Verbinding

Onze reis naar Karpathos was zo geboekt. Een paar tikken op een mobiele telefoon, wat schuiven met vertrekdata, hotels vergelijken, reviews lezen en betalen. Klaar. De bevestiging zat vrijwel meteen in de mailbox. Geen reisbureau, geen dikke brochure en geen stapel papieren op tafel. Alleen een schermpje dat kleiner is dan de reisgidsen van vroeger.

Dat was ooit heel anders.

In 1997 gingen Edo en ik samen met mijn ouders naar Schotland. Een rondreis langs verschillende hotels, door een landschap dat we vooral kenden van foto’s en televisie. Het was toevallig ook het jaar waarin wij thuis internet kregen.

Internet klonk toen nog als iets uit de toekomst. Je maakte verbinding via de telefoonlijn, waarna de computer een reeks piepende en krakende geluiden liet horen. Zodra de verbinding tot stand was gekomen, kon er in huis niet meer worden gebeld. Dat vond niet iedereen even handig.

Voor onze reis zochten we op internet naar de verschillende hotels. Dat klinkt tegenwoordig als de gewoonste zaak van de wereld, maar voor ons was het iets bijzonders. Tot dat moment moest je het doen met een korte beschrijving in een brochure en misschien één kleine foto van de voorkant. Nu konden we thuis al zien waar we zouden slapen.

Tenminste, wanneer de pagina eindelijk verscheen.

Internet was tergend langzaam. Eerst kwam de tekst tevoorschijn, daarna stukje voor stukje de afbeeldingen. Soms bleef een foto halverwege steken en verscheen alleen het bovenste deel van een hotel. Het laden van een pagina duurde bijna langer dan tegenwoordig het inchecken en boarden op Schiphol. Toch bleven we geduldig naar het scherm kijken. Iedere nieuwe foto voelde als een kleine onthulling.

Ik voelde me een beetje als Harry Potter die voor het eerst kennismaakte met een compleet nieuwe wereld. Achter dat scherm bevonden zich opeens plekken waar wij naartoe zouden reizen. Schotse hotels, kastelen, dorpen en landschappen verschenen langzaam in onze woonkamer. Niet vloeiend en haarscherp, maar regel voor regel en pixel voor pixel.

Vanaf dat moment werd de wereld steeds kleiner.

Later kwamen snellere verbindingen, zoekmachines, boekingssites en digitale kaarten. Inmiddels kun je voor vertrek bijna alles bekijken. Je loopt via Street View alvast door de straat, leest wat eerdere gasten van het ontbijt vonden en zoekt uit aan welke kant van het hotel de zon opkomt. Je kunt zelfs vooraf ongeveer zien hoe de transferbus vanaf het vliegveld zal rijden.

Dat maakt reizen gemakkelijker. We hoefden voor Karpathos niemand te spreken en nergens heen te reizen. De volledige vakantie paste in mijn hand.

Toch is er ook iets veranderd. Vroeger zag je een hotel vaak pas echt wanneer de bus ervoor stopte. Je stapte uit, keek omhoog en dacht: dus hier zijn we. Nu herken je de entree soms al voordat de chauffeur de koffers uitlaadt.

De wereld is kleiner geworden, maar ook voorspelbaarder.

Misschien was die trage internetverbinding in 1997 daarom zo bijzonder. We kregen nog maar kleine stukjes van onze bestemming te zien. Net genoeg om nieuwsgierig te worden, maar te weinig om alle verrassingen weg te nemen.

En misschien begon de reis toen al. Niet op Schiphol, maar thuis, terwijl we geduldig wachtten tot het onderste deel van een Schots hotel eindelijk op het scherm verscheen.

Reiziger

Ik heb altijd van reizen gehouden. Al zolang ik me kan herinneren. Niet eens zozeer vanwege de vreemde landen of talen, maar om het gevoel ergens anders terecht te komen. Alsof een andere plek je even losmaakt van jezelf. Misschien is daar ook mijn fascinatie voor geschiedenis begonnen. Want wat is geschiedenis anders dan reizen naar een wereld die niet meer bestaat? Toch waren mijn reizen anders dan die van de meeste mensen.

