Schemerzone

Ik bevind me momenteel in een schemerzone. Nee, niet de Twilight Zone, waarin vreemde gebeurtenissen plaatsvinden en de werkelijkheid plotseling een andere betekenis krijgt. Ik bedoel een échte schemerzone. Die periode van het jaar waarin het daglicht zich steeds vroeger terugtrekt en de duisternis langzaam maar zeker een steeds groter deel van ons dagelijks leven opeist.

Het valt me vooral op wanneer ik na mijn werk naar huis reis. Ik stap bij daglicht in de bus en drie kwartier later stap ik uit in een wereld die inmiddels bijna volledig in het donker is gehuld. Alsof iemand onderweg ongemerkt het licht heeft uitgedaan. En dat terwijl mijn avond dan eigenlijk nog moet beginnen.

Twee keer per week trek ik na thuiskomst mijn hardloopschoenen aan. Tegenwoordig gaat dat gepaard met de nodige feestverlichting op mijn lijf. En dan bedoel ik geen gezellig knipperend kerstlampje om alvast in de stemming te komen. Nee, verlichting die écht nodig is om zichtbaar te blijven voor andere weggebruikers. Met lampjes op mijn borst en reflecterende onderdelen lijk ik soms meer op een wandelende kerstboom dan op een hardloper. Alleen ontbreken de ballen. Nou ja, niet allemaal natuurlijk.

En laat ik er geen doekjes om winden: ik vind hardlopen in het donker afschuwelijk. Waar ik overdag ontspannen mijn kilometers maak, ben ik ’s avonds voortdurend op mijn hoede. Stoeptegels die ongelijk liggen en nauwelijks zichtbaar zijn. Fietsers die vooral oog hebben voor hun telefoon of simpelweg niet opletten. Obstakels die overdag geen enkel probleem vormen. Een misstap is zo gemaakt. Ik wil hardlopen, geen hindernisbaan afleggen waarbij ik ook nog eens moet proberen levend thuis te komen. Al die verlichting draag ik dus niet voor de sier, maar uit pure noodzaak.

Wat deze periode extra merkwaardig maakt, is dat vrijwel mijn volledige vrije tijd zich doordeweeks in het donker afspeelt. ’s Ochtends vroeg vertrekken, overdag werken en thuiskomen wanneer de zon haar werkdag allang heeft beëindigd. Alleen in het weekend krijg ik nog een fatsoenlijke portie daglicht cadeau. Mijn vrije uren staan tijdelijk op nachtstand.

Gelukkig is deze schemerzone tijdelijk. Een overgangsperiode richting december, de feestmaand waarin al die duisternis tenminste nog een beetje wordt gecompenseerd door duizenden lichtjes, versierde straten en een warme sfeer. Kerstmis vormt voor mij het lichtpuntje aan het einde van deze donkere tunnel. Letterlijk bijna.

Maar daarna? Dan begint het gedeelte waar ik aanzienlijk minder enthousiast van word. Januari en februari. Die doorgaans grauwe, kille en wat mij betreft ronduit deprimerende eerste maanden van het nieuwe jaar. De kerstverlichting is verdwenen, de gezelligheid opgeborgen in dozen en buiten lijkt alles nog even een paar maanden op de pauzeknop te staan. Het nieuwe jaar mag dan vol goede voornemens zitten, de natuur heeft daar duidelijk nog geen boodschap aan.

Ik tel overigens zelden de dagen af, maar voor kerst mag de kalender best sneller bladeren.

En zodra die feestdagen achter de rug zijn, verandert mijn verlangen alweer van richting. Dan kijk ik uit naar het voorjaar. Naar ochtenden waarop het weer licht is wanneer ik vertrek. Naar avonden waarop ik na mijn werk nog een paar uur daglicht overhoud. Naar hardlopen zonder dat ik mezelf eerst hoef om te bouwen tot een lopende lichtreclame.

Voorlopig zit ik dus nog midden in mijn schemerzone. Met één voet in het daglicht en de andere in het donker. Op weg naar kerst, met het voorjaar alvast ergens in mijn achterhoofd.

U mag reageren.