Terwijl het om me heen in Den Helder stil werd en de lichten achter de gordijnen één voor één doofden, gebeurde er iets met mij wat ik jarenlang onmogelijk kon verklaren. Zodra ik mijn ogen sloot, verdween mijn slaapkamer en stond ik ergens anders. In een andere eeuw. Soms midden in een oorlog, soms aan boord van een schip, kruipend tussen mensen die niet konden vermoeden dat een jongen uit een verre toekomst hen zwijgend observeerde.

De eerste keer dacht ik dat ik droomde. Pas later begon ik te vermoeden dat dromen soms gevaarlijk dicht tegen herinneringen aan kunnen liggen.

Een van mijn eerste reizen bracht me naar het Frankrijk van het jaar 1095. Ik stond op een stoffige vlakte buiten Clermont waar duizenden mensen luisterden naar paus Urbanus II. Hij riep op tot wat later de Eerste Kruistocht zou worden. In geschiedenisboeken lijkt zo’n moment groot en verheven, maar wat mij vooral bijbleef, waren de gezichten. Vermoeide boeren, uitgehongerde mannen, jongeren die hoopten dat God eindelijk betekenis gaf aan hun ellendige bestaan.

Later zag ik Jeruzalem. Niet het heilige decor uit schilderijen, maar een stad van rook, hitte en bloed. Kruisvaarders trokken door de straten. In hun ogen waren geloof en waanzin nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden. Ik herinner me vooral de geur. Geschiedenisboeken beschrijven gebeurtenissen, maar nooit de geur van angst, zweet, metaal en brandend hout.

Eeuwen later stond ik weer tussen mannen die dachten dat ze de wereld opnieuw uitvonden. In 1492 bevond ik me aan boord van de Santa María van Christoffel Columbus. Het schip kraakte voortdurend, alsof het zelf twijfelde aan de goede afloop. De oceaan leek eindeloos groot voor mannen die nog geloofden dat er voorbij de horizon monsters leefden.

Columbus zelf verraste me. Niet de heroïsche ontdekkingsreiziger uit de schoolboeken, maar een vermoeide man die voortdurend rekende, doodsbang dat zijn bemanning tegen hem in opstand zou komen. Toen er eindelijk land in zicht kwam, juichte niet iedereen. Sommigen huilden van opluchting, omdat ze wisten dat ze niet op zee zouden sterven.

Wat me het meest is bijgebleven, gebeurde pas uren later: de stilte waarmee de oorspronkelijke bewoners naar de Europeanen keken. Alsof beide beschavingen diep van binnen al voelden dat dit het begin was van iets onomkeerbaars.

Ik was erbij toen de Bastille viel tijdens de Franse Revolutie. Niet midden in de chaos, maar iets verderop, in een straat waar een bakker gewoon brood probeerde te verkopen terwijl de wereld om hem heen instortte. Dat is wat revoluties werkelijk zijn: gewone mensen die proberen normaal te blijven, terwijl de geschiedenis besluit dat het daarvoor te laat is.

Ik zag vrouwen door Parijs marcheren richting Versailles. Ik hoorde het geluid van de guillotine voordat ik hem zag. Geen dramatische klap, maar een droge, bijna zakelijke tik. Alsof de dood efficiënt was geworden.

Een van de laatste grote reizen bracht me naar Berlijn in 1945. De oorlog was voorbij, maar de stad leek nog na te branden. Overal lagen stenen, kapotte muren en uitgebrande voertuigen. Toch zag ik tussen het puin kinderen spelen. Dat vond ik misschien nog het meest indrukwekkende van alles wat ik ooit zag: dat het gewone leven altijd terugkomt, zelfs na het ergste wat mensen elkaar kunnen aandoen.

Jarenlang hield ik deze ervaringen voor mezelf. Hoe vertel je iemand dat je de kruistochten hebt gezien? Dat je de Atlantische Oceaan overstak met Columbus? Dat je in Parijs stond terwijl een revolutie de oude wereld opensneed?

