Krassen

Toen het van de week de gehele dag zo druilerig regende ben ik naar de bibliotheek in het centrum van Almere gegaan. In het leescafé is het goed vertoeven, helemaal wanneer het buiten regent en je binnen wordt omgeven door boeken, tijdschriften en ander allerlei leesvoer. Echter een andere cafébezoekster, een tafeltje verder, zat er niet zo op haar gemak.

‘Ik ben zo toe aan iets sterkers dan een cappuccino,’ zei ze al roerend in haar koffiekopje. Ik keek vanuit een tijdschrift rond om te zien tegen wie ze het had. Er zat verder niemand in het café en de blonde medewerkster was druk bezig, met de rug naar de bezoekers gekeerd.
‘Oh ja?’ zei ik meer reagerend dan vanuit interesse. Mevrouw kwam los.
‘Ach, weet u wat het is?’ Ik schudde van niet. ‘Als alleenstaande moeder heb je het niet makkelijk. Helemaal als je 4 dagen in de week werkt.’

Ik glimlachte afwezig, trok mijn beide wenkbrauwen op en boog mijn hoofd lichtjes naar links. Het non-verbale gebaar voor “daar-zou-je-gelijk-in-kunnen-hebben”.
‘Ja, ik weet heus wel dat ik niet de enige alleenstaande moeder in deze wereld ben,’ ging ze verder. ‘Er zijn moeders die het veel slechter dan ik hebben. Maar het werk geeft me zó veel stress. Ik kan het nog net allemaal behapstukken. En daar lijdt die kleine van me wel onder.

Ze wenkte de blonde dame achter de balie en wees naar het lege cappucinokopje voor haar.
‘Wilt u iets van mij drinken?’ vroeg ze me. Ik bedankte vriendelijk. ‘Zelf weten,’ zei ze schouderophalend. ‘De koffie hier is goed. Geen slootwater in ieder geval.’
Ze rees lichtelijk op om op haar andere bil te zitten. ‘Het is niet alleen voor mij niet makkelijk, maar ook voor Raymond niet, zo heet mijn zoon,’ verhelderde ze. Ze schudde somber haar hoofd.

‘Zo heb ik al jaren een kinderschoolbord. Ooit door mijn opa, Ray’s overgrootvader, gemaakt. Heel lieflijk allemaal. Nu kwam ik gisteravond thuis en zie ik allemaal diepe krassen in het schoolbord. Alsof er met een scherpe punt of een schroevendraaier in is gekrast. Afschuwelijk! Nu was ik een beetje gaar van urenlang vergaderen op het werk en werd ik woedend. “Wie heeft dat gedaan!” schreeuwde ik. Nou, Raymond bleek het gedaan te hebben.’

Ze schudde het hoofd en nam een slokje van haar cappuccino. ‘Ik roep hem bij me en ik scheld hem de huid vol. Keihard, en hartstikke onredelijk. Het kind is net 5 jaar. Dus ik schrok zelf ook en begin ook te snotteren. Wij met z’n tweetjes snotterend en hyperventilerend in de woonkamer. Ik haal uiteindelijk diep adem en vraag hem “Waarom deed je dat nou?” Geen geluid, behalve zielig gesnik. Ik had al spijt. Ik knijp hem zachtjes in zijn armen en vraag: “Wat wou je in vredesnaam op dat schoolbord schrijven?” En weet je wat hij zei?’

Ik had geen flauw idee, maar zag wel het ritueel voor me. De boze, gefrustreerde en huilende moeder en het kleine ventje dat met schokkende schoudertjes naar de grond staat te staren en met tranen in zijn stem eindelijk het antwoord gaf, dat zijn moeder deze ochtend naar iets sterkers dan cappuccino deed verlangen: ‘Ik wou er in krassen: dag mamma, kusjes.

Muis

 Gisteravond kwam kat Harpo door het kattenluik binnen, luid miauwend. Aan de toon van het gemiauw van de kat kon ik horen dat hij iets in zijn bek had meegenomen. Het bleek een muis.
‘Kssh, ga je weg? Naar buiten!’ riep ik, want ik wil geen knaagdieren in huis. Twee katten vind ik wel genoeg. De kat koos het hazenpad en sprong, niet elegant, door het kattenluik naar buiten. Poes Oprah rende achter haar broer aan.

