Er zijn van die momenten waarop de ironie zich zó perfect aandient dat je bijna denkt dat het leven gevoel voor humor heeft. Schrijf ik laatst nog dat het me waarschijnlijk nooit zou overkomen dat iemand mij in het echt zou aanspreken op een blog, gebeurt het dus gewoon wél. En natuurlijk niet naar aanleiding van een gezellig stukje over het Eurovisie Songfestival, hardlopen of het weer.

Nee, het ging om een blog waarin ik iemand niet bepaald vriendelijk had neergezet. Achteraf bezien misschien ook wel steviger dan nodig was. Maar goed, dat is het verraderlijke van schrijven achter een scherm. Je typt iets, leest het terug, grijnst tevreden om je eigen scherpte en denkt vervolgens dat het ergens oplost in de enorme digitale mist die het internet heet.
Hoe naïef van mij.
In mijn hoofd had ik hooguit een handjevol lezers. Een paar mensen verspreid door Nederland, misschien iemand in België, een verdwaalde lezer ergens aan de andere kant van de wereld. Dat idee gaf een bepaalde vrijheid. Alsof je iets mompelt aan een tafeltje achterin een café, zonder echt stil te staan bij wie er misschien allemaal meeluistert. Maar internet vergeet niet. En internet fluistert door.
Blijkbaar had mijn blog een groter bereik dan ik dacht. De persoon over wie ik schreef vertelde me dat iemand het nodig had gevonden om door te geven dat hij of zij onderwerp van het blog was geworden. Kennelijk zijn er mensen die daar genoegen uit halen. Niet uit oprechte bezorgdheid vermoed ik, maar meer vanuit dat typische menselijke mechanisme waarbij sommigen zichtbaar genieten wanneer ze iets doorvertellen dat ongemakkelijk, pijnlijk of confronterend is. Een moderne vorm van klikken. Hoe dan ook: het was hard binnengekomen.
En op dat moment verandert schrijven ineens. Dan is het niet langer een spits geformuleerde observatie waar jij zelf tevreden over bent. Dan zit er een echt mens tegenover je. Iemand van vlees en bloed die zich gekwetst voelt door iets dat jij, misschien iets te enthousiast, de wereld in hebt geslingerd.
Dus heb ik meteen mijn excuses aangeboden.
Want hoe graag ik ook schurend schrijf, en hoe leuk ik het ook vind om het randje op te zoeken, het moet niet ten koste gaan van iemands welzijn. Een scherpe column kan best een beetje prikken. Dat mag zelfs. Anders blijft er weinig meer over dan brave zinnen waar niemand iets bij voelt. Maar zodra het persoonlijk wordt, moet je jezelf wel afvragen waar precies de grens ligt tussen scherp observeren en iemand onnodig raken. Eerlijk gezegd vond ik achteraf dat ik daar overheen was gegaan.
Ik bood nogmaals mijn excuses aan en zegde toe het blog offline te halen. Dat is inmiddels gebeurd. Of het iets herstelt tussen mij en de persoon in kwestie weet ik niet. Misschien niet. Sommige dingen verdwijnen niet meteen omdat je sorry zegt. Maar ik vind wel dat wanneer je iemand kwetst, zeker op een manier waarop anderen diegene er vervolgens actief op wijzen, je op zijn minst de verantwoordelijkheid moet nemen om je excuses aan te bieden en het recht te zetten waar mogelijk. Bij deze dus ook nog een keer.
Toch bleef één gedachte daarna even door mijn hoofd spoken. Wat bezielt iemand eigenlijk om zo’n blog actief door te sturen of te melden? Want laten we eerlijk zijn: niemand doet dat volledig belangeloos. Er zit bijna altijd een bepaalde opwinding in. Het kleine genoegen van “kijk eens wat er over jou geschreven wordt”. Alsof sommige mensen liever lucifers uitdelen dan water.
Hoe dan ook wil ik scherp blijven schrijven. Ik wil nog steeds het randje opzoeken, omdat daar vaak de eerlijkste en interessantste observaties ontstaan. Maar niet meer ten koste van iemands persoon. Het mag schuren, het mag ongemakkelijk zijn, maar het hoeft niemand kapot te maken.