DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

‘Sinds een zomer in mijn jeugd heb ik ontmoetingen gehad met een bijzonder persoon. Onze eerste bijzondere ontmoeting, waarvan niemand het wist, was op het landgoed van vrienden van mijn ouders. Deze vrienden waren de ouders van deze vrouw. Tijdens een van de feesten die iedere zomer werden gegeven. Het was op een zomerfeest dat ik net 17 jaar was geworden dat ik een kaartje vond met hierop mijn naam geschreven. Op de binnenkant stond in een mooi handschrift een geheimzinnige boodschap geschreven.

“Kom in de Tuin en ga onder de Klimop.
Onder de Bladeren. Weg van het Feest.
Kom recht naar de Roos.
Ga door naar de Witte Roos.
Vind Mij.”

Ik wist niet precies wat de boodschap op de kaart inhield, maar ik was wel nieuwsgierig naar de persoon achter de afzender. Op het feest en na de welkomst-toast van de vriend van de familie, verliet ik het gezelschap en liep de tuin in. Op het terras was het nog druk, maar naarmate ik meer de tuin inliep, kwam ik al snel minder gasten tegen. Ik zocht naar een klimop, maar kon deze niet vinden. Er waren geen hagen waarop verder andere begroeiing te vinden was. Ik liep dieper de tuin in, tussen een paar oude bomen, tot de dichte begroeiing om een oude wilg mij opviel.

Nerveus liep ik om de klimop die de oude wilg vanaf de grond tot ruim 2 meter hoog omhelsde. Naast een paar oranje gladiolen zag ik een smalle opening in de klimop. Voorzichtig trok ik de lange klimopslierten aan de kant en ontsloot de opening. Ik bukte voorover en kroop onder het bladerdek door. Het was er zeer lommerrijk en ik moest mijn ogen laten wennen aan het duister. Een lichte helling liep onder de wilg naar beneden. Voorzichtig deed ik een paar stappen naar voren en stond ik even daarna in een doorgang van groen.

De zon scheen met moeite door het dichte bladerdek. Het was er vredig en rustig. Zachtjes hoorde ik een paar vogels zingen. Links van mij leek de doorgang te eindigen. Verderop, rechts van mij, zag ik -zoals het kaartje beloofde, een rozenstruik vol bloeiende witte rozen. Ik liep er heen, en achter de rozenstruik bevond zich een lage opening. Ik moest door mijn knieën om er doorheen te komen. Eenmaal door de opening zag ik, dat ik me in een kleine laar, een natuurlijke tuinkamer tussen de dichte begroeiing, bevond. Ik stond rechtop en stond tegenover mijn convoceer. Zittend op een bankje, verstopt tussen het groen.

Ze keek me verlegen, maar lachend aan en zei met zachte stem: “Ik wist dat je het wel kon vinden. Hier trek ik me graag terug. Het is mijn meest favoriete plek, een perfecte schuilplaats. Ik ben hier dagelijks, ongeacht het weer. Het geeft verkoeling tijdens de hitte en genot wanneer het regent. Soms zit ik hier tijdens onweer en voel ik de verkoeling aan mijn voeten van de grijze tegels in het groen.”
Ik knikte, want ik begreep goed wat ze bedoelde. Ik voelde het overal om me heen. “Weten anderen van deze plek?” vroeg ik  haar.
Ze schudde van niet en zei: “Het is niet makkelijk om dit geheim te delen. Het voelt niet veilig. Kan ik je vertrouwen?”

Ik glimlachte, liep naar haar toe en nam naast haar plaats. We spraken beiden niet. Haar intrigerende ogen spraken voor zich. Ik schoof naar haar toe en zij leunde tegen mij aan. Haar rechterhand in mijn linker. Zo hebben we een hele tijd zwijgend gezeten. Ik streelde langzaam haar hoofd en zij kroop dichter tegen mij aan. Ik voelde haar lichaamswarmte en haar ronde vormen tegen mijn lichaam. Ik voelde me gelukkig. Hier wilde ik altijd blijven. Uiteindelijk gaven we toe aan het lichamelijk verlangen en waren we voor een heel lang moment één.

Deze speciale ontmoetingen hebben we hierna jaarlijks herhaald. Iedere zomer bezochten we elkaar op de bijzondere plek in de tuin. Aan het einde van iedere zomer groeiden we uit elkaar, om het volgende jaar elkaar weer te ontmoeten. We raakten bedreven van elkaar en wisten al onze geheimen. Zo bleven we op de hoogte van wat ons in het leven interesseerde, en ondanks dat we het niet altijd met elkaar eens wilden zijn, waren we één tijdens de bijzondere momenten achter de klimop. Iedere zomer.

Vandaag loop ik weer de tuin in. Ik ga achter de klimop, onder het bladerdek en bij de witte rozen. Ik voel de ijzige kou van de groen, grijze ondergrond en alles is nog steeds overgroeid met klimop. Ik ga niet meer zo makkelijk door de knieën, maar wanneer ik de tuinkamer betreed, verdwijnt de pijn uit de benen bij het zien van het oude, vertrouwde gezicht en de sprekende, intrigerende ogen die mij na al die jaren nog steeds verlegen aankijken. Ik lach naar haar en ik ben gelukkig.’

Categorieën:Read

U mag reageren.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: