Iedereen kent wel een persoon die de mooiste en sterkste verhalen kan vertellen. Zo had ik vroeger een buurman die schitterend en in detail je dingen kon doen laten geloven. Of deze verhalen waar waren, daar moest je dan zelf maar achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog wel helder bij. De ouders van oudtante Boukje hadden vroeger een kroeg in Den Helder. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf, maar ook die van haar vader en moeder maken.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen, bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk, moest Boukje een paar eieren voor hen klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader de eerste keer gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had Boukje pas later begrepen. Omdat vader en moeder het lekker vonden deed Boukje ook een scheut uit het vaatje bij haar eigen eitjes. Oudtante verklaarde later: ‘Ik was acht jaar oud en ik kwam elke ochtend dronken in de klas.’ Hierbij keek ze iedereen die het lachende aanhoorde ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude en eenzame man die ze in haar café leerde kennen. Het was telkens een andere vent, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg Boukje een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was de treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Haar laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder enige twijfel vriendelijk voor haar zijn.

Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels…’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
    ‘Sorry, poeties,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
    Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
    ‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
    Daar schrokken ze een beetje van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
    Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.

Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Toen Simon zaterdagavond alleen thuis was en een boek van Edgar Allan Poe las, werd er aan de voordeur gebeld. Hij opende de deur en zag een lange, dunne man met een porky pie-hoedje op.
‘Goede avond,’ zei hij. ‘Is de heer Anders thuis?’
‘Nee,’ antwoordde Simon.
‘Wanneer zou ik hem dán kunnen treffen,’ vroeg het hoedje.
‘Nooit,’ sprak Simon. ‘Hij woont hier niet.’
De man met het hoedje streek over zijn baardje. Meteen deed hij een stapje achteruit, en liet zijn licht op het huisnummer schijnen.
‘Tweeëntwintig!’ riep hij opgelucht. ‘Ziet u wel, ik wist wel dat ik goed was. Anders woont op tweeëntwintig.’
Simon schudde ontkennend zijn hoofd.
‘Zeker wel,’ vervolgde de man. ‘Anders is zo’n dikkerd, met een wit hondje.’
Uit beleefdheid deed Simon of hij nadacht, maar tenslotte verklaarde Simon noch de heer, noch zijn huisdier te kennen.
Het hoedje werd er ongeduldig van.
‘Hij heeft zo’n dikke kop, Anders! Ik ben al zo vaak bij hem geweest!’
‘Echt niet, meneer,’ riep Simon. ‘Als ik u toch vertel dat. ..’
Op dat ogenblik ging de deur van de huiskamer open en trad een dikke man met een opgeblazen gezicht de gang in. Hij droeg een wollen vest, en een wit hondje liep bij zijn benen. Met uitgestoken hand liep hij op het hoedje af en riep: ‘Ha die Koen! Leuk dat je even aankomt!’
‘Ziet u nou wel,’ sprak de bezoeker, terwijl hij Simon verwijtend aankeek.
Simon was natuurlijk nogal verbaasd, maar later is de zaak hem duidelijk geworden. Die Anders woont al anderhalf jaar in het huis, dat door een administratief misverstand bij woningstichting niet alleen aan Simon, maar ook aan Anders is verhuurd. Door een merkwaardig toeval hebben ze elkaar nooit eerder opgemerkt, omdat Anders altijd net in de achterkamer was, wanneer Simon vóór huisde. Liep Simon de achterkamer in, dan moest Anders net even de gang op of op het toilet zitten. Zo hebben ze elkaar al die tijd misgelopen, maar nu is de zaak door het bezoek aan het licht gekomen. Ze zullen er iets op moeten vinden. Gelukkig vindt Simon Anders geen kwade vent. Misschien een beetje te dik.

