Distance: 10,5 kilometer
Time: 00:54:56 hours
September: 60,5 kilometer
Categorie: Dray Bosma
Donatie
Nederland is sinds vorige week weer eens in 2 groepen verdeeld van voor- en tegenstanders. Televisiepersoonlijkheid-van-toen en Tweede Kamerlid voor D66 Pia Dijkstra heeft vorige week met succes een wetsvoorstel binnengehaald met betrekking tot de wet orgaandonatie, waardoor iedere Nederlander automatisch orgaandonor is geworden. Indien je geen donor wilt zijn, dan moet je zelf actie ondernemen. De lakse houding van het volk wordt hiermee aangepakt. Wie niet luisteren wilt, die moet maar voelen.
Het woord doneren komt door deze wetsdoorvoering helemaal niet meer tot zijn recht. Volgende het Van Dale Groot woordenboek betekent het woord doneren niets meer dan schenken. Hiermee is in de betekenis van dit wetsvoorstel het woord doneren niet van toepassing en moeten we, wanneer het wetsvoorstel is goedgekeurd spreken over orgaanverplichting. En dat is wat bij heel veel Nederlanders steekt: de verplichting. De Nederlanders laten zich niet zomaar tot iets verplichten.
Verplichtingen zijn zaken waar men in Nederland rode vlekken in de nek van krijgt. Dat merk je ook wanneer een comité inzake uitbanning van rassendiscriminatie van de Verenigde Naties van mening is dat een eeuwenoude traditie sinds een paar honderd jaar niet meer van deze tijd is, en afgeschaft dient te worden. Aanvallend en agressief reageert men op de verplichtingen. Als het dan zo nodig moet, dan moet het wel zo zijn dat wanneer iemand besluit geen donor te worden, die persoon ook geen recht heeft op een orgaan wanneer zijn eigen organen niet langer functioneren.
Dat zei een medereiziger van de week in de trein tegen zijn reisgenoot. Een opmerking als deze lijkt me nogal kort door de bocht. Dat staat gelijk aan wanneer een wandelaar die niets geeft aan een goed doel als het Rode Kruis, hiermee zijn recht verspeelt op het doorprikken van zijn blaren bij de Vierdaagse van Nijmegen. Het is wellicht een stom voorbeeld, maar de argumentatie om iemand organen te weigeren is dan ook hartstikke idioot. Wanneer iemand ervoor kiest om zich uit te schrijven als orgaan’donor’, is het ongrondwettelijk om deze te negeren wanneer de persoon een nieuw hart nodig heeft.
Souvenir
Na een nacht van hazenslaapjes, snel opstaan en nog sneller naar het toilet rennen aan boord van ons tijdelijk verblijf op het cruiseschip Monaco, dat in Luxor aan de oever van de Nijl ligt, is de volgende ochtend een bezoek aan de plaatselijke apotheek de hoogste prioriteit. Diarree is nooit leuk. Zeker niet op vakantie. De andere medereizigers die de dag ervoor ook hadden genoten van een warm kopje koffie delen onze voorkeur van een bezoek aan de apotheek. Gelukkig is er een apotheek bij het parkeerterrein van Karnak, het tempelcomplex in Luxor.
Nadat we in half Engels, met handgebaren en bijgeluiden, duidelijk maken welke medicijnen we nodig hebben, begrijpt de apotheker precies welke pillen we wensen en dan is het juiste medicijn al snel aangeschaft. We zijn zeer waarschijnlijk niet de eerste toeristen in zijn tokootje. Dat wondermiddelen daadwerkelijk bestaan weet ik sindsdien. Binnen een half uur zijn de darmen weer tot rust gekomen en kunnen we heel relaxt doorgaan met de excursie in Karnak. We krijgen weer mooie, duizenden jaren oude dingen te zien.
Hoge zuilen vol hiëroglyfengraffiti herken ik uit de film The Spy Who Loved Me van James Bond. Het is grappig te ontdekken dat wat in de film allemaal op een locatie lijkt te zijn, in werkelijkheid honderden kilometers uit elkaar blijkt te liggen. In één achtervolgingsscène word je ‘The Best of Egypt’ voorgeschoteld. Nadat we alles in de tempel hebben mogen bewonderen en genoeg foto’s op de digitale schijf hebben vastgelegd keren we terug naar de bus voor een volgende excursie. En daar waar wij gaan, gaan ook de plaatselijke ondernemers, want iedere Egyptenaar heeft wel iets te verkopen. Het liefst voor harde cash.
