Karpathos

Gistermiddag zijn we weer in Nederland aangekomen. Na ruim een week Karpathos voelt het vreemd om wakker te worden zonder rammelende hoteldeuren, loeiende wind en een douche die zelf bepaalde welke temperatuur op dat moment passend was.

De vakantie begon vorige week maandag op een onchristelijk tijdstip. Om 04.30 uur reden we vanuit Almere naar Schiphol, waar we voor het eerst per bus naar het vliegtuig werden vervoerd. Na een paar minuten blauwbekken mochten we via een trap naar binnen. Vier uur later stonden we in de warmte en vooral de wind van Karpathos.

Ons eenvoudige hotel bleek een prima uitvalsbasis, al verdiende de douche geen schoonheidsprijs. De douchekop kon nergens worden opgehangen en de miezerige straal wisselde zonder waarschuwing van koud naar warm. Ook het ontbijtzaaltje was niet bepaald royaal bedeeld. Er stond een bordje met ‘yoghurt’, maar yoghurt hebben we nooit aangetroffen. Daarom ontbeten we al snel buiten de deur. Soms succesvol, zoals bij La Corte, en soms wat minder. Lauwe koffie en koude pancakes met ei en bacon blijken zelfs op een Grieks eiland geen goed begin van de dag.

Met onze Renault Clio ontdekten we een flink deel van Karpathos. We reden naar Olympos, waar toeristische winkeltjes ons naar de kerk boven in het stadje leidden. Onderweg bezochten we kapelletjes, waarbij ik bij één exemplaar bijna letterlijk tot God werd geroepen door een veel te lage deurpost. De Heer had kennelijk een dag bedenktijd nodig, want pas de volgende dag liep er na het douchen ineens een flinke straal bloed over mijn voorhoofd. Een soort stigmata wellicht? Ik heb het bloed gedept en daarna nergens meer last van gehad.

We zwommen in zee bij Frangolimiona Beach, wandelden door Finiki en bekeken in Arkasa een klokkentoren die sterk op een uitbundige Griekse bruidstaart leek. Ook reden we richting Avlona, over wegen waarop je vooral geen tegenliggers wilt tegenkomen. Uiteraard kwamen die wel. Bij een kerk met een rode koepel werden we opgewacht door een complete kudde geiten en bokken. Wij kwamen voor de kerk, maar buiten bleek de voltallige parochie al klaar te staan.

De wind was sowieso nadrukkelijk aanwezig. Soms klapperden ’s nachts de deuren van het hotel en bij Agios Konstantinos moest ik mijn iPhone met twee handen vasthouden om te voorkomen dat mijn vakantiefoto’s eerder thuis zouden zijn dan wij.

Ook culinair hebben we het nodige meegemaakt. We aten veel feta, souvlaki, mixed grill en stifado, en vrijwel dagelijks een ijsje. Bij Anemoussa gingen we één avond culinair vreemd. Edo bestelde spaghetti bolognese en kreeg tagliatelle al ragù, terwijl de bediening mijn bord al wilde afruimen toen hij nog zat te eten. Culinair vreemdgaan wordt dus inderdaad zelden positief beloond.

Tussen alle autoritten, maaltijden en siësta’s door zwom ik bijna iedere dag twintig baantjes. Op een van de laatste dagen werden het er veertig: precies één kilometer. Het beviel zo goed dat ik inmiddels een zwemabonnement in Almere heb afgesloten. Vanaf vanavond ga ik tweemaal per week baantjes trekken.

Behalve souvenirs, foto’s en een lichte feta-overdosis hebben we dus ook een nieuwe gewoonte mee naar huis genomen. Karpathos was soms rommelig, vaak winderig, behoorlijk steil en bovenal toch ook bijzonder aangenaam.

Yamas! En die eerste echte douche hebben we inmiddels gelukkig achter de rug.

Kapelletjes

Wie over Karpathos rijdt, hoeft niet lang te zoeken naar een teken van hogerhand. Sterker nog, je moet behoorlijk je best doen om er géén tegen te komen. Kerken, kerkjes en vooral kapelletjes staan werkelijk overal. In de dorpen, langs de weg, boven op een berg en soms op plekken waarvan je je afvraagt wie in hemelsnaam ooit heeft gedacht: dát is een handige plek voor een kapel.

Het belangrijkste geloof op Karpathos is het Grieks-orthodoxe christendom. Dat is niet iets wat een slimme reisorganisatie speciaal voor toeristen heeft bedacht om het eiland wat authentieker te laten ogen. Het christendom heeft hier heel oude papieren. Uit de vroegchristelijke periode, grofweg de vijfde en zesde eeuw, zijn op Karpathos resten van ongeveer twintig basilieken bekend. In de omgeving van Arkasa zijn er verschillende gevonden en ook bij Pigadia liggen de resten van Agia Fotini, een vroegchristelijke basiliek. Het geloof zit hier dus al een slordige vijftien eeuwen in het metselwerk.

