Het was er ineens niet meer. De vanzelfsprekendheid. De routine. Het stille genoegen van schoenen aantrekken, deur dicht, en gaan. Vijftien jaar lang was hardlopen geen vraag, maar een antwoord. Op drukte, op onrust, op alles. Nooit gedoe, nooit discussie met mezelf. Gewoon gaan.
En toen, ergens een half jaar geleden, veranderde er iets. Niet abrupt, niet met een duidelijke reden, maar sluipenderwijs. Waar ik vroeger meerdere keren per week liep, bleef er nu nog maar één moment over: de zaterdagochtend. Een vaste afspraak, dat wel. Maar ook niet meer dan dat. Alsof ik het hardlopen teruggebracht had tot een minimum. Hardlopen is voor mij altijd een soort persoonlijke religie geweest. Geen grote woorden, geen rituelen uit een overlevering, maar wel iets wat ertoe doet. Iets wat structuur geeft, rust brengt, betekenis zelfs. En zoals dat met religie kan gaan, werd het op een gegeven moment beperkt tot één moment per week. Mijn eigen kerkbezoek op zaterdagochtend. Schoenen aan, rondje, klaar.
Gek genoeg vond ik dat een tijdlang voldoende. Niet omdat het echt genoeg was, maar omdat het nét genoeg was om mezelf het gevoel te geven dat ik nog steeds liep. Dat ik het niet kwijt was. Terwijl dat natuurlijk maar deels waar was. Eén keer per week houdt iets in leven, maar het laat het niet groeien. De motivatie was er niet meer zoals vroeger. Geen tegenzin, maar ook geen zin. Een soort vlak landschap waarin hardlopen niet meer vanzelf kwam bovendrijven. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Hardlopen was altijd het makkelijkste deel van de dag geweest. Even eruit, hoofd leeg, ritme vinden. Soms vijf kilometer, soms tien, maar altijd met hetzelfde gevoel: dit klopt. En nu klopte het minder.
Wat je dan merkt, en dat is misschien nog wel het meest confronterend, is dat conditie geen bezit is. Het is een tijdelijke overeenkomst. Eén keer per week is niet genoeg om vast te houden wat je jarenlang hebt opgebouwd. De ademhaling die sneller hoog zit, benen die eerder protesteren. Afstanden die vroeger “even” waren, vragen nu weer aandacht. Alsof je langzaam terugglijdt. Afgelopen zondag was daar een mooi moment voor geweest. De run door Den Helder. Bekend terrein, herinneringen aan vroeger, aan straten waar alles ooit begon. Ik liet hem voorbijgaan. Niet omdat het niet kon, maar omdat het nog niet goed voelde. Misschien een gemiste kans, misschien ook niet.
Want tegelijkertijd gebeurde er iets anders. Het besef dat ik het mis. Niet een beetje, maar echt. Dat typische gevoel na afloop, de frisse lucht, het ritme van voeten op asfalt. Het idee dat je iets hebt gedaan wat alleen jij hebt gedaan, zonder publiek, zonder applaus. Gewoon jij en de weg. Misschien is dat wel de kern van mijn kleine religie. En zoals dat gaat met geloof: één keer per week is uiteindelijk niet genoeg. Nu het ’s avonds weer langer licht blijft, verandert er iets. De drempel wordt lager. De dag nodigt uit. Je kijkt naar buiten en weet: ja, dit is een moment. Geen donkere ochtend die je uit bed moet trekken, maar licht dat je bijna naar buiten duwt.
Het moet weer vaker. Mijn kerk mag best weer wat voller bezocht worden, al is het alleen door mijzelf. Niet meteen groots of meeslepend, maar gewoon een extra moment erbij. Een doordeweekse avond, een tweede rondje. Het maakt niet eens zoveel uit wanneer, als het maar weer onderdeel wordt van de week. Ik weet hoe het gaat. Eerst weer voorzichtig. Niet te ver, niet te snel. Accepteren dat het anders voelt dan vroeger, dat het lichaam opnieuw moet wennen. Maar ook weten dat het terugkomt. Altijd.
Ik heb me inmiddels ingeschreven voor de Dam tot Damloop, eind dit jaar. Niet omdat ik nu al in vorm ben, maar juist omdat ik dat weer wil zijn. Een stip op de horizon, iets om naartoe te werken. Geen druk, wel richting. Misschien trek ik vanavond mijn schoenen weer aan. Niet omdat het moet, maar omdat één keer per week gewoon niet meer genoeg is.