Ik had me de eerste dag al voorgenomen geen Egyptische prullaria van de plaatselijke, ongure ondernemers aan te schaffen, maar dat voornemen blijkt een uitdaging te zijn. Overal waar toeristen een bezienswaardigheid mogen aanschouwen worden deze in een soort van fuik opgevangen zodat ze dwingend langs de diverse verkoopkraampjes moeten lopen. Een eerste keer is dit ergerlijk. Later is het irritant. Tijdens een laatste excursie bij een bezoek aan de tempel van Edfu vraagt een plaatselijke standhouder naar mijn naam. Zonder er bij na te denken zeg ik mijn naam en loop ik door.
De tempel is wederom schitterend. Ik heb geen spijt van deze vakantietrip. Het reizen over de Nijl is heel relaxt en comfortabel. Het enige minpuntje van deze rondreis zijn de opdringerige Egyptenaren. Nadat we ook van deze tempel alle beelden en bouwstenen hebben gefotografeerd, keren we terug naar de bus. Bij het parkeerterrein staat de plaatselijke standhouder, die eerder naar mijn naam vroeg, me op te wachten. ‘Dray! Dray! Beautiful statues for you, Dray!’ Ik wil helemaal niets kopen, maar wanneer ik nu thuis, in Nederland op de schoorsteenmantel de Egyptische kat zie staan, weet ik dat het me niet is gelukt om de ondernemer te ontlopen.
Buikspreken
Dankzij de dagelijkse herinneringen op Facebook werd ik geattendeerd op de vakantietrip die Edo en ik deze week precies 4 jaar geleden hebben ondernomen. Geholpen door het warme zomerse weer van de afgelopen dagen kwamen de herinneringen van ons bezoek aan het Afrikaanse land levendig naar boven.
In de middag van 7 september 2012 vlogen we samen met andere vakantiegangers per vliegtuig naar het vliegveld van Luxor om er een Nijlcruise te ondernemen. De warme temperaturen van de afgelopen dagen vallen in het niet bij de warmte die we na een vlucht van 5 uur mochten ervaren op de landingsbaan op vliegveld van Luxor: we dachten dat we in de warmtestroom van de vliegtuigmotoren stonden, maar deze hitte bleek normaal om 11 uur ‘s-avonds in de woestijn nabij Luxor.
Egypte is een mooi land, met de wereldbekende rijke historie. Helaas ligt door de economische crisis het toerisme al een paar jaar op zijn gat en zijn de inkomsten van de gemiddelde Egyptenaar naar beneden gekelderd. Om te overleven is de Egyptenaar afhankelijk van de uitgaven van de weinig toeristen. Dit maken ze meer dan duidelijk door constant de hand op te houden en het woord bakshish (fooi) te roepen. Als toeristengroepje zijn het vaak de handen van de Egyptenaar die je het eerst ziet wanneer je bij een tempel uit de bus stapt.
Al op de eerste dag maakten we een klassieke toeristenfout. Nadat we in de ochtend, nog voor 7 uur, al in de Vallei der Koningen geopende graven bezochten, gingen we later per bus naar een lokaal winkeltje waar voor de ingang, in de schaduw, enkele toezichthoudende Egyptenaren om een hardwerkende beeldhouwer stonden te roken. Na een korte uitleg over wat de rokers dus niet uitvoerden, werden we weldra het winkeltje ingestuurd. Hier werd ons naast stenen prullaria ook koffie en thee aangeboden. Ik had met deze warmte geen zin in te zoete thee en koos samen met een paar anderen uit ons toeristengroepje voor een gezellig ouderwets bakkie koffie. Edo ook. Laat in de middag werd me al snel duidelijk dat deze keuze niet de juiste was geweest.