In 1054 gingen de oosterse en westerse kerk ieder hun eigen weg. Wij in West-Europa raakten vooral vertrouwd met het rooms-katholicisme, terwijl Griekenland orthodox bleef. Toch kom je veel oude bekenden tegen. Agios Nikolaos is gewoon onze Sint-Nicolaas en Agios Georgios kennen wij als Sint-Joris. En dan is er Maria. Of beter gezegd: Panagia, de Alheilige. Die kom je op Karpathos werkelijk overal tegen. Veel kerken zijn aan haar gewijd en haar naam duikt voortdurend op wanneer je over het eiland rijdt.

Maar hoort dat geloof nog wel bij het moderne Karpathos? Volgens mij is het antwoord daarop duidelijk ja, al betekent dat natuurlijk niet dat iedere Karpathiër iedere zondagochtend keurig vooraan in de kerk zit. Religie is hier meer dan alleen kerkbezoek. Het is verweven met families, dorpen, feestdagen en tradities. Kerken zijn vaak gewijd aan een beschermheilige en op de feestdag van zo’n heilige wordt niet alleen gebeden, maar ook gegeten, muziek gemaakt en gedanst. De bekende panigýria zijn daardoor tegelijkertijd religieuze vieringen en dorpsfeesten. Geloof en het gewone leven lijken hier veel makkelijker naast elkaar te bestaan dan wij in het behoorlijk geseculariseerde Nederland gewend zijn.

En dan zijn er dus die kapelletjes. Heel veel kapelletjes. Een flink deel daarvan is verbonden aan families die ze verzorgen en onderhouden. Dat verklaart misschien waarom je ze aantreft op plaatsen waar geen weldenkend mens spontaan zou besluiten: weet je wat hier nog ontbreekt? Een kerk. Wij hebben er inmiddels tijdens onze autoritten aardig wat gezien. Soms groot en indrukwekkend, soms niet veel groter dan een schuurtje, maar bijna altijd witgekalkt en regelmatig op een plek waar het uitzicht minstens zo hemels is als de bestemming.

Ik begin zelfs te vermoeden dat er op Karpathos een bouwverordening bestaat die bepaalt dat wanneer twee geiten langer dan een kwartier op dezelfde plek blijven staan, er een kapelletje tussen moet worden gebouwd. En aangezien er hier óók behoorlijk veel geiten zijn, verklaart dat eigenlijk alles.

Karpathos mag dan smartphones, huurauto’s, wifi en cappuccino’s hebben, het verleden is hier nooit helemaal verdwenen. Het staat gewoon langs de kant van de weg. Met een kruis op het dak, een paar iconen achter de deur en meestal een uitzicht waarvoor zelfs een atheïst heel even stil wordt.

Alleen

De afgelopen dagen hebben we het twee keer gezien. Tijdens het eten zat er naast ons in het restaurant iemand alleen aan een tafeltje voor twee. Geen tweede glas, geen tas op de stoel tegenover zich en ook niemand die ieder moment van het toilet terug kon komen. Gewoon iemand die in zijn eentje uit eten was. Mijn eerste gedachte was beide keren ongeveer hetzelfde: sneu.

Dat is eigenlijk best vreemd. Want is iemand die alleen aan een tafeltje zit daarom per definitie zielig? Misschien vindt diegene het juist heerlijk. Misschien heeft hij of zij maandenlang uitgekeken naar een week zonder rekening te hoeven houden met een ander. Geen discussie over hoe laat er ontbeten wordt, welk strand vandaag aan de beurt is en of ze écht alweer naar datzelfde restaurant gaan. Alleen op vakantie betekent tenslotte ook dat niemand tegen je zegt: “Zullen we zo langzamerhand gaan?” Nee. Ik zit hier prima.

Toch merk ik dat mijn nieuwsgierigheid het al snel overneemt. Wat is het verhaal achter zo iemand? Misschien is er helemaal geen verhaal en zit daar iemand die gewoon graag alleen reist. Thuis een druk leven, veel mensen om zich heen en op vakantie eindelijk stilte. Een boek mee naar het restaurant, rustig iets drinken en kijken naar iedereen die voortdurend met elkaar overlegt. Maar in mijn hoofd ontstaan natuurlijk onmiddellijk andere scenario’s. Misschien ging hij vroeger altijd samen met iemand op vakantie en is die ander er niet meer. Misschien was Karpathos jarenlang hun eiland en heeft hij op een dag besloten toch terug te gaan. Niet omdat het gemakkelijk is, maar juist omdat alle mooie herinneringen daar liggen. Of misschien zit zij daar omdat een relatie een paar maanden geleden is stukgelopen. De vakantie was al geboekt, de vrije dagen waren geregeld en thuisblijven voelde alsof er nóg iets van haar was afgepakt. Dus ging ze gewoon. Alleen.

Misschien heeft iemand jarenlang gewacht op een reisgenoot. Een partner die nooit kwam, vrienden die geen tijd hadden of familieleden die liever ergens anders naartoe gingen. Tot het besef kwam dat wachten op iemand anders een uitstekende manier is om zelf nergens te komen. En misschien zit daar wel iemand die juist dolgelukkig is. Dat vind ik eigenlijk de mooiste mogelijkheid.

