Van de week las ik op een site, National Geographic of misschien wel Instagram, over Khaled al-Asaad. Geen idee meer precies waar, maar zijn naam bleef hangen. Dus deed ik wat ik altijd doe wanneer mijn nieuwsgierigheid eenmaal is gewekt: even opzoeken wie dat was. Dat ‘even’ werd natuurlijk iets langer.
Voor wie IS inmiddels alweer een beetje uit het geheugen heeft gewist: Islamitische Staat was een extreem-islamitische terreurorganisatie die vanaf 2014 grote delen van Syrië en Irak veroverde en daar een zogenaamd kalifaat uitriep. De beweging werd berucht om haar terreur, massamoorden en vernietiging van cultureel erfgoed. Kortom: geen club waarvan je een uitnodiging voor de jaarlijkse barbecue wilde ontvangen.
Al-Asaad bleek een Syrische archeoloog die vrijwel zijn hele leven wijdde aan Palmyra. Toen IS de eeuwenoude stad in 2015 innam, werd de 82-jarige archeoloog gevangengenomen. Hij werd ondervraagd over de verblijfplaats van verborgen oudheden, maar weigerde die informatie prijs te geven. Uiteindelijk werd hij vermoord. Kort daarna begon IS monumenten in Palmyra op te blazen. De Tempel van Baalshamin, de Tempel van Bel. Bouwwerken die oorlogen, aardbevingen en bijna tweeduizend jaar menselijke geschiedenis hadden overleefd, verdwenen binnen enkele seconden.
En toen kwam mijn idiote verbazing, gevolgd door een misschien nog idiotere nieuwsgierigheid. Wat gaat er in vredesnaam door je hoofd wanneer je zoiets doet? Je staat bij iets wat er al stond toen jouw bet-bet-bet-bet-betovergrootouders nog niet eens een sprankje in iemands ogen waren, legt er explosieven onder en denkt blijkbaar: ja, uitstekend plan. Heb je dan geen moraal?
Het ongemakkelijke antwoord is dat die mensen waarschijnlijk wél een moraal hadden. Alleen eentje die zo grondig was verbouwd dat vernietigen daarin iets goeds kon worden. IS beschouwde dergelijke pre-islamitische tempels als uitingen van afgoderij. Binnen zo’n extreem wereldbeeld blaas je dus geen onvervangbaar archeologisch monument op. Je ‘bestrijdt afgoderij’. En door simpelweg een ander woord te kiezen kan vandalisme ineens een deugd worden. Dat vind ik misschien nog enger dan totale gewetenloosheid.
Want zodra iemand ervan overtuigd raakt dat zijn waarheid niet zomaar een waarheid is, maar dé waarheid, ontstaat ruimte voor vrijwel iedere zelfrechtvaardiging. Mijn overtuiging is juist. Wat daarmee strijdig is, is fout. Wat fout is, mag bestreden worden. En vervolgens hoeft er alleen nog iemand te vertellen dat bestrijden ook vernietigen mag betekenen.
Mensen blijken bovendien behoorlijk bedreven in het sussen van hun eigen geweten. Geef iets een andere naam, schuif verantwoordelijkheid door naar een leider, verschuil je achter een groep en noem vernietiging ‘zuivering’. Het geweten hoeft niet eens te verdwijnen. Je hoeft het alleen voldoende argumenten te geven om zijn mond te houden.
Misschien maakt juist dát Khaled al-Asaad zo indrukwekkend. Ook hij had een overtuiging. Alleen zei die niet: wat niet bij mijn wereldbeeld past, moet verdwijnen. Zijn overtuiging zei dat iets wat duizenden jaren vóór hem bestond, ook duizenden jaren ná hem zou moeten kunnen bestaan.
Twee overtuigingen stonden uiteindelijk tegenover elkaar in Palmyra. De ene zei: dit moet verdwijnen omdat het niet van ons is. De andere: dit moet blijven, juist omdat het niet van ons is.
Misschien is dát wel het verschil tussen bezit en beschaving.