Beet!

Begin deze week las ik een bericht over een witte haai die in de Middellandse Zee was gefilmd. Niet in een aquarium, niet in een film, maar gewoon in zee. Dezelfde zee waar duizenden vakantiegangers deze zomer hun luchtbed opblazen, de snorkel opzetten en zorgeloos het water in lopen.

Dat zette me aan het denken.

Niet alleen omdat ik stiekem best wel bang ben voor haaien, maar ook omdat ik een ontzaglijk respect voor ze heb: voor hun kracht, hun snelheid en vooral voor het feit dat ze er veel beter thuishoren dan ik.

Deze zomer hopen Edo en ik weer naar Griekenland te gaan, en ik kijk daar nu al naar uit. De zon, de witte huisjes, het eten, de warme avonden. En niet onbelangrijk: ik heb goede hoop er een gezellig naaktstrandje te ontdekken. Zo’n strand waar niemand ergens van opkijkt en waar je zonder veel ceremonie de zee in loopt voor een verfrissende skinnydip.

Tenminste, dat was het plan.

Want sinds ik dat bericht over die witte haai heb gelezen, heeft mijn innerlijke stemmetje zich ermee bemoeid. En dat begint heel onschuldig.

“Je weet dat er witte haaien in de Middellandse Zee zwemmen?”
Ja, dat weet ik.
“Er is er laatst nog eentje gefilmd.”
Ook dat weet ik.
“Nou, dan zeg ik het maar even.”

Op het strand zal het ongetwijfeld weer gebeuren. Ik loop ontspannen richting zee, handdoek achtergelaten, geen mens in de buurt, het water helder en de temperatuur perfect. Ik zet een paar stappen in de golven.

Mijn innerlijke stemmetje ook.
“Kijk eens hoe ver je de bodem nog kunt zien.”
Inderdaad.
“En stel dat je de bodem ineens niet meer kunt zien?”

Daar gaan we alweer.

Het merkwaardige is dat ik witte haaien prachtige dieren vind: indrukwekkend, elegant en volkomen op hun plaats in de natuur. Ik gun ze een lang en gelukkig leven. Alleen hoeft dat leven van mij niet per se plaats te vinden in exact dezelfde baai waar ik op dat moment ongekleed sta te dobberen.

Rationeel weet ik dat de kans op een ontmoeting ongeveer nihil is. De Middellandse Zee is groot, witte haaien zijn zeldzaam, en de kans dat er eentje precies onder mijn favoriete Griekse strandje rondzwemt is waarschijnlijk kleiner dan de kans dat ik tijdens mijn vakantie een bekende uit Almere tegenkom. Maar probeer dat maar eens uit te leggen aan een innerlijk stemmetje.

Dus ja, ik ga deze zomer gewoon zwemmen. Natuurlijk ga ik dat doen, misschien zelfs op dat naaktstrandje. Maar voordat ik enthousiast de zee in loop voor een ontspannen skinnydip, blijf ik waarschijnlijk eerst even staan om naar de horizon te kijken. Gewoon om te controleren of er nergens zo’n driehoek uit de golven steekt.

Want vanaf dat moment is het geen Griekse zee meer. Dan is het ineens een Spielberg-film.

Bloot

Op Corfu, het zonnige eiland met zijn olijfbomen en krekels die van geen ophouden weten, ontdekte ik een klein strandje. Een naaktstrandje, zo’n paar kilometer wandelen van mijn eenvoudige accommodatie. In Nederland bezoek ik dit soort plekken wel vaker, dus nieuw is het allemaal niet. Maar toch: de geur van zout en hars, het Griekse licht dat anders valt dan thuis, het maakt het bezoek bijzonder.

Ik liep erheen langs stoffige wegen en een pad dat meer stenen dan zand kent. Eenmaal aangekomen moest ik glimlachen. Daar ligt het: een strook kiezel, een blauwe zee, en een handvol mensen die het textiel achter zich hebben gelaten. Er was iets ontwapenends aan. Alsof men hier het leven niet moeilijker wilde maken dan strikt noodzakelijk.

Niet dat ik me in mijn kleren gevangen voel. Een overhemd knelt mij niet, en een broek legt geen ketenen aan, maar toch… In mijn adamskostuum, daar aan de Ionische kust, ervaar ik een merkwaardige lichtheid. Alsof de zon directer toespreekt, alsof het water gulhartiger omsluit. Zittend in het zand, kijk ik wat naar de horizon, en vergeet dat er mensen om me heen zijn. Het is er niet om bekeken te worden, noch om zelf nieuwsgierig rond te gluren. Het is eerder een soort vanzelfsprekendheid: dit ben ik, en dat is genoeg.

Thuis, in Nederland is het niet anders. Daar waait dezelfde vrijheid door de duinen, al is de wind er wat guurder en het water minder mild. Toch voel ik hier, ver van huis, iets van hetzelfde geluk. Dat kleine, stille besef dat je niet méér nodig hebt dan zon, zee, en je eigen huid. Dat is misschien, denk ik, wel de grootste luxe die een mens zich kan veroorloven.