Wij zijn blijkbaar zo gewend aan het idee dat vakantie iets is wat je samen doet, dat iemand alleen aan een restauranttafeltje onmiddellijk opvalt. Twee mensen die zwijgend tegenover elkaar zitten en allebei op hun telefoon kijken, vinden we volkomen normaal. Eén persoon die rustig zit te eten en tevreden om zich heen kijkt, vinden we zielig. Als je erover nadenkt, is dat behoorlijk merkwaardig.

Kan ik zelf alleen op vakantie? Ja, dat denk ik eigenlijk wel. Maar dan zag mijn leven er ook anders uit. Was ik alleen en deelde ik mijn leven niet met een partner, dan liet ik mezelf beslist niet thuis zitten omdat er niemand was om mee op vakantie te gaan. Dan stapte ik waarschijnlijk net zo makkelijk alleen in het vliegtuig. Maar dat individuele leven heb ik niet en dat is voor mij gelukkig niet aan de orde. Ik vind het juist fijn om samen op reis te zijn, iets te kunnen aanwijzen en te zeggen: “Kijk daar eens.” Om samen herinneringen te maken waar je het jaren later nog over kunt hebben. En natuurlijk heb je iemand nodig om de schuld te geven wanneer je na een verkeerde afslag ineens boven op een berg staat.

Sinds ik die twee vakantiegangers alleen aan hun tafeltje zag zitten, kijk ik er toch anders naar. Misschien is alleen op vakantie gaan helemaal niet eenzaam. Misschien is het zelfs een vorm van vrijheid waar je behoorlijk wat lef voor nodig hebt. Naar een restaurant lopen en zonder enige gêne zeggen: “Een tafel voor één, graag.” En vervolgens gaan zitten alsof er helemaal niemand ontbreekt.

Omdat er misschien ook helemaal niemand ontbreekt.

Vakantiestress

Volgende week zijn we onderweg van Schiphol naar Griekenland. Als ik dit twintig jaar geleden had geschreven, was ik op dit moment waarschijnlijk al minstens twee weken bezig geweest met alles wat er eventueel mis zou kunnen gaan. Niet alleen met dingen die daadwerkelijk een probleem konden worden. Nee, dat zou te eenvoudig zijn geweest. Ik kon me ook uitstekend opfokken over zaken die helemaal niet van toepassing waren. Geef mij een vakantie in het vooruitzicht en ik bedacht zelf de problemen er wel bij.

Wat als de trein naar Schiphol niet reed? Wat als we te laat kwamen? Wat als mijn koffer te zwaar was? Had ik genoeg kleding bij me? Wat als ik iets belangrijks vergat? Vooral die laatste was handig. Je kunt je namelijk eindeloos zorgen maken over iets waarvan je nog niet weet wát je gaat vergeten. Er kwamen lijstjes. Vervolgens bedacht ik dingen die niet op het lijstje stonden. Die zette ik er alsnog op, waarna ik me begon af te vragen of er misschien nóg iets ontbrak. Voorpret, maar dan anders.

Hoe dichter de vertrekdatum naderde, hoe meer mijn hoofd zich ermee bemoeide. Het weer op de bestemming moest worden gecontroleerd. Niet één keer natuurlijk, want stel je voor dat het weer zich in de tussentijd bedacht. Reisdocumenten lagen gewoon waar ze hoorden te liggen. Toch konden ze kennelijk ieder moment spontaan verdwijnen. En de koffer moest het liefst dagen van tevoren klaarstaan. Vakantie was bedoeld om tot rust te komen. Daar moest blijkbaar eerst flink voor gewerkt worden.

Een voordeel van ouder worden, en dat mag ook weleens gezegd worden, is dat ik daar tegenwoordig veel minder last van heb. Het is volgende week pas zover en ik ben nog steeds opmerkelijk rustig. De koffer staat niet al twee weken geopend op bed. Ik controleer niet dagelijks of mijn paspoort nog steeds bestaat. Ik heb geen denkbeeldige vertragingen opgelost en lig niet wakker van zoekgeraakte bagage die op dit moment nog gewoon thuis ligt.

Er moet natuurlijk nog van alles gebeuren. De koffer moet worden ingepakt en er zullen ongetwijfeld nog wat laatste dingen in huis gehaald moeten worden. Maar dat hoeft vandaag niet, want we vertrekken pas volgende week. Het kan ook gewoon later. Misschien komt het door ervaring. Ik ben vaak genoeg op reis geweest om te weten dat er altijd wel iets anders loopt dan gepland. En dat het meestal gewoon wordt opgelost. Een vergeten tandenborstel is geen humanitaire ramp. Ze verkopen die dingen zelfs in Griekenland. En als een vliegtuig vertraging heeft, vertrekt het geen minuut eerder omdat ik daar thuis drie weken van tevoren alvast zenuwachtig over ben geweest.

Dat klinkt allemaal buitengewoon verstandig. Vroeger had ik het waarschijnlijk ook kunnen bedenken. Alleen had ik toen geen tijd. Ik moest me zorgen maken.

Nu ben ik zelfs twee dagen voor vertrek waarschijnlijk nog gewoon ontspannen. Althans, dat is de bedoeling. En wie weet? Misschien schiet ik straks alsnog volkomen ongefundeerd in de vakantiestress. Ik denk het niet, maar stel je voor. Dan heb ik in ieder geval wel meteen iets om me zorgen over te maken.