db-logo-green

De bus reed net voor mijn neus weg toen ik van zomer vanuit mijn werk bij mijn vorige werkgever in Nieuwegein naar huis wilde reizen. Ik was niet de enige misser van de bus. Een enigszins bejaard echtpaar, dat in de verte op een sukkeldraf had gelopen, die overging in een normale wandelpas toen de bus begon weg te rijden, kwam naast mij staan.
‘Daar gaat-ie,’ zei de man bitter.
De vrouw knikte. ‘Ik zien het,’ zei ze.
De man keek haar aan met een enige verachting.
‘Als jij nou niet zo lang aan dat haar van je had staan friemelen, dan hadden we ‘m gehaald,’ sprak hij.
De vrouw, die klein en gezet was, haalde haar schouders op en antwoordde: ‘Als we gezellig in de stad gaan eten, moet ik mijn haar toch doen. Ik ga er niet als een slons bij zitten, in zo’n restaurant.’
De man schudde geërgerd het hoofd. ‘Maar je hoeft er toch niet zo belachelijk lang over te doen!’
‘Jij hebt makkelijk praten, met je kamerbrede scheiding,’zei de vrouw vinnig. ‘Maar ik heb mijn haar nog en ik wil dat het knap zit als we gezellig in de stad gaan eten.’
‘Dat haar van jou blijft precies eender, wat je er ook aan doet,’ zei de man. ‘Ik heb je wel vijf keer gezegd: dank aan de bus. Maar nee…’
‘Of jij niet teuten kan!’ riep de vrouw. ‘Eer jij ‘s-ochtends eindelijk het huis uit bent en ik een beetje uit de voeten kan, o, ik word soms zeeziek van je.’
De man hief bezwerend de hand op.
‘Dat is heel wat anders,’ sprak hij, op principiële toon. ‘We hebben het niet over ‘s-ochtends. We hebben het over nu. We zullen gezellig in de stad gaan eten. Goed, dan wil ik ook op tijd in de stad zijn, zodat ik me niet hoef te jagen. Ik wil om kwart voor zes op mijn gemak mijn borrel drinken. En ik wil om kwart voor zeven aan tafel gaan. Maar dat kan nu allemaal iet meer, alleen omdat jij…’
‘Ach vent!’zei de vrouw.
Ze draaide hem de rug toe.
Een poosje zwegen ze.
Toen zei de man, weer zo bitter: ‘Voor mij is de lol eraf.’
‘Nou, voor mij ook hoor, als je zo zeurt,’ kefte ze.
‘Ik zeur niet,’ antwoordde de man. ‘Ik zeg alleen de feiten. Als jij niet zo lang aan dat haar van je…’
‘Ja dat weet ik nou wel!’ riep de vrouw.
Ik wist het inmiddels ook.
‘Waar blijft die bus?’ sprak de man, na eindeloos de weg afgetuurd te hebben.
Hij keek op zijn horloge en zei: ‘Ik ga net zo lief naar terug naar huis.’
‘Als je maar weet dat ik geen eten in huis heb,’ antwoordde de vrouw.
‘Waarom niet?’
‘Waarom niet!’ herhaalde ze fel. ‘Ik ga toch zeker niks in huis halen als ik weet dat we gezellig samen in de staf gaan eten. Dat is nu weer echt mannenpraat.’
‘Goed, goed,’ zei hij, quasi berustend. ‘Ik vind alleen…’
‘Daar komt de bus,’ zei de vrouw.
Z|e stapten beiden het eerst in en namen plaats op de voorste zitplaatsen. Toen ik had ingecheckt en hen passeerde, hoorde ik de man zeggen: ‘Ik bedoel, als we nou eens gezellig in de stad gaan eten, moet je…’
Ik ben maar helemaal achterin de bus gaan zitten.

Haar vader was een vrolijke, luide man. Hij hield van moppen tappen en mensen voor de gek houden.. Zijn grootste feestdag was dan ook de eerste dag van april. Dan fopte hij de mensen naar hartenlust en bulderde het uit wanneer ze in zijn vallen liepen. Moeder was meer bekwaam en meer op een lijn met haar.

