Op dit moment lees ik, naast nog een paar andere boeken, een biografie over Alexander de Grote. Ik lees eigenlijk altijd meerdere boeken door elkaar en blijkbaar kan een Macedonische veldheer daar ook nog wel bij. Van Alexander wist ik natuurlijk het een en ander. Jong, veroveraar, enorm rijk, Perzen verslagen, tot in India gekomen en op zijn 32ste alweer dood. Maar juist bij zo iemand blijkt al snel dat wat je dénkt te weten vooral de samenvatting uit het geschiedenisboek is.
Ergens wist ik bijvoorbeeld nog dat Alexander niet simpelweg één godsdienst volgde. Hij groeide op met de Griekse godenwereld, met Zeus, Athena en Herakles, maar kwam tijdens zijn veroveringen voortdurend in aanraking met andere goden en religieuze gebruiken. Daar leek hij opvallend gemakkelijk in mee te bewegen. Zeus hoefde niet onmiddellijk plaats te maken wanneer er ergens een andere god opdook. Er kon blijkbaar best nog eentje bij.
Ik had Alexander daarom nooit als bijzonder religieus in mijn hoofd. Eerder als bijgelovig. Iemand die voortekenen serieus nam, offers bracht en orakels raadpleegde. Maar daarmee maak ik een onderscheid dat Alexander waarschijnlijk helemaal niet zou hebben begrepen. In zijn wereld liepen religie en wat wij tegenwoordig bijgeloof noemen door elkaar. Goden konden zich bemoeien met oorlogen, reizen, ziektes en het weer. Dromen konden iets betekenen en een voorteken kon reden zijn om een besluit nog eens te bekijken. Alexander nam dan ook zieners mee op zijn veldtochten en bracht regelmatig offers.
Het beroemdste voorbeeld is zijn bezoek aan het orakel van Amon in de Siwa-oase in Egypte. In 331 voor Christus trok Alexander daarvoor dwars door de woestijn. Dat doe je niet omdat je toevallig toch in de buurt bent. Amon was een belangrijke Egyptische god die door de Grieken met Zeus werd vereenzelvigd. Volgens latere verhalen werd Alexander bij het orakel begroet als zoon van Amon. Wat daar precies is gezegd, weten we niet. Wel weten we dat Alexander als farao in Egypte al met Amon verbonden werd en dat zijn bezoek aan Siwa later een belangrijke rol speelde in de verhalen over zijn goddelijke afkomst.
Of Alexander werkelijk dacht dat hij een zoon van een god was of dat het vooral handige politiek was, is veel moeilijker vast te stellen. Misschien was het allebei. Wanneer je op jonge leeftijd vrijwel ieder leger verslaat dat tegenover je wordt gezet, kan ik me voorstellen dat je op een ochtend in de spiegel kijkt en denkt: verrek, misschien bén ik inderdaad bijzonder.
Tijdens het lezen vroeg ik me ook af hoe iemand als Alexander het in onze tijd zou doen. Waarschijnlijk uitstekend en verschrikkelijk tegelijk. Hij was intelligent, charismatisch, grenzeloos ambitieus en kennelijk in staat mensen zover te krijgen dat ze hem jarenlang naar het einde van de bekende wereld volgden. Zet zo iemand in 2026 en hij zou vermoedelijk niet lang onopgemerkt blijven.
Alleen zou onze wereld hem ook behoorlijk frustreren. Parlementen. Rechters. Verkiezingen. Internationale verdragen. Mensen die gewoon nee tegen hem mogen zeggen. Alexander was dat laatste niet bijzonder gewend. En iemand die na de verovering van het immense Perzische Rijk dacht: mooi, dan gaan we nu verder naar India, lijkt me ook niet het type dat na twee bestuurstermijnen tevreden zijn toegangspasje inlevert.
Zijn orakels zouden waarschijnlijk wél moeiteloos met hun tijd meegaan. We noemen ze alleen anders. Waar Alexander naar Siwa trok om raad te vragen, raadplegen wij opiniepeilingen, algoritmes, influencers, toekomstvoorspellers en inmiddels zelfs AI. We vinden onszelf daarbij een stuk rationeler dan mensen 2300 jaar geleden. Of dat altijd terecht is, laat ik maar even in het midden.
Hoe religieus Alexander uiteindelijk precies was, is misschien niet eens de juiste vraag. Hij leefde in een wereld waarin godsdienst, rituelen, voortekenen, politiek en wat wij bijgeloof noemen geen afzonderlijke vakjes waren. Hij vertrouwde op offers, orakels en verschillende goden, maar vooral ook op zichzelf.
En naarmate zijn rijk groter werd, kwamen die twee steeds dichter bij elkaar.