Verbinding

Onze reis naar Karpathos was zo geboekt. Een paar tikken op een mobiele telefoon, wat schuiven met vertrekdata, hotels vergelijken, reviews lezen en betalen. Klaar. De bevestiging zat vrijwel meteen in de mailbox. Geen reisbureau, geen dikke brochure en geen stapel papieren op tafel. Alleen een schermpje dat kleiner is dan de reisgidsen van vroeger.

Dat was ooit heel anders.

In 1997 gingen Edo en ik samen met mijn ouders naar Schotland. Een rondreis langs verschillende hotels, door een landschap dat we vooral kenden van foto’s en televisie. Het was toevallig ook het jaar waarin wij thuis internet kregen.

Internet klonk toen nog als iets uit de toekomst. Je maakte verbinding via de telefoonlijn, waarna de computer een reeks piepende en krakende geluiden liet horen. Zodra de verbinding tot stand was gekomen, kon er in huis niet meer worden gebeld. Dat vond niet iedereen even handig.

Voor onze reis zochten we op internet naar de verschillende hotels. Dat klinkt tegenwoordig als de gewoonste zaak van de wereld, maar voor ons was het iets bijzonders. Tot dat moment moest je het doen met een korte beschrijving in een brochure en misschien één kleine foto van de voorkant. Nu konden we thuis al zien waar we zouden slapen.

Tenminste, wanneer de pagina eindelijk verscheen.

Internet was tergend langzaam. Eerst kwam de tekst tevoorschijn, daarna stukje voor stukje de afbeeldingen. Soms bleef een foto halverwege steken en verscheen alleen het bovenste deel van een hotel. Het laden van een pagina duurde bijna langer dan tegenwoordig het inchecken en boarden op Schiphol. Toch bleven we geduldig naar het scherm kijken. Iedere nieuwe foto voelde als een kleine onthulling.

Ik voelde me een beetje als Harry Potter die voor het eerst kennismaakte met een compleet nieuwe wereld. Achter dat scherm bevonden zich opeens plekken waar wij naartoe zouden reizen. Schotse hotels, kastelen, dorpen en landschappen verschenen langzaam in onze woonkamer. Niet vloeiend en haarscherp, maar regel voor regel en pixel voor pixel.

Vanaf dat moment werd de wereld steeds kleiner.

Later kwamen snellere verbindingen, zoekmachines, boekingssites en digitale kaarten. Inmiddels kun je voor vertrek bijna alles bekijken. Je loopt via Street View alvast door de straat, leest wat eerdere gasten van het ontbijt vonden en zoekt uit aan welke kant van het hotel de zon opkomt. Je kunt zelfs vooraf ongeveer zien hoe de transferbus vanaf het vliegveld zal rijden.

Dat maakt reizen gemakkelijker. We hoefden voor Karpathos niemand te spreken en nergens heen te reizen. De volledige vakantie paste in mijn hand.

Toch is er ook iets veranderd. Vroeger zag je een hotel vaak pas echt wanneer de bus ervoor stopte. Je stapte uit, keek omhoog en dacht: dus hier zijn we. Nu herken je de entree soms al voordat de chauffeur de koffers uitlaadt.

De wereld is kleiner geworden, maar ook voorspelbaarder.

Misschien was die trage internetverbinding in 1997 daarom zo bijzonder. We kregen nog maar kleine stukjes van onze bestemming te zien. Net genoeg om nieuwsgierig te worden, maar te weinig om alle verrassingen weg te nemen.

En misschien begon de reis toen al. Niet op Schiphol, maar thuis, terwijl we geduldig wachtten tot het onderste deel van een Schots hotel eindelijk op het scherm verscheen.

Karpathos

Afgelopen maandagavond, iets later dan verstandig was, klikten we definitief op ‘Boeken’. Bestemming: Karpathos, Griekenland. Op dat moment voelde het alsof de vakantie eigenlijk al begonnen was. De koffers staan nog gewoon op zolder en het duurt nog weken voordat het vliegtuig opstijgt, maar in gedachten wandel ik al door Griekse straatjes en kijk ik uit over een azuurblauwe baai.

Voorpret is misschien wel de mooiste helft van een vakantie. Je ziet een foto van een verlaten strandje en denkt: daar lig ik straks met mijn handdoek. Je leest over een sfeervol bergdorpje en fantaseert al over een wandeling door smalle straatjes waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Voor je het weet heb je tientallen tabbladen openstaan met strandjes, uitzichtpunten en gezellige tavernes waar volgens bezoekers de beste moussaka of de lekkerste gegrilde octopus wordt geserveerd.

Dat eten is natuurlijk niet onbelangrijk. Sterker nog, voor mij hoort goed eten gewoon bij vakantie. Geen haast, geen boterham achter je bureau, maar uitgebreid genieten. Een Griekse salade die nog echt naar tomaat smaakt. Versgebakken brood. Tzatziki waarbij je het schaaltje het liefst zou aflikken. Een glas wijn of een koud biertje erbij en de vakantie voelt compleet.

En dan die avonden. De zon is net achter de horizon verdwenen, de warmte hangt nog aangenaam in de lucht en je zoekt een terrasje uit. Mensen kijken. Een beetje praten. Misschien nog een ijsje halen. Je hebt nergens haast voor. Niemand kijkt op zijn horloge. Het enige dat telt is dat het gezellig is.

