Verdorie

De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.

In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’

Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’

Auteur: Dray

'Je wordt met de lach leuker.'

U mag reageren.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s