Niemand die het gelooft. En eerlijk gezegd begon ik er zelf ook aan te twijfelen. Want telkens als ik terugkwam, lag ik gewoon weer in mijn slaapkamer in Den Helder. Het licht van de Lange Jaap. Het zachte geluid van de wind. Mijn schooltas op de stoel naast het bed.

En misschien was dat uiteindelijk ook de waarheid. Misschien heb ik nooit door de tijd gereisd en waren het slechts dromen van een nieuwsgierige tiener.  Maar daar is wel mijn liefde voor geschiedenis ontstaan.

Cadeau

Op tweede kerstdag kreeg ik van mijn zus een boek. Dat is op zich al prettig nieuws, want een boek is altijd beter dan een deodorant waarvan je niet weet of je er het einde van de dag mee haalt. Maar dit was geen willekeurig boek. Het ging over het zestigjarig jubileum van De Schooten, de wijk waar ik mijn eerste dertig levensjaren heb doorgebracht. In de tijd dat De Schooten nog een nieuwbouwwijk heette, wat toen betekende dat alles rook naar beton, nat zand en belofte.

Het boek was stevig, rijk geïllustreerd en had iets geruststellends in de hand. Alsof het zei: ga maar zitten, ik neem het wel even van je over. Maar het mooiste zat meteen voorin. Een handgeschreven introductie van mijn zus. Een mooi, lief gebaar, in haar handschrift. Dat handschrift dat ik herkende van boodschappenlijstjes van vroeger en verjaardagskaarten van recent. Hoe lief en bijzonder is dat, en ik dacht het zonder ironie, wat voor mij vooruitgang betekent.

De Schooten. Een wijk die ooit begon als een plan op papier, getekend door mensen die dachten dat dit een goede plek was om een leven te beginnen. Brede straten, veel groen, scholen op loopafstand. Een wijk waarin alles nog moest gebeuren. Wij waren er vroeg bij. Voor mij was het geen wijk, het was de wereld. Alles wat daarbuiten lag, was buitenland.

Het boek staat vol verhalen over het ontstaan van De Schooten. Over de eerste bewoners die hun gordijnen ophingen terwijl verderop in de straat woningen nog niet eens klaar waren. Over kerken die begonnen op noodlocaties en winkels die langzaam hun weg vonden tussen de huizen. Het leest als een collectief geheugen dat eindelijk eens netjes is opgeschreven.

En dan de foto op pagina 65. De opening van de speeltuin in 1975. Zwart-wit, vanzelfsprekend, want kleur was toen nog iets voor de toekomst. Een groep kinderen, een officieel moment dat werd opgeluisterd met een doorgeknipt lint en een man in een ambtelijke jas. En daar, ergens tussen die kinderen, herken ik mezelf. Niet omdat ik precies weet wie ik ben, maar omdat ik het voel. Dat jongetje met die houding, die blik. Dat ben ik. Aanwezig bij de opening van iets wat later heel gewoon zou worden.

Het ontroert me meer dan ik had verwacht. Niet groots, niet meeslepend, maar op de stille manier waarop herinneringen dat doen: als je ze niet oproept, maar ze zich ineens aandienen. Een wijk wordt ouder, mensen verhuizen, verdwijnen, komen niet meer terug. Maar zo’n boek houdt alles even vast. Alsof De Schooten zegt: ik was er, jij was er, en het was goed.

Ik sloeg het boek dicht en legde het naast me neer. Derde kerstdag, thuis, de tijd stond even stil. En ik dacht: soms is een cadeau geen voorwerp, maar een herinnering met kaft. En dat zijn toch de beste cadeaus.

Monique

In de jaren tachtig had je van die zomerdagen waarop alles naar avontuur rook. Zelfs Den Helder, dat normaal vooral geurt naar zoute zee en de altijd aanwezige wind die om de hoek komt waaien, voelde in augustus 1987 een beetje als New York. Ik stond vroeg op, want er was een busreis geregeld. Helemaal naar Rotterdam, naar de Kuip, waar Madonna zou optreden. Madonna. In Den Helder had je op dat moment vooral vissers, marinemensen en een paar kroegen waar iemand Into the Groove draaide alsof het een incident was.