Ook thuis begint de voorbereiding langzaam vorm te krijgen. Welke boeken mogen mee? Dat blijft elk jaar weer een uitdaging. Je wilt voldoende keuze hebben, maar ook weer niet de halve bibliotheek meeslepen. Gelukkig past er tegenwoordig een hele bibliotheek op een e-reader. Daarnaast download ik alvast een paar films op de iPad. De kans is groot dat ik er helemaal niet naar kijk, maar het idee dat ze klaarstaan voor een luie middag of een lange vlucht geeft een merkwaardig gerust gevoel.

Misschien is dat wel het mooiste aan vakantie: de vrijheid om niets te hoeven doen. Geen wekker. Geen agenda. Geen lijstjes die afgewerkt moeten worden. Uitslapen als je daar zin in hebt. Of juist vroeg opstaan omdat de ochtendzon zo mooi is. Een stranddag inruilen voor een autoritje over het eiland. Of andersom. Alles mag, niets hoeft.

In het dagelijks leven zijn we vaak druk met plannen, afspraken en verplichtingen. Vakantie zet dat allemaal even op pauze. Je hoeft even nergens naartoe, behalve naar waar je zelf zin in hebt.

Karpathos ligt nog even voor ons. Maar in gedachten heb ik al een eerste duik genomen, een paar heerlijke maaltijden gegeten, een stapel boeken verslonden en uren op een terras gezeten terwijl de avond langzaam over het eiland viel.

En misschien is dát wel de echte luxe van een vakantie. Niet alleen de bestemming, maar vooral het heerlijke besef dat er straks een week is waarin helemaal niets moet. Alleen genieten.

Beet!

Begin deze week las ik een bericht over een witte haai die in de Middellandse Zee was gefilmd. Niet in een aquarium, niet in een film, maar gewoon in zee. Dezelfde zee waar duizenden vakantiegangers deze zomer hun luchtbed opblazen, de snorkel opzetten en zorgeloos het water in lopen.

Dat zette me aan het denken.

Niet alleen omdat ik stiekem best wel bang ben voor haaien, maar ook omdat ik een ontzaglijk respect voor ze heb: voor hun kracht, hun snelheid en vooral voor het feit dat ze er veel beter thuishoren dan ik.

Deze zomer hopen Edo en ik weer naar Griekenland te gaan, en ik kijk daar nu al naar uit. De zon, de witte huisjes, het eten, de warme avonden. En niet onbelangrijk: ik heb goede hoop er een gezellig naaktstrandje te ontdekken. Zo’n strand waar niemand ergens van opkijkt en waar je zonder veel ceremonie de zee in loopt voor een verfrissende skinnydip.

Tenminste, dat was het plan.

Want sinds ik dat bericht over die witte haai heb gelezen, heeft mijn innerlijke stemmetje zich ermee bemoeid. En dat begint heel onschuldig.

“Je weet dat er witte haaien in de Middellandse Zee zwemmen?”
Ja, dat weet ik.
“Er is er laatst nog eentje gefilmd.”
Ook dat weet ik.
“Nou, dan zeg ik het maar even.”

Op het strand zal het ongetwijfeld weer gebeuren. Ik loop ontspannen richting zee, handdoek achtergelaten, geen mens in de buurt, het water helder en de temperatuur perfect. Ik zet een paar stappen in de golven.

Mijn innerlijke stemmetje ook.
“Kijk eens hoe ver je de bodem nog kunt zien.”
Inderdaad.
“En stel dat je de bodem ineens niet meer kunt zien?”

Daar gaan we alweer.

Het merkwaardige is dat ik witte haaien prachtige dieren vind: indrukwekkend, elegant en volkomen op hun plaats in de natuur. Ik gun ze een lang en gelukkig leven. Alleen hoeft dat leven van mij niet per se plaats te vinden in exact dezelfde baai waar ik op dat moment ongekleed sta te dobberen.

Rationeel weet ik dat de kans op een ontmoeting ongeveer nihil is. De Middellandse Zee is groot, witte haaien zijn zeldzaam, en de kans dat er eentje precies onder mijn favoriete Griekse strandje rondzwemt is waarschijnlijk kleiner dan de kans dat ik tijdens mijn vakantie een bekende uit Almere tegenkom. Maar probeer dat maar eens uit te leggen aan een innerlijk stemmetje.

Dus ja, ik ga deze zomer gewoon zwemmen. Natuurlijk ga ik dat doen, misschien zelfs op dat naaktstrandje. Maar voordat ik enthousiast de zee in loop voor een ontspannen skinnydip, blijf ik waarschijnlijk eerst even staan om naar de horizon te kijken. Gewoon om te controleren of er nergens zo’n driehoek uit de golven steekt.

Want vanaf dat moment is het geen Griekse zee meer. Dan is het ineens een Spielberg-film.

Weemoed

Er is een bepaald soort weemoed dat zich niet aankondigt met trompetgeschal. Het komt niet binnen als een drama. Het schuifelt naar binnen, gaat ergens zitten en zegt niets. Je merkt het pas als je ’s ochtends wakker wordt, in Nederland, terwijl de regen horizontaal lijkt te vallen. Het begint meestal een dag na thuiskomst.

