Elagabalus

Laat ik u vertellen over Elagabalus. Veertien jaar jong, keizer van het Romeinse Rijk, en daarmee jonger dan de meeste pubers die vandaag met knikkende knieën hun eerste bijbaan ingaan. Ik denk bij hem eerlijk gezegd niet zozeer aan een monster, maar aan een kind in een snoepwinkel. Alles mag. Alles kan. Niemand die echt nee zegt. En dus pak je alles tegelijk, tot je misselijk wordt en de winkel afbrandt.

Het rijk liep van mistig Brittannië tot zinderend Syrië, maar in Rome geloofde men heilig dat alles in orde bleef zolang Jupiter op zijn plek stond en iedereen zich een beetje normaal gedroeg. Elagabalus had daar geen boodschap aan. Hij heette officieel Marcus Aurelius Antoninus; een hele mond vol. Elagabalus was priester van een Syrische zonnegod en nam die god bloedserieus. Hij sleepte heilige objecten uit tempels, zette zijn eigen cultus boven Jupiter en maakte er een spektakel van. Religieuze vernieuwing mocht best, zolang die onzichtbaar bleef. Dat detail was hem ontgaan.

De Romeinse schrijvers kregen het er warm van. Cassius Dio schreef met een persoonlijk beledigde pen: jurken, make-up en pruiken. Huwelijken alsof het kortingsbonnen waren. En dan die Vestaalse maagd. Dat was heiligschennis in hoofdletters. Ik vergelijk het met een paus die bij een popupstore gaat werken. Een bedrijf vol grote ideeën, weinig regels en een bijna aandoenlijk geloof dat alles beter kan. Zet dat naast een instituut dat leeft van ritueel en traditie, en het is begrijpelijk waarom Rome collectief de zenuwen kreeg.

En dan het beruchte verhaal dat Elagabalus zijn artsen zou hebben gevraagd hem een vagina te geven. Misschien waar, misschien niet. Maar de Romeinen hadden het verhaal nodig. Het was te perfect. Een keizer die niet wist wat hij hoorde te zijn, dat was erger dan slecht bestuur. Identiteit werd schandaal, en schandaal werd geschiedenis.

Besturen kon hij inderdaad niet. Hij liet het over aan vrienden, kleineerde de Senaat en begreep het leger niet. Dat laatste is altijd fataal. De Praetoriaanse Garde trok de stekker eruit. Zijn grootmoeder, die hem op de troon had geholpen, regelde ook zijn val. Familie is handig tot het dat niet meer is.

Hij eindigde dood, samen met zijn moeder, door Rome gesleept en in de Tiber gegooid. Damnatio memoriae. Weg ermee. Alsof alles dan weer netjes werd.

Maar eerlijk is eerlijk: ik zie vooral een losgelaten kind met te veel macht en te weinig grenzen. Dat is gevaarlijk, maar ook herkenbaar. En dan denk ik aan een volwassen leider die wél weet wat hij doet, maar structureel schade aanricht. Dat is misschien wel erger. Een president van de Verenigde Staten, Donald ‘Stupidity’ Trump bijvoorbeeld, die niet uit onbezonnenheid handelt maar uit hallucinerende overtuiging, en daarbij zijn eigen volk meesleurt, splijt en verarmt. Dat voelt minder als snoepwinkel en meer als sloopbedrijf. Dan heb ik meer sympathie voor de regerende tiener Elagabalus.

Patroclus

Laat ik u vertellen over Patroclus. Hij werd bekend als de jongen die altijd naast Achilles stond: zijn kameraad, zijn steun en toeverlaat, iemand die nooit wilde schitteren maar altijd aanwezig was. In de verhalen van de Grieken was hij niet de grote krijger, niet degene die het meeste lawaai maakte, maar juist de stille kracht op de achtergrond. We kennen hem uiteindelijk van Homerus’ Ilias, dat oude epische verhaal over Troje, waar alles draait om glorie, wraak en goddelijke tussenkomsten. Tussen al dat geweld en die overdrijvingen valt Patroclus op. Niet omdat hij grootse dingen doet, maar omdat hij er gewoon is.

Achilles trok zich terug uit de strijd, diep beledigd. Agamemnon had een vrouw opgeëist die ook Achilles’ eer raakte. Zijn trots voelde gekwetst, zijn status als grootste krijger werd in twijfel getrokken, en hij weigerde nog langer te vechten voor mensen die hem niet respecteerden. Zonder hem leden de Grieken zware verliezen, en daar zag Patroclus dat hij iets moest doen.

En als je het mij vraagt, was er meer tussen die twee dan kameraadschap. Homerus vertelt het niet expliciet, maar ik stel me voor hoe hun lichamen elkaar vonden in de schaduw van de tenten: hoe een hand over een borst gleed, hoe een kus die nooit wordt opgeschreven hen even uit de wereld tilde. Het is passie en tederheid tegelijk, een strelende brand in het hart van de strijd. Soms leek het alsof het pantser dat Patroclus aantrok niet alleen bescherming bood, maar ook de warmte en aanwezigheid van Achilles zelf overbracht.

Toen Patroclus het strijdveld betrad, klopte zijn hart niet alleen van angst of plicht, maar ook van verlangen, van een heimelijke nabijheid die alles door elkaar schudde. Natuurlijk liep het verkeerd af: Hector stak hem neer. Patroclus stierf niet in een heldhaftige pose; hij stierf menselijk. Maar zijn dood veranderde alles. Achilles keerde terug, woedend, gebroken, gedreven door liefde en passie—aangejaagd door een storm die alleen hij begrijpt.

En vergeet de andere helden niet: niet alleen Achilles of Hector, maar al die mythische figuren die soms op de achtergrond aanwezig zijn. Zij maken het toneel compleet, waar liefde en strijd, passie en plicht elkaar kruisen.

Patroclus was een stille kracht. Loyaliteit, opoffering en hartstocht waren zijn wapens. Mensen zoals hij vergeet je niet snel. Ze zitten in een blik, een aanraking, een stille warmte die alles verandert.

Patroclus. Niet alleen de vriend of sterfelijke held, maar ook de geliefde van Achilles, de stille motor van een episch drama. Misschien is dat de mooiste heldendaad: er zijn voor iemand anders, alles voelen en geven, terwijl je ook oog houdt voor alle helden om je heen, mythisch of menselijk.