Vorig jaar december zou ze niet zo snel vergeten. Het grote, ouderwetse huis waarin ze woonde, scheen geschapen voor het sinterklaasfeest, want er was een open haard in de huiskamer met zo een schouw waarin de pijp naar het dak uitkwam. Een ideale plaats om je schoen bij te zetten. Kinderen elders, in centraal verwarmde woningen hebben het moeilijk, maar hun fantasie is zo soepel dat ze hun schoen tevreden bij de radiator zetten, in goed vertrouwen dat Sinterklaas het wel via zal weten te regelen.

Die avond, het was begin december, had het meisje bij de schoorsteen gezongen. Toen ze op weg was naar bed, hoorde ze  de stem van haar vader, die riep: ‘kom eens gauw helpen!’
Ze liep vlot terug naar de kamer. ‘Wat is er?’
‘Ik heb die ouwe bij zijn poot,’riep hij.
Bij het vuur stond hij, uit alle macht trekkend aan een been,. dat uit de schouw kwam. ‘Help nou eens!’
Hij had een rood hoofd van inspanning. Maar het kind stond als verlamd van schrik en zag hem opeens achterovertuimelen, met een hoge laars in zijn hand.
‘Hij is me ontsnapt,’hijgde hij. En overeind krabbelend: ‘Maar zijn schoen heb ik. Die geef ik niet meer terug.’
‘Dat mag niet,’ zei het meisje, ‘nou is Sinterklaas heel boos op u. Misschien komt hij u wel halen vannacht.’
‘Ik ben helemaal niet bang hoor,’riep de vader.
Hij was een liefhebber van grappen, zoals eerder gemeld.

Rillend van angst vluchtte het kind naar de slaapkamer en kroop in bed. Haar moeder kwam en zag meteen dat er iets aan de hand was.
‘Wat scheelt je?’vroeg ze.
En het meisje vertelde hoe vader de woede van Sinterklaas had getrotseerd.
Somber luisterde de vrouw naar het verhaal. Toen zei ze: ‘Wees maar niet bang. Vader maakte maar een grapje.’
‘Maar als Sinterklaas nou boos is?’
‘De echte is al lang dood. Die bestaat niet meer.’
’t was een hele brok om zo ineens door te slikken.
‘En de ooievaar?’ vroeg het kind, ‘die vind ik ook griezelig. Pa zegt dat ik door de ooievaar ben gebracht.’
‘Dat is ook maar een grapje,’ antwoordde de moeder, die in een moeite door schoonschip wilde maken. ‘De ooievaar brengt de kinderen niet. Jij komt gewoon van mij.’
‘O,’ zei het meisje.
Ze kreeg een nachtzoen op het bleke, peinzende gezichtje. De moeder liep naar de deur.
‘Zeg moeder, ‘vroeg het meisje.
‘Ja?’
‘En God, bestaat die ook niet echt?’ klonk het voorzichtig.
‘Jawel, God bestaat écht,’ zei de moeder. En ze deed het licht uit.




S. Carmiggelt

Almere is mooi, zeker op een zonnige herfstochtend als deze. Dichters en poëten dwingen je melancholiek te worden van de herfst, maar zoals ik er hardloop, tussen moegedwarrelde bladeren, voel ik me eigenlijk alleen maar blij en vrolijk. Ik zou met plezier alle petities willen tekenen of al mijn kleingeld aan een goed doel willen doneren, want de zwijgende rottende bodem om mij heen drijf mij tot aan mijn oren vol zoet aandoenlijkheid

Hoe houd ik toch van de mensen! Met het openbaar vervoer heb ik wel eens een spuughekel aan hen, want daar is het net of je met een hele troep onbekenden in een groot bed ligt -allemaal met hun eigen eigenaardigheden. In het Bos der Onverzettelijken lopen ze echter zo’n mooi eind uit elkaar, en een mens wint altijd wanneer men hem zijn perspectief geeft.

