Donker

Wintertijd. De klok is het vorige weekend een uur teruggezet, dus we kunnen niet meer ’s-avonds een uurtje langer van het daglicht genieten. Dat merk ik ook meteen met het hardlopen. Vorige week deed ik na thuiskomst van het werk mijn hardloopkloffie aan, en daar waar ik vorige week nog hardlopend van een ondergaande zon kon genieten, loop ik nu in de vroege avond al in de schemering te hardlopen. Gelukkig heb ik voldoende hardloopverlichting om te dragen, zodat de andere bewoners van Almere mij als een hysterisch opgetuigde kerstboom kunnen zien hardlopen. Veiligheid voor alles!

Tijdens de laatste kilometer van mijn rondje eindig ik bij de Leeghwaterplas in Almere. Ik loop op een stukje grasveld van het Bos der Onverzettelijken, langs het water, richting Randstad. Het grasveld wordt vaak gebruikt door mensen die hun hond uitlaten of door de fanatieke sporters, want langs het smalle pad staan diverse fitnessapparaten. Het is inmiddels al aardig donker en vanaf het water drijft er een lichte mist het land op. Waarschijnlijk komt het door de verlichting van de overkant van het water, maar de nevel krijgt hierdoor een spookachtig effect. Het kruipt langzaam naar het pad waar ik wandel.

Ik kijk op het scherm van mijn mobieltje naar mijn gelopen tijd. Ik ben tevreden met mijn prestatie. Door het schijnsel van mijn telefoonscherm zie ik niet alles helder om mij heen, maar ik zie duidelijk een donkere schim bij het water. Het lijkt om een menselijk figuur. Ik denk er verder niet bij na, tot ik opeens mijn naam hoor roepen. Ik kijk om me heen, maar zie landinwaarts alleen maar het zwarte van het bos en verder is inmiddels alles gehuld in mist. Ik kijk achterom en zie niks. Wanneer ik weer voor mij uitkijk zie ik de donkere schim voor mij staan.

Het lijkt op een vrouw. Ze heeft halflang en nat haar, alsof ze net onder douche is gestapt en ze draagt een witte toga. Het lijkt als ze zojuist van een of ander themafeestje komt. De stof plakt nat op haar blote lichaam. Ik kijk naar het magere, vermoeide gezicht en ze opent haar mond. Zonder te praten kermt ze klagelijk. Ik wacht niet op wat er kan gebeuren en ren heel snel langs haar weg, richting het bos. Richting de woonwijken. Heel even kijk ik achterom en ik zie niets meer. Het is vast mijn verbeelding. Even rust ik met mijn handen op mijn knieën en voorovergebogen tuur ik naar de plek waarvan ik vandaan kom. Ik zie niets, behalve een lichte nevel in het donker.

Ik draai me weer om. Ik wil thuis zijn. In rap tempo loop ik richting het bedrijventerrein  even verderop. Ik moet door een kleine bebossing en ik zie in de verte het oranje licht van een straatlantaarn door de mist schijnen. Ik ren richting de verlichting van de stad, en moet nog een paar meter tussen de bomen door rennen. Dan voel ik een klap tegen mijn rechterschouder en ik verlies mijn evenwicht. Ik val op mijn kont. De natte herfstbladeren kleven aan mijn handen. Bij de lantaarnpaal zie ik de vrouw met open mond weer staan. Ze jammert zonder geluid. Om mij heen bewegen verschillende schaduwen en ik voel dat onzichtbare handen me bij mijn schouders grijpen.

Schreeuwend sta ik op. Ik glij een paar keer uit, maar loop dan toch snel verder. De vrouw staat niet meer bij de lantaarnpaal. Ik haal opgelucht adem en ren door, door naar huis. Dan zie ik de vrouw naast mij. Ze beweegt zich voort in hetzelfde tempo als ik. Ze kijkt mij met lege ogen aan, en ik knijp mijn ogen even dicht voor het afschuwelijke beeld. Wanneer ik mijn ogen weer open doe is de vrouw weg. Ik ren door. Nog een paar honderd meter te gaan voordat ik op het drukke fietspad naast het spoor ben. Daar ben ik zo goed als thuis. Ik ren door, onder het spoor door, naar de straat waar ik woon.

