Leugens

Iedereen heeft wel zo’n film. Een film die niet per se de beste ooit is, maar die op de een of andere manier bij je leven is gaan horen. Je kent de dialogen bijna uit je hoofd, weet precies welke scène eraan komt en toch blijf je kijken. Niet omdat de film verandert, maar omdat jij dat doet. Voor mij is dat Les Petits Mouchoirs.

Edo en ik hebben er inmiddels zelfs een traditie van gemaakt. Zodra Nederland weer onder een hittegolf gebukt gaat, verdwijnt de afstandsbediening bijna automatisch naar die film. De laatste jaren gebeurt dat opvallend vaak. Waar een hittegolf vroeger iets uitzonderlijks was, lijkt het tegenwoordig bijna een vast onderdeel van de zomer. Buiten trilt de lucht boven het asfalt, binnen zoemt de ventilator en begint een film die inmiddels voelt als een oude bekende.

Ik zag Les Petits Mouchoirs voor het eerst in 2012, zonder precies te weten wat ik kon verwachten. Een Franse film over een hechte vriendengroep die, ondanks een ernstig ongeluk van een van hen, besluit toch samen op vakantie te gaan. Geen spectaculaire actie, geen helden die de wereld redden en ook geen verhaal waarin je na tien minuten al weet wie de goede en de slechte zijn.
Sterker nog, er zijn eigenlijk helemaal geen helden.

Wat ik zo knap vind aan de film, zijn de personages. Ze voelen als echte mensen. Mensen die soms egoïstisch zijn, verkeerde keuzes maken of iets zeggen waar ze later spijt van krijgen. Ze zijn lief, irritant, onzeker, grappig en soms ronduit onmogelijk. Precies zoals mensen in het echte leven zijn.

Alleen Max vormt daarop een heerlijke uitzondering. Hij dendert door de film als een hyperactieve Louis de Funès. Altijd druk, overal bovenop en voortdurend pratend. Soms is hij vermoeiend, maar meestal vooral ontzettend grappig. Juist zo’n uitvergroot karakter zorgt ervoor dat de rest alleen maar echter aanvoelt.

De film maakte zoveel indruk dat ik daarna zelfs een opfrissingsopleiding Frans ben gaan volgen aan het Helen Parkhurst College in Almere. Niet omdat ik ineens vloeiend Frans wilde spreken, maar omdat ik dichter bij die taal wilde komen. Alsof ik de film nóg een keer wilde beleven, maar dan zonder ondertiteling.

Dat is overigens nooit helemaal gelukt.
Mijn Frans is nog steeds voldoende om een kop koffie te bestellen en de weg naar het station te vragen. Maar de poging alleen al zegt genoeg. Soms kan een film blijkbaar meer losmaken dan je van tevoren had verwacht.

Wat mij vooral blijft intrigeren, is dat Les Petits Mouchoirs eigenlijk helemaal niet over vakantie gaat. De film gaat over de kleine leugens die we elkaar en onszelf vertellen. Over de rol die we spelen binnen een vriendengroep. Over de versie van onszelf die we graag aan anderen laten zien.
Want zeg nu zelf: wie doet dat niet?

We zeggen dat alles goed gaat, terwijl we ergens mee worstelen. We lachen om een grap waar we eigenlijk geen zin in hebben. We houden ons groot, omdat dat eenvoudiger is dan toegeven dat iets ons raakt. Niet uit onwil, maar omdat een klein leugentje om bestwil soms comfortabeler voelt dan de waarheid.

Dat vind ik misschien wel het mooiste aan deze film. Hij oordeelt niet over zijn personages. Hij laat ze gewoon mens zijn. Met al hun mooie én minder mooie eigenschappen. Juist daardoor ga je om ze geven, zelfs als je het regelmatig hartgrondig met ze oneens bent.

Misschien is dat wel de reden waarom Les Petits Mouchoirs na al die jaren nog steeds een van mijn favoriete films is. Niet omdat het verhaal zo bijzonder is, maar omdat de mensen erin zo herkenbaar zijn.

En daarom weet ik nu al dat, zodra de volgende hittegolf zich aandient, Edo en ik weer op de bank zitten. Buiten zal de warmte boven het asfalt dansen, binnen begint een film die we inmiddels bijna uit ons hoofd kennen.