In Toscane was alles eenvoudig. Dat is misschien wel het verraderlijke eraan. Je stond op, deed niets bijzonders, en toch voelde de dag als een cadeautje. De zon was er gewoon. Alsof iemand hem speciaal voor jou had aangezet en daarna vergeten was hem weer uit te doen. Je liep naar een pleintje dat er al honderden jaren lag en bestelde een caffè pistachio. Alleen al de naam maakte dat je bleef zitten.

Lunch was geen onderbreking van de dag, maar de dag zelf. Een tafeltje, een karaf bronwater, koel en helder, met van die kleine druppels aan de buitenkant van het glas. En die koffie dus, zachtgroen bijna, lichtzoet, iets romigs, iets dat nergens om vroeg en toch alles gaf. Je keek naar mensen die ook zaten te kijken. Er gebeurde niets en dat was precies de bedoeling.

En dan nu. Een woensdagmorgen die al moe begint. De lucht heeft de kleur van een oude krant. De wind trekt aan je jas alsof hij iets van plan is. Op kantoor ruikt het naar natte jassen en koffie die al te lang op de plaat staat. Je opent je mailbox en daar is hij weer: de wereld zoals hij blijkbaar hoort te zijn. Afspraken, herinneringen, kleine verzoeken die nooit klein blijven.

Het is niet dat het hier slecht is. Dat is het verwarrende. Nederland doet gewoon zijn ding. Collega’s zijn vriendelijk. De koffie is prima, maar hij is geen caffè pistachio. Dat is het probleem misschien. Hij doet wat hij moet doen, maar hij blijft koffie.

Je denkt aan dat terras. Niet eens aan iets spectaculairs. Geen groot uitzicht, geen dramatische zonsondergang. Gewoon dat tafeltje, een beetje scheef misschien, met een glas dat een kringetje achterlaat. Het bronwater dat je niet dronk omdat je dorst had, maar omdat het er was. Omdat het hoorde bij zitten. Bij blijven.

Hier kijkt de klok je aan. Niet vijandig, maar wel nadrukkelijk. Alsof hij wil zeggen: we gaan door, of je het nu leuk vindt of niet. ‘s Middags, als de regen nog steeds niet heeft opgegeven, vraag je je af hoe dat kan. Dat je daar zo moeiteloos in een ritme gleed dat eigenlijk nergens over ging, en dat je hier zo hard moet werken om iets eenvoudigs vast te houden. Een gevoel, een rust, al is het maar voor even.

Misschien zit het hem in dat water. In de vanzelfsprekendheid ervan. In het feit dat je daar niets hoefde toe te voegen om het goed te laten zijn. Geen haast, geen plan. Alleen een glas dat af en toe werd bijgevuld.

Aan het eind van de dag reis je weer naar huis. De regen is iets minder geworden, maar hij is er nog. Je stapt de voordeur door, hangt je jas op, en ergens, heel even, denk je: morgen ga ik het anders doen. Rustiger. Minder haast. Maar je weet ook dat morgen gewoon donderdag is. En toch, heel even, bij het inschenken van een glas water, zie je dat Toscaanse tafeltje weer voor je. Met die caffè pistachio en dat koele bronwater. Het staat er nog. Het wacht nergens op. Misschien is dat het. Dat het daar gewoon doorgaat, zonder jou.

Voorpret

Een paar dagen geleden hebben we een weekend naar Pisa geboekt. Niet zomaar een stad, niet zomaar een reis. Pisa, met z’n scheve toren, z’n pleinen, z’n gelato en z’n zonlicht dat eind maart al een beetje naar zomer ruikt. Edo en ik gaan, samen met twee familieleden, Diana en Marcel, die Italië niet alleen bewonderen, maar aanbidden. Toscane in het bijzonder. Ze kennen de streek volgens mij als hun broekzak, praten over cipressen alsof het oude vrienden zijn, en het zal me niet verbazen als ze blind een Chianti Classico herkennen aan alleen al de geur.

Het idee ontstond eind vorig jaar, bij een etentje in een Italiaans restaurant in Amstelveen. Zo’n warme Italiaanse plek met een ober die buonasera zegt omdat hij het meent, en waar een rode wijn altijd een vino eccellente is. We zaten daar, met volle glazen en volle magen, en nichtje Diana zei: “Zouden jullie het leuk vinden om volgend jaar maart mee naar Pisa te gaan?” Vaak blijven vragen als deze in de lucht hangen, zwevend tussen een espresso en de rekening. Maar deze keer niet. Deze keer hebben we woord bij daad gevoegd. Al duurde het nog maanden voordat de boeking er daadwerkelijk kwam.

We gaan wanneer de lente aanbreekt. Eind maart. De maand waarin alles begint te ruiken naar belofte. Ik reken een beetje op mooi weer. Niet te warm, niet te koud. Een jas over de schouder, een zonnebril op het hoofd. Wandelen door smalle straatjes, verdwalen zonder spijt. Pisa schijnt daar uitermate geschikt voor te zijn. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen grote stad, eerder een compacte verzameling geschiedenis, waar je in een middag van de Arno naar de beroemde Piazza dei Miracoli kunt lopen. Dat plein alleen al: een kathedraal, een doopkapel, een begraafplaats en die ene toren die iedereen kent, maar die eigenlijk pas later beroemd werd omdat hij per ongeluk begon te verzakken.