Ik ging met Monique, collega en vriendin, of misschien vriendin die toevallig collega was. De wereld was destijds overzichtelijk in theorie, maar ingewikkeld in de praktijk. We zaten naast elkaar in de bus. De ramen waren licht beslagen van opwinding. Ik deed alsof ik ontspannen was. Zij deed alsof ze niet merkte dat ik deed alsof. Dat waren de jaren. Iedereen deed alsof.

De reis duurde eindeloos, zoals alles eindeloos duurt wanneer je nog thuis woont en leeft in de morele schaduw van je ouders. Ik had Madonna altijd fascinerend gevonden, maar ook een beetje ordinair. Dat dacht ik toen. Zo was ik opgevoed. Madonna hoorde bij mensen met lef, mensen die hun schouders ophalen voor wat een ander denkt.

De Kuip lag te dampen toen we aankwamen. Een kolkende massa van zweet, zonnebrand en denim. Overal meisjes met kanten handschoentjes en jongens met kapsels die net iets te veel ambitie hadden. Madonna had nog geen noot gezongen en toch was ze al aanwezig in elke kier van het stadion. In de neon, in de kleding, in het gedrang van duizenden mensen die op dat moment allemaal een betere versie van zichzelf leken.

Toen het licht uitging en de eerste tonen van de muziek over het stadion rolden, was ik verkocht. Ze sprong, draaide, rende en daagde uit. En nu, zoveel jaren later, besef ik pas hoe beperkt haar repertoire toen nog was. Geen Like a Prayer. Geen Vogue. Geen Hung Up. Al die iconische momenten moesten nog geschreven worden. Maar het maakte niets uit. Wat ze wél had, bracht ze met een energie en een schaamteloze bravoure die de hele Kuip optilde. Ik dacht: dit is dus ordinair. Misschien had ik mijn ouders mee moeten nemen. Misschien juist niet. Want ergens halverwege het concert voelde ik dat ik, in een bus uit Den Helder, naast Monique, iets had meegenomen dat ik niet had verwacht. Het besef dat Madonna zich nergens voor schaamde. En dat ik dat zelf ook eens moest proberen.

Op de terugreis was de bus warm en loom. De adrenaline van de avond trok langzaam uit iedereen weg. Monique zat naast me en werd stiller. Op een bepaald moment zei ze zacht dat ze last had van flinke buikpijn. Maandelijkse ongemakken, noemde ze het. Op een manier die tegelijk nuchter en waardig klonk. Ik knikte begripvol en probeerde behulpzaam te zijn. Als enige jongen, opgegroeid tussen drie zussen, schrok ik daar niet zo van. Daarnaast zat ik nog in een fase waarin ik vooral deed alsof ik iemand was die ik niet was.

Terwijl zij probeerde een houding te vinden die wat verlichting gaf, keek ik naar buiten, naar het donker dat langs de ramen streek. En ergens daar, tussen Rotterdam en Schagen, dacht ik heel even dat een relatie met een man toch misschien eenvoudiger zou zijn. Niet beter, niet slechter, gewoon eenvoudiger. Een gedachte die toen fluisterde, maar later veel luider zou worden.

Monique glimlachte na een tijdje weer een beetje, al was het een vermoeide glimlach. We reden Den Helder binnen alsof de wereld klein was geworden, maar ik wist dat er die avond iets was opengegaan. Niet door Madonna. Niet door de Kuip. Maar door alles samen, en door mijzelf, die langzaam begon te ontdekken wie ik werkelijk was.

Hometown Glory

Het is de tweede zondagochtend van april en het ontbijt wordt deze zondagochtend iets vroeger klaargemaakt dan dat we gewend zijn. Vandaag staat er een hardloopwedstrijd op de agenda. Om 10:00 uur moeten we met de auto vanuit Almere vertrekken naar het hoge noorden in Noord-Holland, om daar op tijd te zijn wanneer het startschot om 12:00 wordt gelost voor de tien kilometer van ‘De Halve van Den Helder’.