Hitteplan

Vroeger had je zomer. Tegenwoordig heb je protocollen.
Zodra de temperatuur een beetje oploopt, vliegen de waarschuwingen je om de oren. Code geel. Code oranje. Nationaal Hitteplan. Apps die je vertellen dat het warm wordt terwijl je al zwetend op de bank zit. Volgens de weersverwachtingen staat ons opnieuw een snikhete periode te wachten, met temperaturen die lokaal kunnen oplopen tot 37 graden. Dat is warm genoeg om een ei op de motorkap te bakken en je slippers aan het asfalt te laten vastplakken.

Ik moet bekennen dat ik soms een beetje code-moe word van al die waarschuwingen.
Niet omdat ik denk dat ze onzin zijn. Sterker nog, hoe langer ik erover nadenk, hoe beter ik begrijp waarom ze bestaan. Zelf heb ik altijd het idee gehad dat logisch nadenken een heel eind komt. Drink voldoende. Zoek schaduw op. Ga niet midden op de dag een marathon lopen of de complete achtertuin bestraten. Dat soort dingen.

Maar vervolgens kijk ik om me heen en realiseer ik me dat logisch nadenken blijkbaar niet voor iedereen vanzelfsprekend is.

Daarom zijn die waarschuwingen waarschijnlijk toch nodig. Ik vermoed dat een flink deel van de Nederlandse bevolking zich door het leven beweegt als een mierenkolonie. Niet gestuurd door hersenen, maar door zenuwknopen. Er komt ergens een prikkel binnen en hup, ze gaan bewegen. Denken is daarbij een optionele tussenstap geworden.
Dus ja, misschien moeten we inderdaad gewaarschuwd worden dat 37 graden warm is.

Overigens ben ik niet tegen alle moderne weertermen. Zonnekracht vind ik zelfs een uitstekend idee. Windkracht kennen we al generaties lang. Niemand kijkt vreemd op van windkracht 7. Waarom zouden we dan niet weten wat zonnekracht 7 of 8 betekent? Dat is informatie waar je iets mee kunt. Je kunt er je kleding op aanpassen, een pet opzetten, zonnebrand smeren of besluiten om een wandeling een paar uur uit te stellen. Dat voelt voor mij als praktische informatie in plaats van een alarm.

Gelukkig wonen wij redelijk gunstig. Ons hoekhuis ligt op het noorden. Veel schaduw, weinig directe zon. Op warme dagen scheelt dat enorm. Terwijl sommige huizen veranderen in een pizzaoven, blijft het bij ons meestal aangenaam.

Meestal.
Want na ruim een week met hoge temperaturen begint zelfs een huis op het noorden te protesteren. De warmte kruipt langzaam naar binnen. Elke dag een beetje meer. De muren geven hun koelte op. De nachten brengen minder verlichting dan gehoopt. Je zet een raam open en krijgt warme lucht cadeau. Je doet het raam dicht en bewaart de warmte die al binnen zit.

Op een gegeven moment merk je dat ook het huis verlangt naar herfst.
Ik ook.
Dan fantaseer ik niet over een tropisch strand of een zwembad op Ibiza. Nee, dan wens ik mezelf even in het koelvak van de buurtsuper. Gewoon tussen de zuivel en de voorgesneden groente. Een minuut of vijf. Misschien tien.
Even die koude lucht diep inademen.
Geen boodschappenmandje. Geen winkelkar. Gewoon zitten.
Wanneer iemand vraagt wat ik daar doe, antwoord ik dat ik onderdeel ben van mijn persoonlijke hitteplan.

Want hoe modern de waarschuwingen, kleurcodes en protocollen ook worden, de beste remedie tegen hitte blijft verrassend ouderwets. Een beetje verstand gebruiken, voldoende drinken, de schaduw opzoeken en accepteren dat sommige zomerdagen nu eenmaal vooral bedoeld zijn om rustig door te komen.

Al moet ik toegeven dat een stoel in het koelvak van de buurtsuper daarbij geen overbodige luxe zou zijn. Misschien is dat wensdenken. Maar op het moment dat ik dit schrijf, klinkt het als een uitstekend plan.