Kloosterstilte

In een artikel van National Geographic las ik onlangs over de vele kloosters die Europa ooit telde. Duizenden waren het er. Eeuwenlang vormden ze centra van geloof, kennis en invloed.

Monniken kopieerden boeken, nonnen verzorgden zieken en achter dikke muren speelde zich een belangrijk deel van de Europese geschiedenis af. Van veel van die kloosters resteert tegenwoordig niet veel meer dan een herinnering, een ruïne of een gebouw met een andere bestemming.

Oorlogen, politieke veranderingen en het afnemen van religieuze roepingen hebben ervoor gezorgd dat talloze kloostergemeenschappen verdwenen. Het zette me aan het denken.

Zelf heb ik nooit een familielid in een klooster gehad. Mijn man wel. Zijn tante was een zuster, een non zoals de meeste mensen zouden zeggen. Daardoor was het kloosterleven voor hem nooit iets uit een geschiedenisboek. Het hoorde gewoon bij de familie.

Mijn eigen belangstelling voor religie begon al op de rooms-katholieke kleuterschool. Niet omdat ik toen al bezig was met grote levensvragen, maar omdat ik medelijden had met Jezus. Met Kerstmis lag hij nog als baby in een kribbe en nog voor mijn kleuterbrein het goed en wel had verwerkt, hing hij met Pasen aan een kruis. Pas later ontdekte ik dat daar geen paar maanden maar ruim dertig jaar tussen zat.

De nieuwsgierigheid bleef. Niet alleen naar geloof, maar ook naar de geschiedenis erachter. Misschien is dat de reden dat ik tegenwoordig boeken over religie lees en een cursus theologie volg. Niet omdat ik antwoorden verwacht te vinden op alle grote vragen, maar omdat ik het fascinerend vind hoe mensen die vragen al duizenden jaren blijven stellen.

Toch heb ik mezelf nooit als kloosterling gezien. Daarvoor ben ik waarschijnlijk te onrustig. Ik zie mezelf niet dagelijks op vaste tijden bidden, zwijgen of leven volgens een strak schema. Al moet ik toegeven dat het idee van rust, regelmaat en afzondering soms best aantrekkelijk klinkt.

Soms vraag ik me af wat die oude monniken van onze wereld zouden vinden. Van smartphones, sociale media en een samenleving waarin iedereen voortdurend bereikbaar is. Misschien zouden ze geschokt zijn door de drukte. Misschien zouden ze juist glimlachen en constateren dat mensen eigenlijk nauwelijks veranderd zijn. Ook wij zoeken nog steeds naar antwoorden, naar betekenis en naar de geruststelling dat we ergens bij horen.

Ik vraag me ook af hoe zij zouden kijken naar hun eigen kerk zoals die zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld. Naar de rijkdom, de macht, de politieke invloed en de schandalen die het vertrouwen van miljoenen gelovigen hebben beschadigd. Zouden ze teleurgesteld zijn? Boos misschien? Of zouden ze slechts constateren dat geen enkele menselijke instelling, hoe goed de bedoelingen ook waren, gevrijwaard blijft van menselijke tekortkomingen?

Toch vind ik het jammer dat zoveel kloosters verdwijnen. Niet alleen omdat het vaak indrukwekkende gebouwen zijn, maar ook omdat ze iets vertegenwoordigen wat in onze tijd steeds zeldzamer lijkt te worden. Een plek waar niet alles draait om snelheid, bereikbaarheid of prestaties. Een plek waar stilte nog een functie heeft en waar het niet vreemd is om af en toe stil te staan bij vragen waarop geen eenvoudig antwoord bestaat.

Of ik zelf ooit geschikt zou zijn geweest voor het kloosterleven? Waarschijnlijk niet. Ik functioneer beter met hardloopschoenen aan dan in een habijt. Ik voer liever een gesprek over geloof tijdens een wandeling dan in een kloostergang. En na een middag lezen over theologie kan ik net zo enthousiast worden van een oude langspeelplaat als van een boek over de geschiedenis van Almere. Iedereen heeft zijn eigen roeping, en de mijne ligt vermoedelijk niet achter kloostermuren.

Nieuw

Een nieuw jaar. Driehondervijfenzestig dagen aan nieuwe mogelijkheden en kansen. Blah, blah, blah. Ik kan hier een heel relaas schrijven over de ‘goede voornemens’ voor het nieuwe jaar, maar eigenlijk moet je de dingen doen wanneer ze je ingegeven worden, en als je er echt zin in hebt. Ik heb helemaal niets voorgenomen dat ik met ingang van het nieuwe jaar zal veranderen. Ik heb geen nieuwjaar nodig om te beslissen dat ik een paar kilo’s kwijt mag raken. Ik heb de buik van een man van vierenvijftig jaar oud, en laat ik nu precies die leeftijd hebben. Misschien dat ik onder de titel ‘Inzicht & Erkenning’ moet toegeven dat ik wel minder spekbuikvet mag meedragen.

Sinds een half jaar zie ik op de foto’s die ik tijdens -of meestal na- mijn hardlooprondjes maak, dat mijn buik zich van binnenuit tegen de hardloopshirts aandringt. Dit ‘spektakel’ probeer is tactisch te maskeren met een tekst. Voor een voorbeeld van deze sociale ontkennnig, zie hier of hier. Moet ik dan toch op dieet gaan? Nee, ik denk het niet. Ik doe niet alleen aan hardlopen omdat ik het leuk vind, ik doe het ook omdat ik van eten hou. Misschien moet ik vaker gaan hardlopen en dan ook voor een langere afstand, maar misschien moet ik gewoon helemaal niets ondernemen en genieten van het leven.

Op de eerste dag van het jaar heb ik dan ook genoten van mij aanschaf van nieuwe hardloopschoenen. Ik ben enthousiast over mijn huidige harloopschoenen, maar de zolen slijten buitengewoon snel. Ik weet het; het zijn trailschoenen, dus niet geschikt voor veel hardlooprondjes op het asfalt of misschien ligt het aan mijn loopstijl, en sleep ik te veel met mijn hakken over de wegen. Wellicht is het een idee dat ik twee paar hardloopschoenen (ik heb nog een paar nieuwe trail-hardloopscoenen in de doos liggen) tegen elkaar wegloop, in plaats van dat ik steeds één paar kapotloop tot ik nieuwe schoenen moet aanschaffen.

Een kleine zoektocht op het internet leert mij dat meer dan één paar hardloopschoenen te gebruiken beter tegen blessures is. Zo worden de pezen iedere keer iets anders belast en daardoor neemt de kans op blessures af. Een website meldt: ‘Wissel daarom standaard trainingsschoenen met een lichter paar voor wedstrijden of snelheidstrainingen. Of kies voor de extra bescherming die trailschoenen je bieden.’ Het kan natuurlijk een verkooppraatje zijn, maar who cares? Ik word blij van nieuwe hardloopschoenen.

Na één maand hardlopen.