Martinus van Tours

‘Ik zal mijzelf voorstellen. Mijn naam is Martinus van Tours. Ik ben eeuwen geleden, zo’n 1.700 jaar terug, geboren in West-Hongarije. In de stad Szombathely om precies te zijn. Nu ook bekend om de voetbalclub Szombathelyi Haladás, die op het hoogste niveau spelen. Gisteren hebben ze nog met 1-0 gewonnen van Ferencváros

De man tegenover me lacht genegen en buigt even naar voren. Hij reikt naar een oude, versleten drinkbeker. Hij neemt een slok uit de groene mok. Hij zit nu rechtop op de sofa. De man heeft een leeftijd van achter in de zeventig, misschien net tachtig jaar. Het grijze pak dat hij draagt lijkt hem niet comfortabel te zitten. Hij trekt constant aan zijn jasje. De knoop van zijn stropdas hangt losjes om zijn nek en zijn schoenen lijken een maatje te groot. Ik zit tegenover hem met een notitieboekje op schoot. Martinus wilt mij zijn verhaal vertellen. Het is niet dat niemand zijn verhaal kent, maar hij heeft de behoefte het na al die jaren na zijn dood nogmaals eens correct te vertellen.

‘Mijn vader was destijds een Romeinse magistraat. Een overheidspersoon, zeg maar. Als vijftienjarige tiener ging ik in dienst bij het Romeinse leger en kwam ik bij een ruiterij in Gallië terecht. In die tijd had je geen internet of verenigingsleven, dus enig vertier vond je in het Katholieke geloof. Dus op achttienjarige leeftijd heb ik me laten dopen, heb het leger verlaten en werd ik leerling van bisschop Hilarius van Poitiers. De belangrijkste theoloog van die tijd. Zijn geschriften vormen de oudste christelijke literatuur in Gallië.’

Martinus is een vriendelijke man. Wanneer hij spreekt doe hij dit met enthousiasme. Zijn blauwe ogen stralen als hij spreekt over zijn tijd dat hij besloot zich als kluizenaar terug te trekken in de Franse stad Ligugé. Hij vertelt me met schik dat hij juist toen veel volgelingen kreeg.
‘Het waren er zoveel, dat dit tot gevolg had dat hierdoor het eerste klooster op Franse bodem ontstond. Kort hierna werd ik door de bewoners tot bisschop verkozen. Ondanks flink verzet van de andere bisschoppen,’ knipoogt hij me toe.

‘Als bisschop hield ik me aan het vrome monnikenleven, in tegenstelling tot andere bisschoppen, en maakte ik vele uitgebreide missioneringsreizen. Op zestigjarige leeftijd stichtte ik, natuurlijk tezamen met anderen, een klooster te Marmoutiers. Ik vond dat ik dit op deze leeftijd wel kon regelen. Het klooster was enorm in omvang en werd al snel een centrum van studie en missionering voor geheel Gallië. Ondanks dit succes, waren velen niet gelukkig met mij en mijn keuzes,’ fluistert hij me serieus toe. Hij hoest even achter zijn gesloten hand. ‘Ondanks dat ik voorstander was van orthodoxie, en nog steeds ben, was ik voor een mildere houding ten opzichte van het Priscillianisme. Een beweging binnen de christelijke kerk.’

‘Dit werd mij niet in dank afgenomen. Mijn bemiddelingen tot een mildere houding creëerde niet alleen weerstand bij de bisschoppen uit mijn eigen clerus, maar ook bij de Spaanse. Niet dat dit gegeven me tegenhield om mijn missioneringswerk te blijven doen, maar het geeft me een licht bitter gevoel, dat ik hierin werd tegengewerkt. Het is vooral treurig dat na mijn dood, mijn lichaam in triomf, als een overwinning, naar Tours werd overgebracht en bijgezet.’ De oude man glimlacht bedroevend naar mij en haalt even zijn schouders op. ‘Na bijna tweeduizend jaar, ben ik er nog niet aan gewend.’

‘Maar laten we vooral niet treuren, of boos blijven. Daar is niemand bij gebaat.’ Martinus van Tours kijkt me aan en vraagt me of ik verder nog vragen heb. Zonder te antwoorden, weet ik dat hij mijn vraag al weet. Hij sluit zijn ogen en vertelt verder.
‘Het was in mijn tienerjaren, een paar jaar nadat ik in dienst bij het Romeinse leger ging. Aan de stadspoort van Amiens reden we op onze paarden voorbij een paar schooiers. Bedelaars, zeg maar. Eén van hen was van mijn leeftijd en ik bedacht toen hoe ik zelf had geleefd, wanneer mij geen keuzes in het leven waren gegeven. Het was toen dat ik zonder aarzelen mijn mantel in tweeën sneed en mijn helft van de mantel aan de  arme schooier gaf. Soms is spontaan handelen niet verkeerd. Het blijft bij de mensen hangen.’

Martinus pakt zijn mok van de tafel en ziet dat deze inmiddels leeg is. Hij haalt zijn schouders op en glimlacht. ‘Komen er vanavond nog kinderen aan de deur te zingen voor snoep?’

2 Comments

U mag reageren.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s