e-Reader

Ik was eraan toe. Na ruim zeven jaar was mijn e-reader versleten en had hij een eigen wil ontwikkeld. Een combinatie die ik niet graag zie bij gebruiksvoorwerpen: je verwacht dat ze werken, maar soms lijken ze je te plagen, te vertragen, of gewoon eigenwijs te zijn.

Maar lang daarvoor waren er natuurlijk papieren boeken. Echte boeken. Papier en gewicht. En die geur, die typische, bijna bedwelmende geur van drukinkt en pagina’s, die me nog steeds lichtelijk opwindt.

Mijn eerste e-reader kwam dus niet in een leegte terecht. Het moest opboksen tegen een jeugdliefde. Tegen middagen in bed met een roman die steeds dikker leek te worden naarmate je verder las. Tegen boekenkasten die je niet alleen vulde, maar ook vormden. En die inmiddels, eerlijk is eerlijk, behoorlijk uit hun voegen barsten. Planken die doorbuigen, stapels die de muren beklommen. De e-reader werd geen gadget, maar een noodzaak.

En toen was daar ineens dat apparaat van Sony. De Sony PRS-650 Touch Edition. Dat voelde al een stuk directer. Alsof het apparaat eindelijk begreep wat de bedoeling was. Je tikte, je bladerde, en het werkte. Nog steeds niet snel, maar wel logisch. Lezen werd minder een handeling en meer een gewoonte.

Toch bleef het bijzonder. Duizenden boeken in een apparaat dat in je jaszak paste. Dat idee alleen al had iets futuristisch. Maar het bleef zoeken. Naar ritme, naar vanzelfsprekendheid.

Jaren later kwam de volgende stap: een waterdichte e-reader. Ineens kon je lezen zonder voorzichtigheid. Op de bank, in bed, maar vooral ook in bad. Uren heb ik daar gelegen, half onder water, boek boven het oppervlak, de wereld even op pauze. Er zit iets in dat soort momenten wat je moeilijk terugvindt in het dagelijks leven. Tijd die vertraagt. Stilte die echt stil is.

Het scherm werd scherper, het bladeren sneller. Het begon ergens op te lijken. Lezen werd weer lezen, zonder al te veel nadenken over het apparaat zelf. Ondertussen groeide mijn digitale bibliotheek gestaag. Geen e-boeken, maar wat mij betreft: hologram-boeken. Onzichtbare ruggen, geen stof, geen gewicht; maar wel dezelfde verhalen.

En sinds vandaag ligt er een nieuwe. Kleiner dan zijn voorganger, maar juist daardoor prettiger. Een beetje zoals een goed pocketboek dat je gedachteloos meeneemt. Lichter ook. Sneller. Het scherm scherper, het licht zachter. Alles lijkt gericht op één ding: verdwijnen.
Dat is misschien wel de grootste vooruitgang. Niet dat het meer kan, maar dat het minder opvalt. Dat je niet meer denkt: ik lees op een e-reader. Maar gewoon: ik lees.

En toch. Er blijft iets. Iets wat geen scherm ooit helemaal zal vervangen. Sommige boeken wil je niet swipen, die wil je vasthouden. Mijn boeken van Simon Carmiggelt bijvoorbeeld. Die lees ik niet digitaal. Die liefkoos ik. Alsof ze daar beter van worden. Alsof de zinnen anders vallen wanneer je het papier voelt.

Misschien is dat het. Dat het één het ander niet vervangt, maar aanvult. Dat je overdag leest in de hologramboeken, strak en eindeloos beschikbaar. En ’s avonds soms toch nog even een echt boek pakt. Gewoon, om even terug te zijn waar het begon.
Lezen is veranderd. Maar mijn liefde ervoor niet. Die blijft nog steeds hetzelfde.

Onleesbaar

Afgelopen week keek ik naar de eerste aflevering van de serie Evil. Een verhaal over het wankele evenwicht tussen geloof en rede, tussen het verklaarbare en het onverklaarbare. Er zat een scène in waarin iemand droomde en probeerde iets te lezen — tevergeefs. De letters gleden over het papier alsof ze iets te verbergen hadden.

Dat gegeven bleef aan me knagen. Want stel dat het waar is: dat je in een droom niet kunt lezen. Een zonderling idee, maar ook een prachtig. Later die avond, in bed, dacht ik eraan terug. En ergens tussen waken en slapen besloot ik het te proberen. Als ik zou dromen, zou ik lezen. De nacht kwam, en met hem het vage theater van het onderbewuste.
Ik liep over een onbekend plein, de lucht in onbestemd schemerlicht. Er hing een bord aan een gevel, met letters die ik niet helemaal kon onderscheiden. Ik kneep mijn ogen samen, boog me voorover — en zag de woorden veranderen, verdwijnen, oplossen in de muur. Ik werd wakker met het gevoel dat ik op het punt had gestaan iets belangrijks te weten te komen.

De volgende nacht probeerde ik het opnieuw. Ik droomde van een krant, vers van de druk. Maar zodra ik naar de koppen keek, zwommen de zinnen weg als inkt in de regen. Alsof de droom zelf me tegenwerkte. Zou het dan toch waar zijn? Dat lezen in een droom niet kan?

Misschien komt het omdat dromen niet bedoeld zijn om te begrijpen. De wereld van de slaap is niet van papier, maar van gevoel. Alles beweegt, alles verandert. Tekst zou er te vast, te logisch voor zijn. Toch bleef ik er die ochtend over nadenken. Over die onleesbare borden, die vluchtige zinnen. Misschien is dat de kern van dromen: ze geven ons verhalen zonder woorden, boodschappen die je alleen kunt voelen.

Later die dag sloeg ik de nieuwe Runner’s World open. De letters bleven keurig staan.
In rechte lijnen keken ze me aan, alsof ze wisten dat ze iets konden wat mijn dromen niet lukt: blijven.
En ik dacht, half glimlachend, dat wakker zijn misschien gewoon betekent dat de wereld scherp is, en dromen altijd een beetje wazig zullen blijven.