In Egypte wordt thee met gekookt water getrokken, en koffie alleen met heet water beschonken. Op het internet wordt iedere potentiele toerist naar Egypte gewaarschuwd om alleen water dat gekookt is te drinken. Het is geen verrassing om u te vertellen dat mijn darmen, later op de dag, heel onrustig werden. ’s Avonds, na het diner in het restaurant, heb ik bijna de hele avond met krampen op het toilet gezeten. Edo deed een paar uur later solidair mee, en zo renden we om de beurt naar het toilet in onze kajuit. In de aangrenzende hutten van onze medereizigers hoorden we om de paar minuten een toilet doorgespoeld worden. We waren niet de enigen met onrustige darmen en een onrustige nacht. Gelukkig is gedeelde smart, halve smart.
Oppervlakkig
Het is een heerlijke nazomer in september. Misschien is het even wennen wanneer je in de vroege ochtend in een jas gestoken de voordeur achter je sluit om naar het werk te gaan en aan het einde van de middag zonder jas en opgestroopte mouwen weer naar huis terug te reizen. Het geeft voor sommige mensen een reden tot klagen. Een opmerking als ‘lekker hoor dit zomers weer, maar kon het niet 2 maanden eerder komen?’ heb ik meer dan eens gehoord en dan wil ik die vraag met genoegen beantwoorden met: ‘Neen, dat kan dus niet. Het weer laat zich niet inplannen als een vakantietrip. Probeer eens te genieten.’
Ik snap het enigszins wel. Het nazomers weer maakt het af en toe een beetje warrig. Een dagje warm. Een dagje fris. Jas aan. Jas uit. Ons lichaam is na de vakantie eigenlijk gereed voor de wintermaanden. Het is dan ook al een paar weken klaar om een laagje vet te kweken om ons tegen het koude weer te beschermen. Ik zie het om me heen in de trein. De mensen die qua lichaamsverzorging al in de herfstmodus zitten. Zo dacht ik gisteren even, onderweg naar huis, dat t-shirts met een bontkraag helemaal hot waren. Het bleek dat een paar mannen in de trein waren vergeten de nekharen uit te scheren.
Eigenlijk moet ik me ook niet verbazen over hoe mensen eruit zien. Zo is het tegenwoordig normaal om meer dan 4 verschillende haarkleuren te hebben, en het hoeven niet eens natuurlijke haarkleuren te zijn. Schreeuwende kermiskleuren in het haar hoort tegenwoordig bij het normale straatbeeld. Net als gezichtspiercings. Zo zag ik van de week een meisje in de trein met een neusring en een paar ijzeren ringetjes in haar onderlip. Toen ze op een gegeven moment haar tanden bloot lachte, bedacht ik: als je zo graag met ijzer in je hoofd wilt rondlopen, neem dan een beugeltje. Daar knap je echt van op.
Brokeback Bible
David, een knappe jongeman met rossig haar en een volle baard leefde duizenden jaren geleden in het oude Israël. Door zijn brutale en onverschrikte optreden tegen de Filistijnen wekte hij de nieuwsgierigheid van koning Saul. Deze raakte geïntrigeerd door deze succesvolle, en ook brutale actie van de jongeman en liet hem daarom voorkomen om hem te ontmoeten. Met het hoofd van de Filistijn nog in zijn linkerhand stond David voor koning Saul. ‘Wie ben jij?’ vroeg de koning en David vertelde waar hij vandaan kwam en wiens zoon hij was.
Jonathan, de zoon van koning Saul, voelde zich onmiddellijk en sterk aangetrokken tot David en vatte een innige vriendschap voor hem op. Niet alleen de brutale actie van David wakkerde zijn toewijding aan. Ook het stoere uiterlijk van David gaf hem een gevoel van genegenheid. Koning Saul nam David vanaf deze ontmoeting onder zijn hoede. Jonathan, die David zo lief had als zijn eigen leven, sloot al snel vriendschap met hem: hij deed zijn mantel af en gaf die aan David. Zo ook zijn uitrusting, tot en met zijn zwaard, zijn boog en koppelriem.