Ik minder snelheid en wandel zwaar ademend, en met een zware hartslag, naar huis. In de mist komen verderop twee dansende lichten mijn kant op. Ik schrik, maar na een paar tellen zie ik dat het de fietsverlichting van twee fietsers is. Opgelucht haal ik adem. Achteromkijkend zie ik straatverlichting in de nevel, en de rode achterlichten van de twee fietsers verdwijnen verderop in de mist. Ik sla af, mijn straat in en na een minuut sta ik in de voortuin. Ik weet niet wat er is gebeurd, maar alles lijkt weer normaal. Niets is eng en er is geen angst meer.

Voordat ik naar binnen stap, kijk ik een laatste keer om. Een bestelbus van Post.nl rijdt langzaam door de straat. Ik kijk het busje na hoe het de straat uitrijdt. Aan de overkant van de straat staat de vrouw met de holle ogen in de mist naar mij te kijken. Ze strekt haar rechterarm uit en met kromme vingers wijst ze naar mij. Ik hap naar adem. Ze steekt langzaam de straat over en ik stap heel snel naar binnen. Ik sla de voordeur dicht. Binnen wacht ik een paar meter van de voordeur af. Bij de buren hoor ik een aanhoudende schreeuw.

Foto

Van de week vond ik een oude foto uit 1978. Het was in de zomer van dat jaar, tijdens een bezoek aan Artis in Amsterdam, om precies te zijn. Op de foto staan mijn zus Gré, mijn zwager Hans en hun dochter, mijn nichtje Diana en ik. De foto was mij digitaal toegezonden door mijn neef Pieter, de zoon van mijn zus en mijn zwager, die in het jaar 1978 net anderhalf jaar oud was en daarmee te jong om mee te gaan naar Artis voor dagje uit. Zo werd dat besloten in die jaren van het vorige millennium: Kinderen hebben naar hun ouders te luisteren in plaats van andersom.

Dit is mogelijk een van de redenen dat mijn nichtje Diana en ik bloedchagrijnig op de foto van toen staan. Of niet. Ik weet niet meer wat de ware reden is geweest waarom we zo knorrig en nukkig op de gevoelige plaat zijn vastgelegd. Het zal wel te maken hebben gehad met een vermoeiende reis vanuit Den Helder. Vanuit deze plaats in Noord-Holland, waar ik toch zo’n dertig jaar heb gewoond, is iedere bestemming buiten de stad een hele onderneming. Zeker wanneer je weet dat het minimaal twintig minuten duurt voordat je vanuit deze stad op de snelweg aankomt, en dit zal in 1978 niet sneller zijn gegaan.

Ik kan me verder heel weinig herinneren van het uitstapje naar de dierengevangenis van Amsterdam. Heel vaag kan ik me de apenrots en haar bewoners voor de geest halen en er is een wazige herinnering over het reptielenhuis. Verder zie ik het beeld van een paar leeuwen die onrustig rondjes lopen, maar dat is van een laatste bezoek aan Artis in 2005. Ik heb het niet meer zo op dierentuinen of andere parken waarin dieren gevangen worden gehouden. Of ze nu kunstjes doen of alleen maar achter glas of tralies ademhalen. Ik vind het gevangenhouden van dieren niet meer van deze tijd. Dat is geen feit, maar gewoon mijn mening.

