Parley

Parijs begint voor mij meestal niet bij de Eiffeltoren. Ook niet bij een terras, een croissant of een vergezicht over de Seine. Nee, Parijs begint na de lange autorit en het inchecken in ons vaste hotel aan de Rue de Maubeuge. Dan begint de reis pas echt: onder de grond, in een metrostation waar het ruikt naar remstof, haast en een stad die al honderd jaar onderweg is.

Toen ik er voor het eerst een weekend was, stond ik vol goede moed bij zo’n loket. Achter dik glas zat een man die eruitzag alsof hij al sinds 1978 kaartjes verkocht. Achter mij groeide de rij. Voor mij hing een wirwar aan lijnen, kleuren en stationsnamen waar geen einde aan leek te komen. Châtelet. Bastille. République. Gare du Nord. Het klonk allemaal alsof je een roman binnenstapte.

Ik had thuis nog geoefend. Een paar Franse zinnen ingestudeerd. Niet te veel nadenken, gewoon doen, hield ik mezelf voor.
“Bonjour monsieur… je voudrais…” begon ik voorzichtig.
Daarna volgde een vorm van Frans die waarschijnlijk nergens officieel erkend wordt, maar die ik tegenwoordig liefkozend mijn beste ‘stokbroodfrans’ noem.

Ik wees ondertussen fanatiek naar een plattegrond alsof ik een militaire operatie uitlegde. Twee kaartjes. Weekend. Metro. Misschien ook trein. Ik gooide er nog een aarzelend “s’il vous plaît” tegenaan voor de internationale vrede.

De man achter het glas keek me een paar seconden aan. Niet onvriendelijk. Meer alsof hij probeerde te bepalen of ik verdwaald was of gewoon Nederlands. Daarna volgde iets wat nog het meest leek op een diplomatieke parley tussen twee partijen die elkaar eigenlijk nauwelijk begrepen. Toen schoof hij, zonder één woord te zeggen, precies de juiste kaartjes onder het loketje door. Dat is misschien ook de ware kracht van Parijs.

De stad begrijpt toeristen beter dan toeristen Parijs begrijpen. Want eerlijk is eerlijk: dat metronetwerk oogt de eerste keer alsof iemand een bord spaghetti over een stadskaart heeft gegooid. Overstappen via gangen die langer zijn dan sommige wandelroutes. Lijnen met nummers én namen. Uitgangen waardoor je plotseling in een totaal andere straat bovenkomt dan je verwachtte.

Vreemd genoeg went het snel. Na een dag of twee ontstaat er iets wonderlijks: je herken ineens kleuren. Je weet dat lijn 1 handig is. Dat je soms beter één station kunt lopen dan drie keer overstappen. En dat “Sortie” gelukkig gewoon uitgang betekent, en niet een waarschuwing voor acuut gevaar.

Tegenwoordig gaat het allemaal anders. Nu loop ik met mijn telefoon in de hand bijna achteloos door Parijs. AI vertelt me welke lijn sneller is, waar ik moet overstappen en zelfs welke uitgang handig is als ik richting een bepaald café wil. Soms krijg ik onderweg nog de melding dat een andere route twee minuten sneller is. Daar had die man achter het loket in 1978 waarschijnlijk hard om gelachen.

Toch mis ik ergens dat kleine moment van chaos van vroeger. Dat stuntelige vragen stellen. Dat gevoel dat je je met handen, voeten en een paar kromme Franse woorden door een wereldstad heen moest improviseren. Want uiteindelijk zijn dat de momenten die blijven hangen. Niet dat de metro precies op tijd reed, maar dat je in Parijs stond, met klamme handen, een veel te zelfverzekerde glimlach en een mond vol stokbroodfrans.

U mag reageren.