Kijk. Een mevrouw met koningspoedel! Ik ben zo vrolijk gestemd, dat ik haar groet. En daar komt een kleine knul aangedrenteld, met zijn opa. Of vader. Een plaatje, die twee. De bekoorlijkheid van de dreumes inspireert mij zó, dat ik bij het voorbij rennen het niet kan laten even mijn hand op zijn krullenkop te leggen. Het ventje is echter niet erg vast op zijn beentjes, want nauwelijks heb ik mijn hand teruggetrokken of hij stort al ter aarde en barst in luid huilen uit.

Verschrikt keer ik om mijn eigen as om, en zeg: ‘Oh, sorry!’ Maar één blik op het gelaat van de opa -of vader, maakt me duidelijk dat hier een onuitwisbaar misverstand is geboren.
‘Schaam jij je niet?’ roept de man, rood aangelopen.
‘Nou, nou, niet overdrijven hoor,’ antwoord ik vriendelijk, ‘ik wilde alleen..’
Maar de man is zijn drift niet meester.
‘Rot op, klootzak,’ schreeuwt hij en heft zijn beide armen zo impulsief, dat hij bijna zelf ter aarde stort.
Zo komt het dat ik op een stille herfstochtend, in versnelde looppas het Bos der Onverzettelijken uit ren. Sommige dingen kan je gewoon niet uitleggen.

Aan het eind van de middag kwam mijn man met een tas vol boodschappen thuis en zei: ‘Je moet de groeten hebben.’
‘Van wie?’ vroeg ik.
Ofschoon het een redelijke vraag was, keek hij een beetje geïrriteerd. Hij begon zijn jas uit te trekken en zei: ‘Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Het ligt in m’n mond, maar het wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Toen hij in de kamer terugkeerde, vroeg ik: ‘Was ’t een man of een vrouw?’
‘Een man natuurlijk.’
‘Wat is daar zo natuurlijk aan?’
‘Ik heb ‘m toch gezien.’
‘Ja, maar ik niet,’ zei ik. ‘Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?’
‘Ik weet niet. Het is  wel een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.’
‘Is-ie in de twintig of in de dertig?’
‘Ben je gek, hij is minstens vijftig,’ riep hij.
‘Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom,’ zei ik.
‘Heel goed. Een spreuk zeker niet van jou.’
‘Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?’
‘Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht op weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.’
‘Detlev Klaasvader?’ opperde ik.
‘Zo heet niemand,’ riep hij geërgerd. ‘Hij is klein en dun en beweeglijk. Dat ik nou niet op die naam kan komen… Als ik ‘m zei zou je meteen roepen: “O, die.” En ik heb ‘m bijna. Een beetje vreemde naam.’
‘Wiebe Worgdrager?’
‘Hè, doe nou niet zo lollig.’
‘Rustig maar,’ zei ik. ‘Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?’
‘Niks.’
‘Niks? Hoe kan dat nou?’
‘Ik liep bij de supermarkt in de buurt,’ zei hij. ‘En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: ‘Doe de groeten.’ Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.’
Mijn man schudde zorgelijk zijn hoofd.
‘Ik word seniel, geloof ik,’ zei hij.
‘Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?’
‘Nou, veel gelachen, hè…’
‘Dat hebben we met veel bekenden gedaan.’
‘Wacht eens, hij was met zo’n blond meisje. Een mooi meisje.’
‘Naam?’ vroeg ik.
‘Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.’
‘Hoe heette die dan?’
‘Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.’
‘Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen?’ vroeg ik.
‘O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.’
‘Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen,’ zei ik. ‘Hoe zag hij eruit?’
‘Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.’
‘Laten we het opgeven,’ zei ik. ‘Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.’
Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar ’s nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn man zat op de rand van het bed.
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Hè, ik had ‘m bijna, die naam,’ riep hij. ‘Nou is-ie weer weg.’
Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: ‘Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.’