Bij het bekijken van de foto van ruim veertig jaar geleden komen langzaamaan meerdere herinneringen naar boven. Op de foto draag ik oude gympen van een merk dat nog steeds modieus, en daarom tijdloos is. Op de foto staat ik als een kleine jongen met blond haar, terwijl ik in 1978 al het kind-zijn ontgroeid was, volgens mij in dat jaar, en ik vond mezelf een heuse tiener. Als ik dit ook hardop had gezegd, had ik vast de lachers op mijn hand gehad, maar zo denkt een kind van elf jaar. Dat denk ik. Hoop ik. Verder is het leuk om de tijdsgeest te herbeleven. Het zijn niet alleen herinneringen, het is ook het gevoel van het verleden. Toen alles gemoedelijk was, of leek. Want dat is het verraderlijke aan herinneringen. Ze zijn altijd begiftigd met een verzachtend, onrealistisch filter.

img_9310

Commentaar

Meneer Barend is een schappelijke man van ongeveer vijftig jaar oud. Misschien een paar jaar ouder, maar hij oogt iets jonger. Tenminste, dat is wat hij zelf denkt. Hij is een vrolijke en altijd glimlachende man. Maar wat niet iedereen weet, is dat meneer Barend een mopperkont is. Meestal binnensmonds en nog vaker in zijn gedachten. Mopperen over het nieuws en mopperen op alles wat hem op het pad tegenkomt. Het meest klaagt hij over het gedrag van andere mensen in zijn omgeving. Over de mensen die doelloos als een zombie over straat lopen, constant starend naar het schermpje van hun telefoon. Hij kan het niet laten om er iets van te zeggen. Geërgerd maakt hij een bijtende opmerking, om vervolgens door te lopen.

Vandaag fietste meneer Barend naar een afspraak. Hij was op tijd van huis vertrokken, maar het waaide hard en er stond een flinke westenwind om tegenaan te fietsen. Om zeker te zijn dat hij op tijd voor zijn afspraak zou zijn, checkte hij snel de tijd op het scherm van zijn mobiele telefoon. Het horloge lag ter reparatie bij de juwelier. Hij bevond zich op een recht stuk fietspad en het zou nog honderden meters duren voordat hij op een kruising zou aankomen. Een snelle blik op zijn telefoon gaf aan dat hij nog voldoende tijd had, en nog voordat hij zijn telefoon weggestopt had, werd hij ingehaald door een wielrenner.
‘Van kleine kinderen had ik dit gedrag nog wel verwacht, maar..’ zei de wielrenner en reed zonder zijn zin af te maken, snel door.

Meneer BBarend schrok van de onterechte opmerking. Hij voelde zich betrapt op iets waaraan hij zich niet schuldig had gemaakt. Hij zat niet als een zombie op het scherm van zijn telefoon te kijken. Hij checkte alleen de tijd. Hij was niet alleen geschrokken, maar ook ontzettend boos. Waar haalde deze man het recht vandaan om het te bekritiseren? Om hier achter te komen fietste hij met alle kracht die hij in zijn benen had achter de wielrenner aan. Na een paar honderd meter lukte het hem om naast de oudere wielrenner te komen.
‘Waar sloeg dat op?’ vroeg hij hijgend en boos aan de verraste wielrenner. ‘Je kent mijn verhaal niet, dus wie ben jij om mij te bekritiseren?’
‘Ik zag dat je op je telefoon zat te kijken! Dat kinderen dat doen, oké, maar van volwassenen verwacht ik wel iets anders.’
‘Ik keek alleen voor de tijd,’ riep meneer Barend en liet een kale pols zien. ‘Kijk, ik heb geen horloge en daarom keek ik op het scherm van mijn telefoon.’
‘Het zal wel,’ zei de wielrenner. ‘Maar ik ben al twee keer over de kop gevlogen omdat er kinderen constant met hun neus op hun telefoon zitten te kijken.’
Nog steeds boos zei meneer Barend: ‘Misschien moet je in een drukke stad niet zo hard op je racefiets racen. Je kent mijn verhaal niet, maar het is al goed. We komen er toch niet uit. Ik wens u een fijne middag toe.’
‘Ik geef commentaar aan wie ik wil, en wanneer ik wil.’ Met deze laatste opmerking trapte de oude wielrenner snel zijn pedalen in en ging er vandoor.