Alle veldtochten die David sindsdien ondernam bracht hij tot een goed einde. De koning benoemde hem na de zoveelste overwinning tot legeraanvoerder. Dit met instemming van de soldaten en de hovelingen. Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn zoveelste overwinning, liepen in alle steden de vrouwen zingend en dansend uit om de koning feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’
Deze aanbidding voor David stak de koning. Zijn affectie voor de succesvolle legeraanvoerder maakte plaats voor afkeer. De koning zei boos: ‘Zij geven David tien duizend, doch mij hebben zij maar duizend gegeven. Dit is onacceptabel. Nog even en het volk gunt David het land toe.’ Het was sinds dat moment, en voor altijd, dat David niet meer goed kon doen voor de koning. Derhalve sprak hij tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Jonathan die meer dan vriendschap voelde voor David zag dit totaal niet zitten en waarschuwde David voor deze plannen van de koning.
Hierop bedachten de twee geliefden het idee dat David zou onderduiken. Jonathan liet David tot God zweren dat hun afspraak bindend was, omdat hij hem liefhad. Hij had hem lief met de liefde zijner ziel. Tijdens De nieuwe maan vroeg de koning zijn zoon waar David was. Hierop reageerde Jonathan met een leugen. De koning was buiten zinnen door het verraad van zijn zoon. Jonathan vertrok naar David, buiten de stad. Ze kusten elkaar, terwijl de tranen over hun wangen liepen, tot Jonathan zich vermande en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën voor God hebben gezworen.’ Daarop ging David weg en Jonathan keerde terug naar de stad.
Veel later, bij terugkeer hoorde David over de dood van de koning en zijn zoon Jonathan. Beiden bleken te zijn vermoord. Hierop hief David een klaaglied over zijn grote liefde:
‘Jonathan ligt gesneuveld op de heuvels.
Het verdriet verstikte me, Jonathan,
je was mijn broeder, en mijn beste vriend.
Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.
Ach, dat de helden moesten vallen,
dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan.’
Bovenstaande teksten komt uit het Oude Testament. Voor de wantrouwige goedgelovigen: het is te lezen in de hoofdstukken van Samuël. Ik was aangenaam verrast met dit verhaal. Niet omdat ik nu als homoseksuele medemens door christenen geaccepteerd zal worden, maar om de agressieve bijbelzwaaiers die mij en mijn gelijkgeaarden met de Bijbel om de oren slaan, een weerwoord te kunnen geven. Niet dat ik ooit een discussie over het geloof met hen aan zal gaan, want veel gelovigen zijn niet flexibel genoeg om te discusseren.
Treinreis
Vrijdagmiddag in Nieuwegein. Na een dag van regen en zonneschijn loop ik naar de bushalte op Plettenburg om het weekend te gaan vieren. De bus van lijn 65 komt keurig op tijd, om mij en andere reizigers naar Utrecht Centraal te brengen. Na een korte rit van een kleine 20 minuten stap ik uit de bus, via de trappen op het busstation de grote hal van het station in.
De trein richting Almere vertrekt meestal van perron 3. Daarom mag ik de stationshal in de lengte doorlopen, waarbij ik me in een mierennest waan. Het krioelt van de mensen. Aangezien de bus uit Nieuwegein ruim op tijd was kan ik op mijn gemak naar mijn perron lopen, waar ik in een toko een appel en een flesje water kan kopen. Wanneer ik op mijn gemak het perron op loop, arriveert de trein al snel.
Nadat de treinreizigers op Utrecht Centraal zijn uitgestapt kunnen wij in de trein plaatsnemen. Het is rustig en ik stuur een berichtje naar het thuisfront dat ik straks richting thuis afreis. Wanneer de trein na een paar minuten toch niet vertrekt hoop ik niet dat er vertraging is ontstaan. Maar na 10 lange minuten hoor ik via het omroepsysteem dat de conducteur afwezig is. Het blije weekendgevoel ebt weg.
Een mevrouw, met vouwfiets en onderweg naar Weesp, maakt luid en zeer overduidelijk dat dit toch zeker niet de bedoeling mag zijn. Ze checkt constant, door de treindeuren te openen, of de conducteur inmiddels aanwezig is en wordt hierbij constant teleurgesteld. Ik twijfel over wat ik meer irritant vind, het stilstaan en wachten op een conducteur of deze mevrouw met haar vouwfiets en haar eindbestemming Weesp.