Vrij bewerkt naar Simon Carmiggelt. Uit: ‘Vroeger Kon Je Lachen, 1977’.

Toen het van de week de gehele dag zo druilerig regende ben ik naar de bibliotheek in het centrum van Almere gegaan. In het leescafé is het goed vertoeven, helemaal wanneer het buiten regent en je binnen wordt omgeven door boeken, tijdschriften en ander allerlei leesvoer. Echter een andere cafébezoekster, een tafeltje verder, zat er niet zo op haar gemak.

‘Ik ben zo toe aan iets sterkers dan een cappuccino,’ zei ze al roerend in haar koffiekopje. Ik keek vanuit een tijdschrift rond om te zien tegen wie ze het had. Er zat verder niemand in het café en de blonde medewerkster was druk bezig, met de rug naar de bezoekers gekeerd.
‘Oh ja?’ zei ik meer reagerend dan vanuit interesse. Mevrouw kwam los.
‘Ach, weet u wat het is?’ Ik schudde van niet. ‘Als alleenstaande moeder heb je het niet makkelijk. Helemaal als je 4 dagen in de week werkt.’

Ik glimlachte afwezig, trok mijn beide wenkbrauwen op en boog mijn hoofd lichtjes naar links. Het non-verbale gebaar voor “daar-zou-je-gelijk-in-kunnen-hebben”.
‘Ja, ik weet heus wel dat ik niet de enige alleenstaande moeder in deze wereld ben,’ ging ze verder. ‘Er zijn moeders die het veel slechter dan ik hebben. Maar het werk geeft me zó veel stress. Ik kan het nog net allemaal behapstukken. En daar lijdt die kleine van me wel onder.

Ze wenkte de blonde dame achter de balie en wees naar het lege cappucinokopje voor haar.
‘Wilt u iets van mij drinken?’ vroeg ze me. Ik bedankte vriendelijk. ‘Zelf weten,’ zei ze schouderophalend. ‘De koffie hier is goed. Geen slootwater in ieder geval.’
Ze rees lichtelijk op om op haar andere bil te zitten. ‘Het is niet alleen voor mij niet makkelijk, maar ook voor Raymond niet, zo heet mijn zoon,’ verhelderde ze. Ze schudde somber haar hoofd.

‘Zo heb ik al jaren een kinderschoolbord. Ooit door mijn opa, Ray’s overgrootvader, gemaakt. Heel lieflijk allemaal. Nu kwam ik gisteravond thuis en zie ik allemaal diepe krassen in het schoolbord. Alsof er met een scherpe punt of een schroevendraaier in is gekrast. Afschuwelijk! Nu was ik een beetje gaar van urenlang vergaderen op het werk en werd ik woedend. “Wie heeft dat gedaan!” schreeuwde ik. Nou, Raymond bleek het gedaan te hebben.’

Ze schudde het hoofd en nam een slokje van haar cappuccino. ‘Ik roep hem bij me en ik scheld hem de huid vol. Keihard, en hartstikke onredelijk. Het kind is net 5 jaar. Dus ik schrok zelf ook en begin ook te snotteren. Wij met z’n tweetjes snotterend en hyperventilerend in de woonkamer. Ik haal uiteindelijk diep adem en vraag hem “Waarom deed je dat nou?” Geen geluid, behalve zielig gesnik. Ik had al spijt. Ik knijp hem zachtjes in zijn armen en vraag: “Wat wou je in vredesnaam op dat schoolbord schrijven?” En weet je wat hij zei?’

Ik had geen flauw idee, maar zag wel het ritueel voor me. De boze, gefrustreerde en huilende moeder en het kleine ventje dat met schokkende schoudertjes naar de grond staat te staren en met tranen in zijn stem eindelijk het antwoord gaf, dat zijn moeder deze ochtend naar iets sterkers dan cappuccino deed verlangen: ‘Ik wou er in krassen: dag mamma, kusjes.

