Goede Buren

De buurman stond donderdagavond aan de deur. Dat weet ik, omdat hij later nog ter sprake kwam. Zelf was ik er niet bij. Ik lag in bad. Dat gebeurt niet vaak meer, baden. Het is een bezigheid uit een ander tijdperk, toen men nog niet voortdurend bereikbaar hoefde te zijn voor mensen die men nauwelijks kent.

In bad ben je alleen. Dat is tegenwoordig een luxe. Geen radio, geen televisie, geen telefoon. Alleen water dat langzaam stijgt en de geur van lavendel, die altijd iets belooft wat hij nooit helemaal waarmaakt. Terwijl het bad volloopt, maak ik steevast dezelfde afweging: neem ik een boek mee of vertrouw ik erop dat mijn gedachten zich rustig zullen gedragen. Ze doen dat zelden. Donderdagavond nam ik daarom een boek. Het eerste deel van Harry Potter. Vluchten moet je goed doen, vind ik.

Beneden deed Edo open. De buurman van een paar huizen verderop stond daar met een pak kattenvoer in zijn handen.

‘Is je kat dood?’ vroeg Edo.

Het was geen vraag waar veel ruimte in zat, maar dat bleek ook niet nodig. De buurman knikte. Ja, de kat was dood. Op. Het diertje had zijn best gedaan, maar het was genoeg geweest.

Het was een Siamees, zo’n kat die altijd klinkt alsof hij bezwaar maakt tegen de wereld. Hij kwam vaak in onze achtertuin, liep daar rond met een zekere vanzelfsprekendheid en liet zich horen. Niet subtiel. Wanneer ik hem per ongeluk te dicht naderde, klonk het alsof het precies twaalf uur was, op de eerste maandag van de maand. Je stond er altijd even van te kijken, zelfs als je het verwachtte.

Het was deze week al de tweede buur die zich aan de voordeur meldde. Een paar dagen eerder belde de Chinese buurvrouw van nummer 57 aan. Dit keer zat Edo in bad en ik op de bank, met Netflix aan, half aanwezig. De deurbel ging. Hard, zoals altijd. Zo hard dat je zelfs schrikt wanneer je zelf aanbelt. Mopperend liep ik naar de deur. Wie belt er ’s avonds nog aan, dacht ik, zonder echt een antwoord te verwachten.

Ik deed open en zag niemand. Pas toen ik naar beneden keek, zag ik haar. Ze glimlachte. Dat doet ze altijd.

‘Goedenavond, buurman,’ zei ze. ‘Ik heb boontjes. Wilt u dat hebben?’

In beide handen hield ze een portie sperziebonen omhoog, alsof ze iets kostbaars overdroeg.

Mij is ooit geleerd dat je een gegeven paard niet in de mond kijkt en dat je beter eerst ja kunt zeggen. Wie te vaak nee zegt, staat op een dag met lege handen. Dus ik zei ja. De boontjes kwamen uit haar voortuin. Dat wist ik. Alles wat daar groeit, is automatisch biologisch, al heeft het daar zelf geen weet van.

Na een kort praatje ging ik weer naar binnen, met de bonen. De volgende dag aten we ze. Dat leek logisch. Ze smaakten goed.

Zo had deze week zijn eigen kleine gebeurtenissen. Een kat die ophield met klagen. Een buurvrouw met boontjes. Een bad waarin ik lag, terwijl beneden het leven gewoon aanbeldde. Het zijn geen grote dingen. Maar soms zijn het precies de kleine dingen die even blijven hangen.

2 gedachtes over “Goede Buren

U mag reageren.