Na nog maar eens 10 minuten, waarin steeds meer treinreizigers plaatsnemen in de trein, vertrekken we uiteindelijk. De trein is overvol en de reizigers kijken geïrriteerd voor zich uit of op het scherm van hun mobiel. Via Twitter heb ik mijn ongenoegen geuit en @NS_online ‘troost’ me bij het ongemak. Daar de trein inmiddels rijdt, is mijn irritatie al weer weg. Boos blijven maakt niemand vrolijk.
Wanneer we het station Naarden-Bussum zijn gepasseerd heb ik er weer vertrouwen in. Het weekend is begonnen! Maar nog voordat ik een denkbeeldig vreugdedansje kan doen, staan we midden in het weiland stil. Al snel horen we dat we stilstaan voor een rood sein. Liever dat dan een botsing, denk ik. En na een kort ogenblik rijden we weer door naar Almere. Ik kan weer lachen en in een Whatsappberichtje lees ik dat we pannenkoeken eten.
Waar
En zo zijn we aangekomen op de laatste dag van de maand. Het was de maand waarvan ik dacht dat ik hier om de dag wel een paar regels tekst wilde schrijven. Het viel me niet altijd mee om met een verhaal op de proppen te komen. Ik heb mezelf dan ook een enkele keer de creatieve vrijheid gegund om het een en ander aan te passen, om het -hoop ik, leuker te maken. Het gaat tenslotte om het verhaal en niet zozeer om mezelf.
Soms moet je de dingen een beetje aandikken, mooier maken en soms is mijn eigen mening via de mond van een medereiziger in de trein naar voren gekomen. De mens gaat niet altijd correct met de waarheid om. Als sinds we in grotten en op stenen tabletten verhalen begonnen te vertellen. Kijk maar naar de heilige geschriften waar mensen al duizenden jaren geïnspireerd door raken.
Het zijn die heilige verhalen van een paar millennium geleden die de eerste honderden jaren alleen mondeling werden doorverteld en later pas op papyrusrollen zijn geschreven. Hierbij is in deze geschreven verhalen na meerdere vertalingen en herschrijvingen de originele kern van het verhaal totaal verloren. Miljoenen mensen doen vandaag de dag nog steeds de aanname dat de verhalen van duizenden jaren geleden nog steeds 100% waarheid is.
Ik voel me daarom ook niet schuldig wanneer ik een paar regels tekst schrijf die wel, of niet op waarheid zijn berust. Of iets anders zijn gegaan. Zo zat ik van de week in de trein vanuit Utrecht naar huis, toen een oudere mevrouw tegenover mij plaats nam. Ze droeg een zomerjurkje die ze een tiental zomers te laat droeg. Het was meer een jurk voor tienermeisjes. Maar ja, iedereen heeft zo een beeld van zichzelf die niet zo bij iedereen overeenkomt.
Ze was zwaar telefonisch in gesprek de trein binnengekomen en was nog steeds aan het woord. Het gesprek betrof een eenrichtingsverkeergesprek.
‘Het was gênant! Ik zeg tegen die man dat ik graag bij hen wilde werken en hij vroeg me naar mijn huidige baan. Of ik het daar naar mijn zin had. Ik zei dat ik er nog niet zo lang werkte, maar het idee had dat ik mijn langste tijd er wel op had zitten.’
De vrouw keek even op, de trein in. ‘Weet je wat hij tegen me zei? “Ik denk ook dat u uw langste tijd daar heeft gehad. Ik ben namelijk ook eigenaar van het bedrijf waar u nu werkt.” Ik dacht dat ik door de grond kon zakken. Meid, ik zat met me mond vol tanden. Hoe gênant..’
Ook ik vond het pijnlijk. Om aan te horen. Het voelde ongemakkelijk om getuige te moeten zijn van dit telefoongesprek.
Groeten
Aan het eind van de middag kwam mijn man met een tas vol boodschappen thuis en zei: ‘Je moet de groeten hebben.’
‘Van wie?’ vroeg ik.
Ofschoon het een redelijke vraag was, keek hij een beetje geïrriteerd. Hij begon zijn jas uit te trekken en zei: ‘Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Het ligt in m’n mond, maar het wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Toen hij in de kamer terugkeerde, vroeg ik: ‘Was ’t een man of een vrouw?’
