Boekbespreking

Als ik in 1983 een dagboek had bijgehouden, had er waarschijnlijk ergens in gestaan dat ik op school een boekbespreking moest houden. Ik was zestien en koos Dat zie je toch zó! van Frits Enk, een jeugdroman over een homoseksuele jongen die probeert uit te vinden wie hij is en hoe hij daarmee verder moet. Ruim veertig jaar later denk ik daar ineens weer aan. En eigenlijk vind ik dat best stoer van mezelf.

Want natuurlijk koos ik dat boek niet zomaar. Het sprak me enorm aan. Ik liep zelf met voldoende twijfels rond en vond in het verhaal iets wat ik op dat moment nauwelijks ergens anders tegenkwam: herkenning. Het geruststellende idee dat ik niet de enige was.

Homoseksuele mannen kende ik natuurlijk wel van televisie. Albert Mol, Jos Brink. Mannen die openlijk homoseksueel waren en daar in die tijd ongetwijfeld hard voor hadden moeten knokken. Maar ik herkende mezelf niet in hen. Ik was niet verwijfd of uitgesproken feminien. Tegelijkertijd voelde ik ook weinig behoefte om mee te doen met het stoere gedoe van de jongens. Ik zat liever met de meiden te kletsen.

Of mijn klasgenoten daardoor al iets vermoedden? Geen idee. Misschien wel. Middelbare scholieren hebben tenslotte een soort radar voor alles wat een beetje afwijkt van de norm. En toen ging ik ook nog voor de klas staan met Dat zie je toch zó! Achteraf is vooral die titel natuurlijk prachtig.

Ik weet niet meer precies wat ik tijdens die boekbespreking heb verteld. Ongetwijfeld iets over Frits Enk, het verhaal en de hoofdpersoon, zoals dat hoorde. Maar ondertussen stond daar wel een zestienjarige jongen die een boek had uitgekozen over iets waarmee hij zelf bezig was, voor een klas vol leeftijdgenoten. Zonder te zeggen: dit gaat óók over mij.

Ik deed het maar mooi.

Een jaar later kwam Smalltown Boy van Bronski Beat uit. Dat nummer deed iets vergelijkbaars. Jimmy Somerville liet me opnieuw zien dat homoseksualiteit niet één bepaald type mens betekende. Ik herkende vooral het gevoel. Anders zijn, zoeken, proberen te begrijpen waar je thuishoort. En opnieuw die geruststellende gedachte: ik ben niet de enige.

Dat is tegenwoordig moeilijk voor te stellen. Een zestienjarige kan nu met een telefoon in zijn hand binnen vijf minuten ontdekken dat er homo’s zijn in ongeveer iedere denkbare soort en uitvoering. In 1983 moest je het doen met wat er toevallig op je pad kwam. Een televisieprogramma, een tijdschrift, een plaat. Of een boek.

En ik koos uitgerekend dát boek om voor een hele klas te bespreken.

Misschien was ik op mijn zestiende nog lang niet overal uit. Misschien wist ik nog niet precies wie ik was of hoe mijn leven eruit zou gaan zien. Maar blijkbaar was ik al wel eigenwijs genoeg om iets te kiezen wat voor mij betekenis had.

Daar hoef ik ruim veertig jaar later niet voorzichtig op terug te kijken. Integendeel. 

Dat zie je toch zó.

Zichtbaarheid

“Waarom is Pride nog nodig?”

Het is een vraag die ieder jaar weer opduikt. Meestal niet kwaad bedoeld, maar wel gebaseerd op de gedachte dat de strijd voor gelijke rechten inmiddels wel gestreden is. We mogen trouwen, we mogen kinderen opvoeden en discriminatie is bij wet verboden. Op papier lijkt er veel bereikt.

Maar de werkelijkheid vertelt een ander verhaal.

Afgelopen zaterdag werd de Pride in Berlijn overschaduwd door een dodelijke aanslag. Een dag die in het teken stond van liefde, vrijheid en jezelf mogen zijn, eindigde in verdriet. Dat zoiets juist tijdens een Pride-evenement gebeurt, laat zien dat haat nog altijd bestaat en dat zichtbaarheid voor sommigen blijkbaar nog steeds een doelwit is.

Ook buiten Europa staat de positie van lhbtiq+-mensen onder zware druk. In Rusland is de lhbtiq+-beweging verboden verklaard. Hongarije beperkt Pride en voorlichting steeds verder. Oeganda kent een van de strengste anti-homowetten ter wereld. En in delen van de Verenigde Staten staan rechten die jarenlang vanzelfsprekend leken opnieuw ter discussie.

Maar we hoeven niet eens zo ver over de grens te kijken.

In Nederland besloot de gemeente Oldebroek de Pridevlag niet langer bij het gemeentehuis te hijsen en het lokale lhbtiq+-beleid te schrappen. Sommigen zullen zeggen dat het “slechts een vlag” is. Maar een vlag is meer dan een stuk stof. Het is een signaal. Een boodschap aan inwoners dat zij welkom zijn, gezien worden en zichzelf mogen zijn. Juist daarom doet het ertoe wanneer zo’n symbool verdwijnt.