Beduusd bleef meneer Barend alleen achter. Hij had zojuist een man kwaad aangesproken die niets anders had gedaan dan wat hij zelf dagelijks bij anderen doet. Commentaar leveren en bits naar anderen roepen dat ze asociaal zijn. Dat iemand dit bij hem deed, vond hij verwarrend. Hij was nog steeds van mening dat een wielrenner in een stad niet zo snel moest fietsen, maar meneer Barend moest ook lachen om zijn eigen belachelijke actie. Hij realiseerde dat hij in principe zichzelf achterna had gefietst. Per vandaag heeft meneer Barend zich voorgenomen om in het vervolg milder te zijn, niet meteen te oordelen en ook minder botte opmerkingen te maken.

Herenfiets

Nadat mijn vorige ‘On the Road’ fiets tijdens de grote fietsenrazzia van mei 2019 werd opgepakt en afgevoerd heb ik niet lang zonder een vervoersmiddel gezeten. Anderhalve week nadat mijn oude fiets voor recycling was afgevoerd, had ik al een zo goed als nieuwe, maar toch wel een oude herenfiets in Amsterdam staan. Het is de oude ‘Medley’-fiets van Edo, die er niet langer op wenste te fietsen. De achterband stond constant leeg en dat was iets om moedeloos van te worden. Ik besloot de Medley mee te nemen naar de fietsenmaker die er om de wielen van de fiets een bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband van zeven millimeter dikte 7 mm om wilde leggen. Al snel was een fietsenadoptie een feit en op de zomerse eerste dag van juni 2019 nam ik mijn Medley met de trein mee naar zijn nieuwe woonomgeving in Amsterdam Nieuw-West.

Hier heeft mijn Medley-fiets het heerlijk naar zijn zin. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger. Waar mijn vorige ‘On the Road’ fiets onafgebroken haar banden in het zand zette en er alles aan deed om duidelijk te maken dat ze niet gelukkig was met de verhuizing naar Amsterdam, doet mijn Medley het heel goed. Medley neemt mij mee naar mijn werk en van mijn werk terug naar het metrostation. Toen het nodig was bracht hij mij zonder tegenstribbelen naar familieleden zo’n zesenhalve kilometer verderop in Amsterdam. Daar heeft hij zelfs nog een paar dagen mogen logeren in de kelderbox, totdat ik hem nodig had voor het traject metrostation en werklocatie. Dat hij daarna weer dag en nacht bij Metrostation Sneevliet in de buitenlucht moest staan, heeft hem niet in karakter veranderd.

Wel heeft mijn Medley een afvallige periode van dunne bandjes gehad. Ik dacht eerst dat het een lekke achterband betrof, maar dat leek juist onmogelijk, omdat de fietsenmaker de bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband om de wielen had gelegd. Toch hebben we samen ruim een anderhalve week met samengeknepen billen de dagelijkse drie kilometer tussen het metrostation en mijn werklocatie (en terug) afgelegd. Tot het moment dat ik besloot de hulp van een fietspomp in te schakelen. Ik nam de pomp mee van huis en al ras waren we in opperste stemming. Mijn fiets met volle banden en ik vol goede moed. Het was samen genieten, in volle vaart fietsend over de Johan Huizingalaan en de Henk Sneevlietweg.

Tot afgelopen maandagochtend. Ik dacht even dat mijn fiets een plan had beraamd, tezamen met zijn rijwielomstanders. Ontsproten uit de frames van de andere rijwielen bij het metrostation, natuurlijk. Wanneer je slechte ervaringen hebt opgedaan met een eerdere fiets, in dezelfde omgeving, dan ben je al snel vooringenomen in je oordeel. Het werd al snel duidelijk dat de fiets het sleuteltje niet langer in het slot leek te accepteren. Het fietsslot bleef wel open, maar verder werd er niets gepikt of geslikt. Ondanks mijn stinkende best kreeg ik geen beweging in het sleuteltje, en met enig geweld brak de fietssleutel tot mijn grote schrik in tweeën. Wilde mijn herenfiets hiermee aangeven dat de relatie tussen ons over was?