‘Een man natuurlijk.’
‘Wat is daar zo natuurlijk aan?’
‘Ik heb ‘m toch gezien.’
‘Ja, maar ik niet,’ zei ik. ‘Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?’
‘Ik weet niet. Het is wel een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.’
‘Is-ie in de twintig of in de dertig?’
‘Ben je gek, hij is minstens vijftig,’ riep hij.
‘Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom,’ zei ik.
‘Heel goed. Een spreuk zeker niet van jou.’
‘Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?’
‘Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht op weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.’
‘Detlev Klaasvader?’ opperde ik.
‘Zo heet niemand,’ riep hij geërgerd. ‘Hij is klein en dun en beweeglijk. Dat ik nou niet op die naam kan komen… Als ik ‘m zei zou je meteen roepen: “O, die.” En ik heb ‘m bijna. Een beetje vreemde naam.’
‘Wiebe Worgdrager?’
‘Hè, doe nou niet zo lollig.’
‘Rustig maar,’ zei ik. ‘Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?’
‘Niks.’
‘Niks? Hoe kan dat nou?’
‘Ik liep bij de supermarkt in de buurt,’ zei hij. ‘En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: ‘Doe de groeten.’ Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.’
Mijn man schudde zorgelijk zijn hoofd.
‘Ik word seniel, geloof ik,’ zei hij.
‘Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?’
‘Nou, veel gelachen, hè…’
‘Dat hebben we met veel bekenden gedaan.’
‘Wacht eens, hij was met zo’n blond meisje. Een mooi meisje.’
‘Naam?’ vroeg ik.
‘Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.’
‘Hoe heette die dan?’
‘Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.’
‘Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen?’ vroeg ik.
‘O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.’
‘Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen,’ zei ik. ‘Hoe zag hij eruit?’
‘Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.’
‘Laten we het opgeven,’ zei ik. ‘Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.’
Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar ’s nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn man zat op de rand van het bed.
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Hè, ik had ‘m bijna, die naam,’ riep hij. ‘Nou is-ie weer weg.’
Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: ‘Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.’
Vrij bewerkt naar Simon Carmiggelt. Uit: ‘Vroeger Kon Je Lachen, 1977’.
Zwembroek
Vrijdag was het mijn laatste vakantiedag. Ik had besloten om al vroeg te gaan hardlopen, aangezien het om 7 uur in de ochtend al 21 graden was. Ondanks een lichte blessure heb ik een rondje van 10 kilometer gelopen. Verder had ik in de planning staan om deze dag naar het Almere-strand te gaan. De beste verkoeling is afkoeling op, of nabij het water.
Het Almere-strand vind ik persoonlijk geen echt strand, je ligt op de oever van een meer. Niets lijkt op het zandstrand aan zee, maar bij gebrek aan beter is dit een goed alternatief. Ik zat even na 10 uur al op de fiets, maar halverwege mijn rit naar het strand bedacht ik dat ik mijn zonnebrandcrème was vergeten mee te nemen, en zo ook mijn zwembroek.
De zonnebrandcrème kon ik nog snel bij een supermarkt aanschaffen. € 4,50 voor 50 milliliter. Het is dat je niet zonder uv-bescherming in het zonnetje kan zitten, en het aankoopbedrag stelt eigenlijk niets voor in vergelijking met de huidziektes die je ermee kunt voorkomen, maar het is niet goedkoop.
Met de nieuwe minitube op zak ging ik verder op de fiets naar mijn bestemming. Eenmaal op het strandje ben ik een paar honderd meter doorgelopen, naar het gedeelte waar je zonder badkleding, in je blootje mag recreëren. Geen zwembroek is geen zwembroek, en ik ga alleen naar het strand om er op een handdoek te liggen. Niet om te volleyballen.
Het werd de tube zonnebrandcrème uitknijpen, liggen en genieten. Aangezien ik het ‘die hard’ zonnebaden al lang niet meer als prettig ervaar, ben ik voor een paar uurtjes onder een schaduwrijke boom gaan liggen. Argeloos heb ik de recreatieve wandelaars en andere nieuwsgierigen maar genegeerd.