Zichtbaarheid is nooit bedoeld geweest om aandacht op te eisen. Het gaat erom dat niemand zich hoeft te verstoppen. Dat een jongen zonder angst de hand van zijn vriend kan vasthouden. Dat een meisje zonder schaamte over haar vriendin kan praten. Dat een transgender persoon niet eerst hoeft na te denken of een openbare ruimte wel veilig is.

Ik behoor tot een generatie die nog weet hoe het voelde om voorzichtig te moeten zijn. Om eerst de kamer te scannen voordat je iets persoonlijks vertelde. Om te twijfelen of collega’s, familie of vrienden je wel zouden accepteren. Dankzij mensen die vóór ons zichtbaar durfden te zijn, is er veel veranderd. Niet vanzelf, maar omdat zij hun nek uitstaken.

Juist daarom mogen wij nu niet denken dat het werk erop zit.

Vrijheid verdwijnt zelden in één keer. Meestal gebeurt dat stap voor stap. Een wet hier, een verbod daar, een vlag die niet meer welkom is, een evenement dat extra beveiliging nodig heeft. Pas achteraf zie je hoeveel terrein er ongemerkt verloren is gegaan.

Daarom blijf ik zichtbaar. Niet omdat ik iedere dag met een regenboogvlag wil zwaaien, maar omdat ik hoop dat een volgende generatie zich nooit meer hoeft af te vragen of ze zichzelf wel mag zijn.

Zichtbaarheid is geen provocatie.

Zichtbaarheid is een herinnering dat vrijheid onderhouden moet worden.

Elke dag opnieuw.

Oldebroek

De gemeente Oldebroek heeft besloten om geen regenboogvlag meer te hijsen bij het gemeentehuis. Volgens de nieuwe coalitie is dat niet nodig, omdat iedereen al vertegenwoordigd wordt door de Nederlandse vlag en de gemeentevlag. Aanstaand wethouder Tom de Nooijer noemde de regenboogvlag zelfs “onchristelijk” en plaatste haar in het rijtje van “cultuurmarxisme” en “woke”.

Ik moet eerlijk zeggen: daar heb ik moeite mee.

Laat ik vooropstellen dat ik geen enkel probleem heb met mensen die hun geloof uitdragen. Sterker nog, dat recht moet iedereen hebben. Geloof is iets persoonlijks en mag ook zichtbaar zijn. Maar zodra religieuze overtuigingen worden gebruikt om een andere groep mensen minder zichtbaar te maken, gaat er wat mij betreft iets fundamenteel mis. Dan wordt geloof geen bron van verbinding meer, maar een middel om anderen op afstand te zetten.

Wat me bovendien opvalt, is hoe selectief de Bijbel soms wordt gelezen. Er staan talloze passages in over naastenliefde, vergeving, barmhartigheid en zorg voor elkaar. Opmerkelijk genoeg hoor ik die veel minder vaak terug wanneer het over de LHBTI+-gemeenschap gaat. Dan lijken juist die paar teksten die afwijzing lijken te ondersteunen ineens alle aandacht te krijgen. Dat zegt naar mijn idee meer over de lezer dan over het boek zelf.

En dan dat argument dat iedereen al onder de Nederlandse en de Oldebroeker vlag valt. Dat klinkt sympathiek, maar ik geloof er helemaal niets van.

Als dat werkelijk de gedachte is, waarom bestaan er dan nog protestantse, katholieke, evangelische en apostolische kerken? Waarom moskeeën, synagogen en tempels? Iedereen valt toch onder dezelfde gemeente? Dan zou één kerkgebouw voldoende moeten zijn. Natuurlijk slaat dat nergens op.

Juist omdat mensen verschillend zijn, bestaan er verschillende tradities, gebouwen en symbolen waarin zij zich herkennen. De regenboogvlag is daar één van. Ze neemt niemand iets af. Ze zegt alleen: ook jij hoort erbij. Niet meer, maar zeker ook niet minder.

Dat sommige mensen zich aan die vlag storen, vind ik geen overtuigend argument om haar weg te halen. De taak van een overheid is niet om een minderheid minder zichtbaar te maken omdat een meerderheid zich daar misschien ongemakkelijk bij voelt. Een overheid hoort juist uit te dragen dat iedere inwoner gelijkwaardig is.

Wat mij misschien nog wel het meest verbaast, is dat een stuk gekleurd doek blijkbaar zoveel politieke energie waard is. Gemeenten hebben te maken met woningnood, zorg, veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. Toch wordt een regenboogvlag ineens een belangrijk onderwerp.
En dat roept bij mij een eenvoudige vraag op.

Waarom maak je je als bestuurder zó druk om een onschuldige regenboogvlag?
Daar heb ik oprecht grote twijfels over. Want als juist dát symbool moet verdwijnen, welk signaal geef je dan eigenlijk af aan de mensen voor wie die vlag bedoeld is?

Ik woon liever in een samenleving waarin verschillen niet worden weggepoetst, maar mogen bestaan. Waar een regenboogvlag geen discussie hoeft op te roepen, maar gewoon kan wapperen naast de Nederlandse vlag en de gemeentevlag. Niet omdat de één belangrijker is dan de ander, maar omdat er in een vrije samenleving ruimte hoort te zijn voor iedereen. Dat is voor mij geen “woke”. Dat is beschaving.