Met licht betraande ogen peuterde ik het restant van het fietssleuteltje uit het slot. Mijn fiets moest ik aan de reling van de brug laten staan, terwijl ik verder lopend naar mijn werk mocht. Nu moest ik alleen nog op zoek naar het reservesleuteltje. Het geluk was aan mijn zijde die avond; het reserve fietssleuteltje was snel gevonden. De volgende ochtend stak ik met een kloppend hart en trillende vingers het sleuteltje in het slot. Het gaf mee en met een luide klap schoot het fietsslot open. Mijn herenfiets had toegegeven en ik kon weer plaatsnemen op het zadel. Samen waren we snel onderweg, waar ik niet meer aan twijfelde of het een geplande vergelding van mijn rijwiel was geweest.

Snor

Waar ik heel blij mee ben tijdens deze koude dagen, is mijn baard. Het is een natuurlijke koude-beschermer. Ooit ben ik gestopt met het dagelijks scheren van mijn gezicht en ben ik begonnen met het groeien van mijn baard. In het begin wilde ik na vijf á zes weken af van gezichtsbegroeiing, even zonder baard en schoor ik mijn kin en kaaklijn weer helemaal glad, maar sinds enige tijd ben ik in het bezit van een baardtrimmer en heb ik sindsdien niet echt nog een blotebillengezicht gehad.

Het is niet zo dat ik nu groepslid ben van ‘Kamp Baard’ en dat alles wat niet baard is, per definitie stom of ongepast is. In de zomer draag ik de baard korter dan in de winter en wanneer er aankomende zomer een hittegolf heerst, overweeg ik vast en zeker de baard weer eens helemaal voor de volle honderd procent weg te scheren. Maar daar kan ik nu nog geen beloftes over maken. Mijn vader zou dan een van zijn vaste uitspraken hebben gezegd: ‘Tegen die tijd kan je wel een geitenkop hebben.’ Mijn vader had soms rare, maar ook rake uitspraken.

Nu ik er zo over nadenk, bedenk ik dat mijn vader nooit een baard heeft gehad. Wel heeft hij ooit een snor laten groeien. Dat was toen we, mijn ouders en ik, op vakantie in Nijverdal waren. Het was in de zomer van 1981. Mijn ouders hadden een huisje gehuurd op het erf van een ondernemer aan de Boomcateweg, die hiermee een aardig zakcentje verdiende. Het toeval wilde dat diezelfde zomer ook een vakantiekamp van Turnlust, de drumband van Den Helder op hetzelfde erf vakantie vierden. Enkele familieleden waren lid van deze drumband en via, via was er zeer waarschijnlijk het een en ander geregeld om mijn ouders daar vakantie te laten vieren.

Mijn vader was deze zomer waarschijnlijk toe aan verandering. Of wilde gewoon even iets anders. Op een ochtend deelde mijn moeder me tijdens het ontbijt mede dat mijn vader zijn snor liet groeien. Waarschijnlijk was deze beslissing in goed overleg gegaan en vond mijn moeder dat haar bijdrage in deze, de mededeling moest zijn. Natuurlijk wilde ik de snor meteen van dichtbij bekijken, maar dat was een teleurstelling. Daar waar bij mijn vader vooral alles snel moest gaan, liet de snor zich niet meteen zien. Daar ging wel even een flinke tijd overheen. Aan het eind van de vakantie zag ik eindelijk iets van een schaduwachtige snor op mijn vaders bovenlip staan.

De snor heeft overigens geen eerlijke kans gekregen. Op de laatste vakantiedag reden we vanuit Nijverdal naar de hoofdstad van Drenthe, omdat mijn nicht Clara ging trouwen. Mijn vader ging sinds die dag weer snorloos door het leven. Zijn gezicht schoon en glad. Ik heb het nooit gevraagd en hierdoor is het mij nooit duidelijk geworden of het afscheren van vaders snor een beslissing van mijn moeder was of dat mijn vader het zelf een jeukend onding vond.