Wat ik prettig vind, is dat Pisa meer is dan alleen die scheve toren. Ooit was het een machtige zeehandelstad, een rivaal van Genua en Venetië. Galileo Galilei werd er geboren, al zal hij dat zelf waarschijnlijk niet zo interessant hebben gevonden. Tegenwoordig is het ook een universiteitsstad, met studenten, boekwinkels en cafés waar je vermoedelijk beter zit dan in de schaduw van selfiesticks.

We gaan zeer milieu-onbewust met het vliegtuig, dat wel. Ik weet het. Maar de trein was duurder en ingewikkelder. Eerlijk gezegd hebben we daar niet eens serieus naar gekeken. Vliegen heeft iets van een sprong. Een snelle beslissing. Je stapt in en even later sta je ergens waar de koffie anders smaakt.

We gaan. Dat is het belangrijkste. We hebben geboekt. En dat is al een beetje reizen. Voorpret vind ik minstens zo belangrijk als de trip zelf. Want soms begint een reis niet bij aankomst, maar al bij het idee dat ergens, in Pisa, alles rustig op ons staat te wachten.

Bloot

Op Corfu, het zonnige eiland met zijn olijfbomen en krekels die van geen ophouden weten, ontdekte ik een klein strandje. Een naaktstrandje, zo’n paar kilometer wandelen van mijn eenvoudige accommodatie. In Nederland bezoek ik dit soort plekken wel vaker, dus nieuw is het allemaal niet. Maar toch: de geur van zout en hars, het Griekse licht dat anders valt dan thuis, het maakt het bezoek bijzonder.

Ik liep erheen langs stoffige wegen en een pad dat meer stenen dan zand kent. Eenmaal aangekomen moest ik glimlachen. Daar ligt het: een strook kiezel, een blauwe zee, en een handvol mensen die het textiel achter zich hebben gelaten. Er was iets ontwapenends aan. Alsof men hier het leven niet moeilijker wilde maken dan strikt noodzakelijk.

Niet dat ik me in mijn kleren gevangen voel. Een overhemd knelt mij niet, en een broek legt geen ketenen aan, maar toch… In mijn adamskostuum, daar aan de Ionische kust, ervaar ik een merkwaardige lichtheid. Alsof de zon directer toespreekt, alsof het water gulhartiger omsluit. Zittend in het zand, kijk ik wat naar de horizon, en vergeet dat er mensen om me heen zijn. Het is er niet om bekeken te worden, noch om zelf nieuwsgierig rond te gluren. Het is eerder een soort vanzelfsprekendheid: dit ben ik, en dat is genoeg.

Thuis, in Nederland is het niet anders. Daar waait dezelfde vrijheid door de duinen, al is de wind er wat guurder en het water minder mild. Toch voel ik hier, ver van huis, iets van hetzelfde geluk. Dat kleine, stille besef dat je niet méér nodig hebt dan zon, zee, en je eigen huid. Dat is misschien, denk ik, wel de grootste luxe die een mens zich kan veroorloven.

Aanwezigen

We zitten nu een paar dagen op het Griekse eiland Samos, vlak bij de oudste Europese haven in Pythagoreio, de geboorteplaats van Pythagoras (wiskundige: a² + b² = c²) en Epicurus (filosoof: ‘De dood gaat ons niet aan’). Na vier dagen relaxen bij het zwembad zijn we aardig gewend aan dit actieve vakantieleven. Ineens níéts doen kan heel vermoeiend zijn. Ik heb er overuren aan slaap aan overgehouden.

Ons verblijf ligt een beetje afgelegen, ver weg van alles wat zogenaamd “dichtbij” ligt. Voor een bezoek aan een dorpje of een winkeltje ben je toch al gauw drie kwartier aan de wandel. Daarom blijven we meestal ‘thuis’ bij ons hotel, samen met de andere hotelgasten. Zij komen voornamelijk uit Scandinavië, met een paar Vlamingen en hier en daar een Nederlander. Heel gemoedelijk en rustig.

Totdat het gezin uit de buurt van Rotterdam zich meldt. Vader, moeder en hun dochter van net geen twintig laten onbedoeld weten dat zij op het eiland zijn gearriveerd, en de rust is op slag verdwenen. De moeder heeft een stem die de opstijgende vliegtuigen van het vliegveld verderop met gemak overstemt. Daarbij delen ze ook nog álles wat ze gaan doen.

‘Ik ga nu even mijn luchtbedje halen.’
‘Dat is goed. Ik ga de buurvrouw even appen dat we er zijn.’
‘Doe d’r de groetjes. Ik ga straks het water in.’
En dat gaat zo maar door.

