Nederlanden

Ik zat van de week in de trein naar het werk en las iets over het jaar 1648. De Vrede van Münster. Het einde van de Tachtigjarige Oorlog. En dan ineens: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo’n naam waar je makkelijk overheen glijdt, omdat je ongeveer weet wat ermee bedoeld wordt. Maar dit keer bleef ik hangen bij één woord. Nederlanden. Meervoud.

Ik weet natuurlijk dat Nederland ooit uit verschillende gewesten bestond. Dat onze landsnaam daar nog altijd een taalkundig restje van draagt, had ik nooit echt bedacht. De Republiek was geen strak georganiseerd land zoals we dat nu kennen. Het was een verband van gewesten: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen. Ze werkten samen, maar ieder had behoorlijk wat eigen macht. Dit waren toen echt de Nederlanden.

Leuker vond ik nog dat het meervoud in andere talen springlevend is. De Duitsers zeggen die Niederlande, de Engelsen the Netherlands, de Fransen les Pays-Bas en de Spanjaarden los Países Bajos. Allemaal meervoud. Frans en Spaans houden het beeld van de Lage Landen keurig overeind. En wij? Wij maakten er op een gegeven moment gewoon een enkelvoud van. Nederland. Kort, praktisch, efficiënt. Heel Nederlands. Waarom meerdere landen noemen als één woord volstaat?

Toch klinkt Nederlanden veel mooier. Groter. Historischer. Misschien zelfs plechtig. Alsof je niet in Almere woont, maar ergens tussen oude gewesten, dijken en vergaderende heren met molensteenkragen. Niet dat ik behoefte heb aan zo’n kraag of een ganzenveer. Maar het klinkt aanzienlijk indrukwekkender dan: ik woon in Nederland.

Daarom pas ik voortaan een kleine persoonlijke correctie toe. Ik woon niet meer in Nederland. Ik woon in de Nederlanden. En als iemand vragen heeft, kan ik het verder aandikken. Ik ben ook geen gewone Nederlander meer. Ik ben een ingezetene der Nederlanden. Alsof ik ieder moment mijn dukaten kan gaan tellen. Daarna naar de Staten-Generaal, om me licht verontwaardigd uit te laten over de handelsroutes naar de Oost.

In het Engels wordt het nog mooier: “I am an inhabitant of these Netherlands.” These Netherlands. Alsof ik persoonlijk een paar gewesten beheer. Niemand zal er iets van begrijpen als ik het echt gebruik. Dat maakt het alleen maar aantrekkelijker. Soms hoeft taal niet efficiënter te worden. Soms mag ze gewoon een beetje pronken.

Parley

Parijs begint voor mij meestal niet bij de Eiffeltoren. Ook niet bij een terras, een croissant of een vergezicht over de Seine. Nee, Parijs begint na de lange autorit en het inchecken in ons vaste hotel aan de Rue de Maubeuge. Dan begint de reis pas echt: onder de grond, in een metrostation waar het ruikt naar remstof, haast en een stad die al honderd jaar onderweg is.

Toen ik er voor het eerst een weekend was, stond ik vol goede moed bij zo’n loket. Achter dik glas zat een man die eruitzag alsof hij al sinds 1978 kaartjes verkocht. Achter mij groeide de rij. Voor mij hing een wirwar aan lijnen, kleuren en stationsnamen waar geen einde aan leek te komen. Châtelet. Bastille. République. Gare du Nord. Het klonk allemaal alsof je een roman binnenstapte.

Ik had thuis nog geoefend. Een paar Franse zinnen ingestudeerd. Niet te veel nadenken, gewoon doen, hield ik mezelf voor.
“Bonjour monsieur… je voudrais…” begon ik voorzichtig.
Daarna volgde een vorm van Frans die waarschijnlijk nergens officieel erkend wordt, maar die ik tegenwoordig liefkozend mijn beste ‘stokbroodfrans’ noem.

Ik wees ondertussen fanatiek naar een plattegrond alsof ik een militaire operatie uitlegde. Twee kaartjes. Weekend. Metro. Misschien ook trein. Ik gooide er nog een aarzelend “s’il vous plaît” tegenaan voor de internationale vrede.

De man achter het glas keek me een paar seconden aan. Niet onvriendelijk. Meer alsof hij probeerde te bepalen of ik verdwaald was of gewoon Nederlands. Daarna volgde iets wat nog het meest leek op een diplomatieke parley tussen twee partijen die elkaar eigenlijk nauwelijk begrepen. Toen schoof hij, zonder één woord te zeggen, precies de juiste kaartjes onder het loketje door. Dat is misschien ook de ware kracht van Parijs.

De stad begrijpt toeristen beter dan toeristen Parijs begrijpen. Want eerlijk is eerlijk: dat metronetwerk oogt de eerste keer alsof iemand een bord spaghetti over een stadskaart heeft gegooid. Overstappen via gangen die langer zijn dan sommige wandelroutes. Lijnen met nummers én namen. Uitgangen waardoor je plotseling in een totaal andere straat bovenkomt dan je verwachtte.

Vreemd genoeg went het snel. Na een dag of twee ontstaat er iets wonderlijks: je herken ineens kleuren. Je weet dat lijn 1 handig is. Dat je soms beter één station kunt lopen dan drie keer overstappen. En dat “Sortie” gelukkig gewoon uitgang betekent, en niet een waarschuwing voor acuut gevaar.

Tegenwoordig gaat het allemaal anders. Nu loop ik met mijn telefoon in de hand bijna achteloos door Parijs. AI vertelt me welke lijn sneller is, waar ik moet overstappen en zelfs welke uitgang handig is als ik richting een bepaald café wil. Soms krijg ik onderweg nog de melding dat een andere route twee minuten sneller is. Daar had die man achter het loket in 1978 waarschijnlijk hard om gelachen.

Toch mis ik ergens dat kleine moment van chaos van vroeger. Dat stuntelige vragen stellen. Dat gevoel dat je je met handen, voeten en een paar kromme Franse woorden door een wereldstad heen moest improviseren. Want uiteindelijk zijn dat de momenten die blijven hangen. Niet dat de metro precies op tijd reed, maar dat je in Parijs stond, met klamme handen, een veel te zelfverzekerde glimlach en een mond vol stokbroodfrans.