Kerstochtend

Ik kijk vanuit het badkamerraam naar buiten. Kerstochtend. Het huis is nog stil, alsof het zelf ook even uitslaapt. De wereld oogt helder en koud, zo’n kou die alles scherper maakt. Alsof de dag zichzelf heeft aangezet op standje extra contrast.

Over het trottoir loopt een jongeman. Of eigenlijk nog een tiener. Alleen. Zijn handen diep in zijn jaszakken, schouders iets opgetrokken. Hij loopt niet gehaast, maar doelgericht. Zijn schoenen vallen op. Hagelwitte Nikes, nog ongeschonden, alsof ze speciaal voor vandaag zijn aangetrokken. Schoenen die zeggen: ik ga ergens heen waar mensen zijn. Naar vrienden misschien. Familie. Dat hoop ik tenminste. Het is Kerstmis. Een mens hoeft niet alleen te zijn op deze dagen. Tenzij het een bewuste keuze is. Ook dat bestaat. Maar daar wil ik deze ochtend nog niet te lang bij stilstaan.

Even later zie ik verderop beweging op het Spoorbaanpad. Een man op leeftijd fietst langzaam voorbij. Hij zit rechtop, zoals oudere mannen dat doen, met een houding die verraadt dat hij al een leven lang fietst. Onder zijn arm draagt hij een sjoelbak. Niet achteloos, maar stevig geklemd, alsof hij weet dat dit geen alledaags vervoersobject is. Het is een prachtig beeld. Typisch Nederlands. Grote dingen op de fiets vervoeren zonder er verder een punt van te maken. We gaan geen auto huren. Geen aanhanger. Dat is allemaal gedoe. Dit kan zo ook.

De sjoelbak wiebelt een beetje bij elke pedaalslag. Ik hoop dat hij niet ver meer hoeft. Het is enorm koud buiten en hij heeft wind tegen. Dat zie je aan de lichte spanning in zijn gezicht, aan de manier waarop hij net iets harder trapt dan comfortabel is. Toch fietst hij door. Waarschijnlijk wacht er ergens een woonkamer met koffie, kerstkransjes en een tafel die net groot genoeg is om de sjoelbak op te zetten. Sjoelen is ook zoiets. Een spel dat nergens thuishoort en juist daarom overal. De Fransen noemen het niet voor niets billard hollandais. Alsof ze het niet konden laten ons daar even aan te herinneren.

Aan de overkant van het veld hobbelt een kat voorbij. Eerst lijkt hij geen last te hebben van de kou. Zijn staart fier omhoog, zijn pas zelfverzekerd. Maar na een paar meter verandert dat. Hij versnelt ongemerkt. Niet rennend, maar doelbewust sneller. Op weg naar wat ik aanneem zijn huis. Warmte wint het altijd van trots.

Ik blijf nog even staan bij het raam. Kerstochtend laat zich niet haasten. Buiten gaat iedereen ergens heen. Of juist naar binnen. Dat is genoeg om naar te kijken.