Nadat we het ‘ontbijt op bed’ hebben genuttigd en een aflevering van Modern Family (voor de zoveelste keer) hebben gezien, stap ik onder de douche om hierna mezelf klaar te maken van de reis en het hardlooprondje dat me deze zondag te wachten staat. In een relaxt tempo trek ik de hardloopkleren aan. De compressiekousen trek ik pas in Den Helder aan, ik heb begrepen dat het niet goed is om deze sportkousen uren lang te lang te dragen.

Waar ik voorheen als een stresskip in een flipperkast door het huis rende, ben ik deze ochtend rustig. Eén van de -weinige- voordelen van het ouder worden. Even na 10:00 uur rijden we de straat uit, onderweg naar onze geboortestad. De zon begint voorzichtig door de bewolking te schijnen. Het belooft een dag van ‘zonnebrildragen’ te worden. Ondanks enkele wegwerkzaamheden onderweg komen we op tijd aan op het oude terrein van de Rijkswerf.

In de auto, op het parkeerterrein, trek ik mijn compressiekousen aan. De blessure die ik in februari heb opgelopen is nog niet over, en ik ben liever goed voorbereid dan dat ik achteraf spijt krijg. De altijd krachtige wind in Den Helder voelt fris aan en ik doe mijn jasje pas uit wanneer ik vijf minuten voor de start in het startvak ga staan. Hier staan inmiddels voldoende hardlopers, klaar voor de start.

Klokslag twaalf uur wordt het startsein gegeven en ik begin aan mijn run. Het sporthorloge en de hardloop-app zijn geactiveerd, klaar om de komende tien kilometer te registreren. Nadat we de oude Rijkswerf verlaten lopen we over de Westgracht in de luwte. Deze wordt al ras weggeblazen wanneer ik de Beatrixstraat inloop. Vanaf daar, via de Javalaan, tot in het Timorpark hebben we de wind tegen.

Inmiddels voel ik een pijntje in mijn linkerscheenbeen opkomen, maar ik loop stug (eigenwijs) door. Zoals altijd verleg ik het moment voor me uit, om eventueel verderop mijn kousen aan te passen. Dit lukt me, blijkt later, tot na de finish. Hoe meer ik loop hoe minder de pijn aanwezig is, maar wanneer we over het Kerkhofpad richting de Huisduinerweg lopen, voel ik dat mijn linkervoet begint te ‘slapen’. Het tintelende gevoel houdt aan.

Vanaf de Huisduinerweg, via de Grasweg, naar de vuurtoren heeft iedereen last van de aanhoudende, stevige tegenwind. Leunend tegen deze ferme wind loop ik richting het Schapendijkje. Ik weet inmiddels dat deze tien kilometer niet mijn snelste zullen zijn, en ik ben opgelucht dat ik nu even de wind in de rug heb. Nu ik ruim zeven kilometer heb gelopen, begint alle pijn langzaam te zakken en loop ik vrolijker over de dijk van Den Helder.

Wanneer we de dijk weer aflopen, naar de Kanaalweg, is het nog anderhalve kilometer te gaan tot de finish. Er is na acht kilometer eindelijk een toeschouwer die me persoonlijk aanmoedigt. Het publiek langs het parcours in Den Helder ervaar ik als eenkennig; wanneer ze je niet herkennen, kennen ze je niet. Gelukkig is dat op het terrein van de Rijkswerf iets anders en loop ik na 53 minuten met het luide gejuich van het publiek over de finish. Mijn eerste hardloopwedstrijd en medaille van dit jaar heb ik in de pocket.

Gedachten

De afgelopen weken was ik door familieomstandigheden vaak in mijn oude geboortestad Den Helder te vinden. Mijn moeder van 88 jaar, mocht haar intrek nemen in het verzorgingshuis Dyckzicht. Een thuis voor bewoners met een vorm van lichte dementie, zoals het verzorgingshuis het op haar website aan de bezoekers meldt. Dit hield in dat ik, in plaats van de reguliere familiebezoekmomenten, voor een langere periode in Den Helder aanwezig was.

