Reetkever

Soms vraag ik me af of we in Nederland niet veel te achteloos omgaan met ons cultureel erfgoed. De Grieken hadden hun goden op de Olympus. De Noormannen beschikten over trollen en reuzen. De Azteken vereerden gevleugelde slangengoden. En wij? Wij lijken vergeten te zijn dat ook de Lage Landen ooit hun eigen wonderlijke wezens hadden.

Neem nu de reetkever.
Iedereen kent het woord. We hebben het allemaal wel eens gehoord. Maar wie heeft zich ooit afgevraagd waar dat mysterieuze beestje eigenlijk vandaan komt? Niemand. Dat is jammer, want volgens oude, nauwelijks teruggevonden overleveringen leefde de reetkever vooral tijdens gure Hollandse winters. Wanneer de wind over de dijken joeg, de kieren in de ramen floten en de turf amper nog warmte gaf, ging hij op zoek naar een warm holletje.
En laat de mens daar nu bijzonder geschikt voor zijn.

De reetkever was overigens geen kwaadaardig schepsel. Integendeel. Hij zocht een gastheer, nestelde zich behaaglijk op een beschutte plek en schonk zijn tijdelijke onderkomen iets terug. Men sprak over een merkwaardig warm gevoel. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk. Alsof iemand plotseling een deken om je schouders sloeg en zei: “Kom maar, het komt allemaal goed.” Boeren zouden daardoor met meer plezier hun akkers hebben bewerkt en vissers voeren met een lichter hart uit, ondanks de dreigende luchten boven de Zuiderzee.

Verwar de reetkever overigens niet met de aarsmaatjes. Dat is een heel andere soort. Aarsmaatjes zijn nutteloos, veroorzaken vooral ongemak en laten je achter met het gevoel dat je ergens spijt van hebt, zonder precies te weten waarvan. De reetkever daarentegen was een gast die zijn host juist kon voorzien van een warm, intens hartgevoel. Een wezen dat meer gaf dan het nam. Een zeldzaamheid, ook in mythologische kringen.

Er wordt wel beweerd dat de soort is uitgestorven toen de centrale verwarming zijn intrede deed. Waarom nog risico lopen op een koude tocht langs de Waddenzee als vrijwel ieder Nederlands huishouden tegenwoordig een radiator heeft? Andere onderzoekers houden vol dat de reetkever zich eenvoudig heeft aangepast en nu onopvallend tussen ons leeft. Dat zou verklaren waarom sommige mensen zich, zonder aanwijsbare reden, ineens opvallend tevreden voelen tijdens een gure winterwandeling.
Bewijs is er natuurlijk niet. Maar eerlijk gezegd: dat maakt een goede mythe alleen maar mooier.

Ik stel me graag voor dat er ergens, diep in de kelders van een vergeten abdij, een stoffig manuscript ligt met de titel Bestiarium der Nederduytsche Wonderdieren. Tussen de watergeesten, moerasduivels en dijkkabouters staat dan een zorgvuldig geïllustreerde reetkever afgebeeld, compleet met sierlijke aantekeningen in de kantlijn. “Onschadelijk voor den mensch,” zou er staan. “Zoekt warmte, verspreidt moed en vertrekt ongemerkt vóór den eersten lentedag.”

Misschien is dat wel het mooie van taal. Sommige woorden hebben helemaal geen geschiedenis. Ze zijn zó beeldend dat ons brein er spontaan eentje voor verzint. En voor je het weet geloof je zelf bijna dat de reetkever ooit echt heeft bestaan.

Al moet ik toegeven… op koude winterdagen zou ik hem best nog eens willen tegenkomen. Niet vanwege een warm holletje, maar vanwege dat warme hart. Dat kunnen we tegenwoordig allemaal wel een beetje gebruiken.

U mag reageren.