Maar daar blijft het niet bij: ze denken ook alles te wéten. Ze zijn nog geen twintig minuten bij het hotel of moeder weet al zeker dat het pad naar het strandje “een klein stukje lopen” is (wat absoluut niet waar is). En de dochter — met een stem alsof ze zojuist acht slagroompatronen heeft geïnhaleerd — vindt alles “super!”. Behalve wat haar vader zegt. Hij is inmiddels al weggebonjourd naar een andere parasol. Wanneer hij meer dan eens een vraag stelt, wordt dat door beide dames beantwoord met een lacherige ‘wat-moet-je-nou?’

Wanneer ík die vader was geweest, had ik een auto gehuurd en was ik meteen met beide wijven hier op het eiland een ravijn ingereden. Daarmee kom je in Nederland óók nog eens in het nieuws; vinden vrouw en kind hartstikke leuk! Maar nee, vader houdt zijn mond en lacht mee met de ongrappige grollen. Moeder beslist dat ze met z’n allen iets gaan eten bij de poolbar. Al weet ze nu al dat er niet veel keuze naar haar smaak zal zijn. De dochter denkt hetzelfde, en de vader houdt wijselijk zijn mond.

Bij terugkomst van de poolbar is moeder, vanzelfsprekend, aan het woord. Ze wilde graag naar het strandje lopen, maar haar hoofdpijn is teruggekomen. Die van mij nu ook. Ondanks die hoofdpijn tettert ze vrolijk verder en besluit ze tóch met de dochter het pad naar het lagergelegen strandje te bewandelen. Ik blijf zeker bij het zwembad zitten, want ik wil, nee, ik móet, straks hun verslag horen. Dat pad is namelijk geen wandelpad: in een steile gang naar beneden loop je over losse keien, langs gevaarlijke prikkelbosjes.

Ik hoef niet lang te wachten. Na nog geen tien minuten zijn ze terug.
‘Dat is niet te doen!’ roept ze naar haar man.
‘Nee, belachelijk,’ voegt de dochter toe.
Moeder wil de huurauto een dag naar voren verplaatsen, want ze is “echt geen zwembadmens”. Waarop de dochter toevoegt dat haar moeder “een echt strandmens” is.

Ik glimlach stiekem om zóveel zelfgecreëerd drama en denk aan een citaat van de filosoof die hier duizenden jaren geleden werd geboren: ‘De mens moet teleurgesteld worden in de kleine dingen van het leven, voordat hij de volle waarde van het grotere kan beseffen.’
Ja, Epicurus kon het goed zeggen. Hij wel.

Lourdes en Luz St. Sauveur

Hieronder een dag beschreven in ons vakantiedagboek van een drieweekse vakantietrip door Zuid-Frankrijk, 17 jaar geleden. De intentie is er om deze dagboeken digitaal online te plaatsen.

Zondag. 15 juli 2001, dag 6. Zuid-Frankrijk.

Vanochtend vroeg wederom met aanhoudende regen wakker geworden. Vandaag vertrekken we naar een andere camping. We wilden alles zo snel mogelijk inpakken en het is best moeilijk om spullen snel in te pakken met een paraplu in je hand. Doe dat maar eens vlot. Toen Edo een volle krat met boodschappen achter in de auto wilde inladen, brak het kratje. Resultaat: Alles, zoals hagelslag, pindakaas en dergelijke ontbijtspullen in de modder, en net toen alles in de auto was ingeladen, stopte het met regenen en brak het zonnetje door. Zoiets verzin je gewoon niet. *zucht*

Om 09:50 uur konden we dan eindelijk weg. Op naar de volgende camping in Luz Saint Sauveur, in plaats van dat we in een keer doorreden, hebben we een tussenstop gehad in Lourdes. Het bedevaartsoord voor bijna alle goedgelovigen. Hier aangekomen gingen we meten door naar de wereldberoemde grot waar Sint Bernadette de heilige maagd Maria heeft zien verschijnen (als je dat ook gelooft). Eigenlijk lijkt heel Lourdes op een soort circus of kermis. Mensen van allerlei allooi. Druk met jerrycans. Zoveel mogelijk willen vullen met het heilige water dat via het waternet naar de diverse kranen wordt geleid. Een bronnetje kan niet zo veel liters produceren. Dat geloof ik.

Aan een kant heel triest, maar ook heel mooi dat mensen er kracht uit putten en hoop houden. Verder is Lourdes een enorm religieus, maar vooral commercieel centrum. Mij hoor je niet klagen, want ik hou wel van theologische kunst. Ik heb vandaag dan ook genoeg geld uitgegeven aan divers Jezusmateriaal: Rozenkransjes, bidprentjes en nog meer prullaria. Voldaan van het winkelen gingen we terug naar de auto om onze reis voort te zetten naar de camping.

Nadat we nog geen half uur Lourdes hadden verlaten, werden we hartelijk begroet door mevrouw Zena van Eurocamp. Ze moest ons wel even melden dat we beter geen lokaal water konden drinken. Het plaatselijke water bevat sporen van cyaankali. Hoe interessant is dat? Het is niet dat je bij 1 slokje water meteen dood neervalt, maar constante inname is niet bevorderlijk voor de gezondheid. Van een heilig water naar onheilig water. ‘s-Avonds zijn we naar de plaatselijke pizzeria (Chez Christine) geweest, en het is nog steeds droog hier. Na dagen van aanhoudende regen is dit wel heel aangenaam!