Met mijn handen op mijn bovenbenen boog ik over de muis en zei: ‘Och, arm beestje. Wat zal je geschrokken zijn.’ Het beestje draaide zich op zijn pootjes.
‘Geschrokken?’ riep het beestje, rood van drift. ‘Man, het had mijn dood kunnen zijn. U heeft leuke katten, dat kan ik niet ontkennen, maar waarom houdt u dat kreng niet binnen?’
‘De kat is gewend naar buiten en binnen te lopen,’ zei ik. ‘Maar het zit in zijn karakter, ziet u. We hebben werkelijk van alles gedaan om het tegen te gaan. Brochures van de dierenbescherming leggen we als placemat onder de bakjes kattenvoer, maar toch heeft hij af en toe een terugval. U begrijpt..’ 

‘U begrijpt.. U begrijpt..’ bauwde de muis. ‘Wat koop ik voor al die kletspraatjes? De feiten zijn, dat ik buiten rustig in het veldje liep en onverwacht door dat monster van u werd besprongen. Moet u mijn kleren eens zien..’
‘O, ik wil de schade graag vergoeden,’ zei ik. ‘We zijn verzekerd, weet u?’
‘En de schrik?’ riep de muis. ‘Wie vergoedt me de zenuwschok, die ik heb gekregen? Ik zou gezellig met mijn vrouw Edam gaan eten, maar voor mij is de pret er af. Ik sta te shaken op mijn pootjes.’
‘Misschien wilt u stukje kaas mee naar huis nemen?’ stelde ik voor. ‘Dan kunt u het in alle rust opeten.’
Gelukkig vond hij dat goed.

‘Maakt u er maar een langwerpig pakjes van,’ zei de muis. ‘Dat draagt makkelijker naar huis.’ Nadat ik de kaas had ingepakt nam de muis het onder zijn voorpootje en zette het op de vloer gevallen petje op zijn muizenkoppie. Bij het kattenluik draaide hij zich nog even om en sprak: ‘Waarom hou je eigenlijk geen duiven? Dát zijn aardige beesten!’
Ik heb ‘m beloofd het te zullen overwegen.

Oudtante

 Iedereen heeft wel een familielid die je de beste verhalen kan vertellen. Zo had ik een oom die schitterend en in detail je dingen kon laten geloven. Of ze waar waren, daar moest je zelf achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog altijd bij. De ouders van oudtante Boukje-het is mij onbekend of ze echt familie was of aangetrouwd, hadden vroeger een kroeg. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf maken, maar ook die van haar heit en mem.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk moest Boukje een paar eieren klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had ze later pas begrepen. Maar omdat heit en mem het lekker vonden deed Boukje ook maar een scheut bij haar eigen eitjes. Mijn oom herinnerde dat Boukje had gezegd: ‘Ik was acht jaar, maar ik kwam elke ochtend dronken op school. Hierbij keek ze mijn oom ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude, eenzame man die ze in het café opdeed. Het was telkens een andere, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg ze een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was het treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Het laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder de geringste twijfel vriendelijk voor haar zijn. Ze weten daarboven vast van die flinke scheut uit het vaatje, toen ze 8 jaar was. Kon zij het helpen? Oudtante Boukje vond het zelf niet om te lachen.

Angry Birds

In het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek wordt het jongetje, dat hooguit vijf jaar is, aan de hand binnengevoerd door zijn moeder, een rank meisjesachtig type, dat de voorgeschreven mode met overtuiging draagt. In haar afgedragen Uggs gaat ze aan een tafeltje vlak bij me zitten en zegt tegen de dame achter de bar: ‘Eén cappuccino en een Fristi voor hem. Heb u ook ijs?’
‘IJs?’ vraagt de dame achter de bar, op een toon of haar een portie plutonium wordt besteld.’
‘Die mevrouw heb geen ijs,’ zegt ze tegen het jongetje. ‘Maar dan krijg je straks wel iets lekkers. Als we bij Angry Birds in de bioscoop zijn. Gaan we lekker naar toe hè? Ventje van me. Naar Angry Birds. Maar eerst tante Shirley en Tyrone ophalen. Die gaan ook mee. Hè? Moet je even stil zijn, dan kan mama even met tante Shirley bellen. Om te zeggen dat we d’r aankomen.’