Ik was een tiener toen ik ontdekte dat ik kon tijdreizen. Misschien was het geen toeval dat het juist toen begon; dat is tenslotte de leeftijd waarop alles verandert. Je lichaam wordt anders, je gedachten worden zwaarder en nachten krijgen een vreemde intensiteit. Terwijl het om me heen in Den Helder stil werd en de lichten achter de gordijnen één voor één doofden, gebeurde er iets met mij wat ik jarenlang onmogelijk kon verklaren. Zodra ik mijn ogen sloot, verdween mijn slaapkamer en stond ik ergens anders. In een andere eeuw. Soms midden in een oorlog, soms aan boord van een schip, kruipend tussen mensen die niet konden vermoeden dat een jongen uit een verre toekomst hen zwijgend observeerde.

De eerste keer dacht ik dat ik droomde. Pas later begon ik te vermoeden dat dromen soms gevaarlijk dicht tegen herinneringen aan kunnen liggen.

Een van mijn eerste reizen bracht me naar het Frankrijk van het jaar 1095. Ik stond op een stoffige vlakte buiten Clermont waar duizenden mensen luisterden naar paus Urbanus II. Hij riep op tot wat later de Eerste Kruistocht zou worden. In geschiedenisboeken lijkt zo’n moment groot en verheven, maar wat mij vooral bijbleef, waren de gezichten. Vermoeide boeren, uitgehongerde mannen, jongeren die hoopten dat God eindelijk betekenis gaf aan hun ellendige bestaan.

Later zag ik Jeruzalem. Niet het heilige decor uit schilderijen, maar een stad van rook, hitte en bloed. Kruisvaarders trokken door de straten. In hun ogen waren geloof en waanzin nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden. Ik herinner me vooral de geur. Geschiedenisboeken beschrijven gebeurtenissen, maar nooit de geur van angst, zweet, metaal en brandend hout.

Eeuwen later stond ik weer tussen mannen die dachten dat ze de wereld opnieuw uitvonden. In 1492 bevond ik me aan boord van de Santa María van Christoffel Columbus. Het schip kraakte voortdurend, alsof het zelf twijfelde aan de goede afloop. De oceaan leek eindeloos groot voor mannen die nog geloofden dat er voorbij de horizon monsters leefden.

Columbus zelf verraste me. Niet de heroïsche ontdekkingsreiziger uit de schoolboeken, maar een vermoeide man die voortdurend rekende, doodsbang dat zijn bemanning tegen hem in opstand zou komen. Toen er eindelijk land in zicht kwam, juichte niet iedereen. Sommigen huilden van opluchting, omdat ze wisten dat ze niet op zee zouden sterven.

Wat me het meest is bijgebleven, gebeurde pas uren later: de stilte waarmee de oorspronkelijke bewoners naar de Europeanen keken. Alsof beide beschavingen diep van binnen al voelden dat dit het begin was van iets onomkeerbaars.

Ik was erbij toen de Bastille viel tijdens de Franse Revolutie. Niet midden in de chaos, maar iets verderop, in een straat waar een bakker gewoon brood probeerde te verkopen terwijl de wereld om hem heen instortte. Dat is wat revoluties werkelijk zijn: gewone mensen die proberen normaal te blijven, terwijl de geschiedenis besluit dat het daarvoor te laat is.

Ik zag vrouwen door Parijs marcheren richting Versailles. Ik hoorde het geluid van de guillotine voordat ik hem zag. Geen dramatische klap, maar een droge, bijna zakelijke tik. Alsof de dood efficiënt was geworden.

Een van de laatste grote reizen bracht me naar Berlijn in 1945. De oorlog was voorbij, maar de stad leek nog na te branden. Overal lagen stenen, kapotte muren en uitgebrande voertuigen. Toch zag ik tussen het puin kinderen spelen. Dat vond ik misschien nog het meest indrukwekkende van alles wat ik ooit zag: dat het gewone leven altijd terugkomt, zelfs na het ergste wat mensen elkaar kunnen aandoen.

Jarenlang hield ik deze ervaringen voor mezelf. Hoe vertel je iemand dat je de kruistochten hebt gezien? Dat je de Atlantische Oceaan overstak met Columbus? Dat je in Parijs stond terwijl een revolutie de oude wereld opensneed?

Niemand die het gelooft. En eerlijk gezegd begon ik er zelf ook aan te twijfelen. Want telkens als ik terugkwam, lag ik gewoon weer in mijn slaapkamer in Den Helder. Het licht van de Lange Jaap. Het zachte geluid van de wind. Mijn schooltas op de stoel naast het bed.

En misschien was dat uiteindelijk ook de waarheid. Misschien heb ik nooit door de tijd gereisd en waren het slechts dromen van een nieuwsgierige tiener.  Maar daar is wel mijn liefde voor geschiedenis ontstaan.