Zomer 1990

Ik wist het al een tijdje, maar laatst werd het weer eens bevestigd. Zintuiglijke prikkels zijn de krachtigste tijdmachines die bestaan. Een geur, een smaak, een bepaald licht of een liedje, en zonder enige moeite reis je tientallen jaren terug. Niet een beetje terug, maar écht. Je bent er weer.

Dat gebeurde toen ik onverwacht Inner City Blues van Marvin Gaye hoorde. Binnen een paar seconden stond ik niet meer in het hier en nu. Ik lag ineens weer op een badlaken op het strand van Den Helder, in de zomer van 1990.

Die vakantie bracht ik bijna drie weken lang op het strand door. Elke dag hetzelfde ritueel. Handdoek uitrollen, de zon opzoeken en mijn felgele Sony Walkman Sports opzetten. Op mijn oren zat de koptelefoon, in de Walkman draaide bijna onafgebroken What’s Going On van Marvin Gaye. Als de cassette afgelopen was, draaide ik hem om. Daarna volgden The Supremes en nog veel meer Motown. De branding verzorgde het achtergrondgeluid.

Ik zie mezelf daar nog liggen. Een paarse Speedo, een mintgroen baseballpetje van de Miami Dolphins en een huid die met de dag donkerder werd. Aan het einde van de vakantie was ik bruiner dan ik ooit daarvoor of daarna ben geweest. Eigenlijk heb ik er nog steeds profijt van. Sinds die zomer zijn mijn benen nooit meer teruggekeerd naar de spreekwoordelijke melkflessenwitte uitvoering. Blijkbaar heeft de zon toen besloten een fors voorschot op de rest van mijn leven te nemen.

Het mooie is dat ik nauwelijks foto’s van die vakantie heb. Dat hoefde ook niet. Alles zit opgeslagen in mijn hoofd. Blijkbaar heeft mijn brein dat complete decor gekoppeld aan de muziek van Marvin Gaye. Zodra die eerste noten klinken, wordt niet alleen het nummer afgespeeld, maar ook de geur van zonnebrand, het geluid van de meeuwen, de zilte zeelucht, het warme zand en het ontspannen gevoel van een eindeloze zomervakantie.

Misschien is dat wel de kracht van muziek. Muziek bewaart niet alleen melodieën, maar ook momenten. Soms zelfs beter dan een fotoalbum. Want een foto laat zien hoe iets eruitzag. Een lied laat je weer voelen hoe het was.

Toen Inner City Blues afgelopen was, stond ik weer gewoon in het heden. Maar heel even was ik weer die drieëntwintigjarige jongen op het strand van Den Helder. En eerlijk gezegd vond ik het daar helemaal niet verkeerd.

The Supremes

Sommige liefdes beginnen niet met een donderslag, maar met een opmerking tussen de dampende pannen. Bij mij waren dat de stemmen van The Supremes en vooral de stem van mijn moeder, die vanuit de keuken riep: “Hoor je dat? Dat zijn The Supremes.” Alsof het algemene kennis was, iets wat je als kind gewoon moest opslaan voor later.
   Mijn moeder was geen uitgesproken fan. We hadden thuis geen platenkast vol Motown. Maar zodra er een hit voorbij kwam, veranderde haar toon. Dan ging het over Diana Ross. “Dat magere type,” zei ze dan, half bewonderend, half verbaasd. Dat tengere lichaam, die enorme ogen, dat grote haar – het maakte indruk. Terwijl zij aardappels afgiet, stond daar op televisie een wereld van glitterjurken en perfect ingestudeerde pasjes.

En soms, terwijl ze stond te strijken, noemde ze Florence Ballard. Dat die in armoede was overleden. Dat roem niet alles zegt. Die zinnen bleven hangen. Ik begreep als jongen nog niet de volle zwaarte ervan, maar ik voelde dat er iets achter zat. En dan was er Mary, over wie ze met een zekere vanzelfsprekendheid sprak: Mary, die er van het begin tot het bittere einde bij was gebleven. Alsof trouw blijven aan een groep net zo’n prestatie was als een nummer 1-hit scoren. Mijn moeder vertelde die wetenswaardigheden alleen wanneer er een liedje op radio of tv klonk, nooit als apart verhaal maar altijd verweven met het moment.

Misschien is het juist daardoor zo diep gaan zitten. Muziek werd iets met een achterkant. Meisjes die begonnen in eenvoudige jurken en eindigden in glitter en drama. Vriendschappen, breuken, doorzetten. Eind jaren tachtig begon ik fanatiek elpees te verzamelen van The Supremes. Met Diana, maar nadrukkelijk ook zonder haar. Want al snel ontdekte ik dat de groep na haar vertrek in 1970 nog zeven jaar doorging. Andere bezettingen, andere dynamiek, maar nog steeds die naam, nog steeds die ambitie. Het voelde als een ontdekkingstocht. Hoe klonk de groep zonder de ster die iedereen kende? Wat bleef er over van het geluid waar mijn moeder het soms over had?
   Begin jaren negentig verruilde ik het vinyl voor cd’s. Praktischer, minder gekraak. De collectie groeide gestaag. Ik denk dat ik inmiddels vrijwel alles heb wat officieel is uitgebracht. Toch verzamel ik door. Niet om zeldzame persingen te bemachtigen, maar omdat ik het prettig vind als een hoes er netjes uitziet. Een vers exemplaar vervangt dan een versleten kaft, alsof ik een herinnering voorzichtig restaureer.

Het fanatieke is er inmiddels wel af. Ik reis niet meer stad en land af voor optredens van een paar overgebleven Supremes uit latere samenstellingen. Maar zo af en toe is daar weer zo’n opleving. Dan hoor ik een intro, een meerstemmig refrein dat zich moeiteloos in mijn hoofd nestelt. En dan hoor ik mijn moeder weer, tussen pannen en strijkplank: “Dat is Diana Ross, de magere van de groep.” En ergens klinkt ook haar terloopse bewondering voor Mary, die bleef toen anderen vertrokken. Het zijn losse herinneringen. Geen grote verhalen. Maar ze hebben mijn liefde voor deze damesgroep voorgoed verdiept.