De afgelopen jaren moest ik bij bezoek aan Den Helder een beroep doen op mijn geheugen, omdat al het nostalgische er niet meer aanwezig is (daar waar ik in de stad herinneringen heb opgedaan, is alles gesloopt), ben ik de weken op plaatsen geweest die er nog uitzagen zoals ik ze vroeger voor het laatst heb gezien. Zo fietste ik, samen met mijn zus Yvonne, door de diverse buurten waar ik allemaal herinneringen van 30 jaar geleden, of eerder, heb opgedaan. Toen ik vorige week woensdag door de Stakman Bossestraat reed was ik weer de tiener van toen en ervoer ik de herinnering van mijn jas, die in 1982 altijd zwaarder was door de vele buttons die ik erop had geprikt.

En zo kwam het dat tijdens het inrichten van mijn moeders nieuwe onderkomen en het verhuizen van haar oude inboedel dat ik constant met mijn gedachten in de vroege jaren 80 aanwezig was. De herinneringen aan de lp’s van Adam & the Ants, Culture Club en andere artiesten van toen, beantwoorde ik met afspeellijsten in Spotify. Tijdens het in elkaar zetten van de nieuwe linnenkast voor in mijn moeders nieuwe slaapkamer en tijdens het winkelen in mijn oude leefomgeving, schoten de herinneringen aan de oud-klasgenootjes en -collega’s door mijn hoofd, en dacht ik ineens aan de winkels in Den Helder van toen (zoals de niet meer bestaande stripwinkel Suske & Wiske aan de Middenweg en het bakkertje op de hoek Ooievaarstraat, Reigerstraat).

Ik vind het grappig dat je door de kleine ervaringen, evenwaardig aan die van vroeger, de herinneringen naar boven komen schieten en dan ook worden ervaren als een handeling die je de vorige dag nog gedaan zou kunnen hebben (terwijl dat voor mij ruim 35 jaar geleden is). Het blijft verwonderlijk hoe die hersenen van ons, ons ook zo voor de gek kunnen houden. Dat gebeurt niet alleen met de hersenen van mij, maar ook die van mijn moeder. Haar herinneringen van vroeger komen steeds vaker naar de voorgrond, waardoor ze het heden af en toe niet meer zo helder meemaakt.

Oudejaarsavond 1970

We zijn aangekomen aan het einde van het jaar en we worden weer overspoeld door diverse overzichten. Er zijn mensen op social media, die terugblikken over de afgelopen 12 maanden. Ik denk dan altijd: Het jaar is nog niet om. Er kan in die laatste dagen van het jaar nog van álles gebeuren. Je moet dag niet prijzen voordat de avond gevallen is. Pas op 1 januari 2019 wil ik terugblikken over het jaar 2018. En misschien dan ook nog niet eens.

De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog bijna 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik, als kleuter op Oudejaarsavond van dat jaar eerst in de avond naar bed moest. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Ja, het moet wel in 1970 zijn geweest, want ik was net 4 jaar oud geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn, want als ik ouder was geweest, had ik meer kunnen herinneren.

Ik denk me nu te herinneren dat familie uit Friesland op visite was, maar of dat tante Klaske en oom Simon uit Sneek waren of tante Jo en oom Hampie uit Heerenveen, dat weet ik niet meer. Als ik er nog eens over denk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren., en als dit zo was, dan waren vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een straat verderop aanwezig. Zij waren niet echt tante en oom, maar het was gebruikelijk om kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en ‘tante’ Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.

Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om de jaarwisseling en het vuurwerk te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam door de spanning van het moment of dat ik op gewoon nodig moest, maar in de badkamer ontsnapte er een drol, ter grootte van een kroket, al rollend over de badkamervloer. Mijn zussen gilden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, in gepaste dronkenschap de trap op kwam rennen. Geamuseerd bewonderde hij mijn kunstje. “Draytje kroket!”, riep mijn vader lachend. Verder kan ik me niets meer van deze Oudejaarsavond herinneren, maar de door mijn vader te enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog heel lang mogen aanhoren.