 Gisteravond kwam kat Harpo door het kattenluik binnen, luid miauwend. Aan de toon van het gemiauw van de kat kon ik horen dat hij iets in zijn bek had meegenomen. Het bleek een muis.
‘Kssh, ga je weg? Naar buiten!’ riep ik, want ik wil geen knaagdieren in huis. Twee katten vind ik wel genoeg. De kat koos het hazenpad en sprong, niet elegant, door het kattenluik naar buiten. Poes Oprah rende achter haar broer aan.

Met mijn handen op mijn bovenbenen boog ik over de muis en zei: ‘Och, arm beestje. Wat zal je geschrokken zijn.’ Het beestje draaide zich op zijn pootjes.
‘Geschrokken?’ riep het beestje, rood van drift. ‘Man, het had mijn dood kunnen zijn. U heeft leuke katten, dat kan ik niet ontkennen, maar waarom houdt u dat kreng niet binnen?’
‘De kat is gewend naar buiten en binnen te lopen,’ zei ik. ‘Maar het zit in zijn karakter, ziet u. We hebben werkelijk van alles gedaan om het tegen te gaan. Brochures van de dierenbescherming leggen we als placemat onder de bakjes kattenvoer, maar toch heeft hij af en toe een terugval. U begrijpt..’ 

‘U begrijpt.. U begrijpt..’ bauwde de muis. ‘Wat koop ik voor al die kletspraatjes? De feiten zijn, dat ik buiten rustig in het veldje liep en onverwacht door dat monster van u werd besprongen. Moet u mijn kleren eens zien..’
‘O, ik wil de schade graag vergoeden,’ zei ik. ‘We zijn verzekerd, weet u?’
‘En de schrik?’ riep de muis. ‘Wie vergoedt me de zenuwschok, die ik heb gekregen? Ik zou gezellig met mijn vrouw Edam gaan eten, maar voor mij is de pret er af. Ik sta te shaken op mijn pootjes.’
‘Misschien wilt u stukje kaas mee naar huis nemen?’ stelde ik voor. ‘Dan kunt u het in alle rust opeten.’
Gelukkig vond hij dat goed.

‘Maakt u er maar een langwerpig pakjes van,’ zei de muis. ‘Dat draagt makkelijker naar huis.’ Nadat ik de kaas had ingepakt nam de muis het onder zijn voorpootje en zette het op de vloer gevallen petje op zijn muizenkoppie. Bij het kattenluik draaide hij zich nog even om en sprak: ‘Waarom hou je eigenlijk geen duiven? Dát zijn aardige beesten!’
Ik heb ‘m beloofd het te zullen overwegen.

 Iedereen heeft wel een familielid die je de beste verhalen kan vertellen. Zo had ik een oom die schitterend en in detail je dingen kon laten geloven. Of ze waar waren, daar moest je zelf achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog altijd bij. De ouders van oudtante Boukje-het is mij onbekend of ze echt familie was of aangetrouwd, hadden vroeger een kroeg. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf maken, maar ook die van haar heit en mem.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk moest Boukje een paar eieren klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had ze later pas begrepen. Maar omdat heit en mem het lekker vonden deed Boukje ook maar een scheut bij haar eigen eitjes. Mijn oom herinnerde dat Boukje had gezegd: ‘Ik was acht jaar, maar ik kwam elke ochtend dronken op school. Hierbij keek ze mijn oom ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude, eenzame man die ze in het café opdeed. Het was telkens een andere, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg ze een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was het treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Het laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder de geringste twijfel vriendelijk voor haar zijn. Ze weten daarboven vast van die flinke scheut uit het vaatje, toen ze 8 jaar was. Kon zij het helpen? Oudtante Boukje vond het zelf niet om te lachen.