De dame loopt vanachter de bar en plaatst de bestelling, een cappuccino en een Fristi, met een licht overdreven elan op het kleine vierkante tafeltje. De moeder krijgt verbinding met de andere kant van het gesprek:
‘Hoi Shirley, schat. Hè? Ja, ik ook. Helemaal in de kreukels. We hadden niet meer met Steve mee moeten gaan, natuurlijk. Maar ’t was wel lachen, hè? Heb jij al iets gelezen dan? Ik ook niet. Het zal wel helemaal mis zijn gegaan. Dit kun je toch niet meer maken, op toneel. Hè? Nee, de wagen heb ik terug. Hij was weggesleept, door de gemeente. Nou ja, ik had ‘m ook zomaar gedumpt daar. Niks kostte het. Gek hè? Zeker service of zoiets. Zeg, ik kom d’r nou an met het ventje van me, voor Angry Birds. Wat? En Tyrone dan? O ja? Wat maf van hem. De oliebol. Maar dan kom ik toch zeker helpen. Tuurlijk. Hoe laat is die opening? Hebben we nog alle tijd. Tot dadelijk dan. Ciao.’

Haar aandacht ging weer naar het jongetje, dat zuinig zijn Fristi door het rietje dronk. ‘Gaan we nou naar Angry Birds?’ vraagt hij.
‘Nee, we gaan morgen naar Angry Birds,’ antwoordt ze. ‘Mamma moet vanmiddag even met tante Shirley gaan helpen om de schilderijen op te hangen van Ome Sjon, en stukjes kaas snijden en zo. En dan krijg jij een grote rol drop en dan brengt tante Lucia jou en Tyrone naar de kapper om je haartjes te laten knippen. Je weet wel, die aardige kapper, vlak bij tante Shirley. Leuk hè? Drink je Fristi nou maar lekker op. O, kijk eens wie daar loopt? Ome René.’
Ze staat op en wuift enthousiast. Een jongeman blijft bij de tijdschriften stilstaan, kijkt naar haar en loopt het leescafé binnen.
‘Hey René, schat,’zegt ze, en sluit hem in de armen. De jongen draagt een rode trainingsbroek met het kruis ter hoogte van zijn knieën en kijkt met grote, donkere ogen droevig de wereld in.

Wanneer hij ook aan het tafeltje zit zegt ze: ‘Stel je toch voor. Sjon is zijn hele tentoonstelling vergeten. De oliebol. Ik zou met Shirley en Tyrone en dit ventje van me hier naar de bioscoop, maar nou ga ik helpen hangen en de catering voor de borrel klaarmaken. Anders kan ’t niet eens open om vijf uur als de bobo’s komen.’
De jongeman heeft zijn hand liefkozend op het hoofd van het jongetje gelegd. Daarna kijkt hij haar aan en mompelt iets onverstaanbaars.
‘O, maar dat zou picobello zijn,’roept ze. En tegen het kind: ‘Weet je met wie je nou mee mag, ventje van me? Met ome René.’
‘Naar de kapper?’ vraagt het jongetje.
‘Nee schat. Naar Angry Birds. Je zou toch naar Angry Birds? Nou gaat ome René met jou naar Angry Birds. Leuk he`?’

Het kind duwt het pakje Fristi met uitgestrekte armen voor zich uit en knikt.
‘Nou gaat mamma even de bioscoop bellen om plaatsjes te bestellen,’ en ze haalt haar mobieltje tevoorschijn. ‘Hallo? Ik wou graag twee mooie plaatsen voor Angry Birds vanmiddag. Wat? Helemaal? O, de vakantie. Ja, daar is dan niks aan te doen. Ciao.’
Het kind zucht lichtjes. De vrouw bergt haar mobieltje op.
‘Zeg, ventje van me, alle plaatsjes zijn uitverkocht, zegt de meneer van de bios. Jammer hè? Maar dan gaan we morgen naar Angry Birds. En dan mag jij vanmiddag lekker met Tyrone naar de kapper. Die aardige kapper, bij tante Shirley, weet je wel? Leuk hè?’

Naar een kronkel van Simon Carmiggelt

Verdorie

De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.

In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’

Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’