Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels…’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
    ‘Sorry, poeties,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
    Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
    ‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
    Daar schrokken ze een beetje van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
    Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.

Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Toen Simon zaterdagavond alleen thuis was en een boek van Edgar Allan Poe las, werd er aan de voordeur gebeld. Hij opende de deur en zag een lange, dunne man met een porky pie-hoedje op.
‘Goede avond,’ zei hij. ‘Is de heer Anders thuis?’
‘Nee,’ antwoordde Simon.
‘Wanneer zou ik hem dán kunnen treffen,’ vroeg het hoedje.
‘Nooit,’ sprak Simon. ‘Hij woont hier niet.’
De man met het hoedje streek over zijn baardje. Meteen deed hij een stapje achteruit, en liet zijn licht op het huisnummer schijnen.
‘Tweeëntwintig!’ riep hij opgelucht. ‘Ziet u wel, ik wist wel dat ik goed was. Anders woont op tweeëntwintig.’
Simon schudde ontkennend zijn hoofd.
‘Zeker wel,’ vervolgde de man. ‘Anders is zo’n dikkerd, met een wit hondje.’
Uit beleefdheid deed Simon of hij nadacht, maar tenslotte verklaarde Simon noch de heer, noch zijn huisdier te kennen.
Het hoedje werd er ongeduldig van.
‘Hij heeft zo’n dikke kop, Anders! Ik ben al zo vaak bij hem geweest!’
‘Echt niet, meneer,’ riep Simon. ‘Als ik u toch vertel dat. ..’
Op dat ogenblik ging de deur van de huiskamer open en trad een dikke man met een opgeblazen gezicht de gang in. Hij droeg een wollen vest, en een wit hondje liep bij zijn benen. Met uitgestoken hand liep hij op het hoedje af en riep: ‘Ha die Koen! Leuk dat je even aankomt!’
‘Ziet u nou wel,’ sprak de bezoeker, terwijl hij Simon verwijtend aankeek.
Simon was natuurlijk nogal verbaasd, maar later is de zaak hem duidelijk geworden. Die Anders woont al anderhalf jaar in het huis, dat door een administratief misverstand bij woningstichting niet alleen aan Simon, maar ook aan Anders is verhuurd. Door een merkwaardig toeval hebben ze elkaar nooit eerder opgemerkt, omdat Anders altijd net in de achterkamer was, wanneer Simon vóór huisde. Liep Simon de achterkamer in, dan moest Anders net even de gang op of op het toilet zitten. Zo hebben ze elkaar al die tijd misgelopen, maar nu is de zaak door het bezoek aan het licht gekomen. Ze zullen er iets op moeten vinden. Gelukkig vindt Simon Anders geen kwade vent. Misschien een beetje te dik.

db-logo-green