vlees noch vis

Halverwege dit jaar was ik om. Ik zei thuis: ‘Vanaf nu eet ik geen dieren meer.’ Ik liep al langer met het idee om vegetariër te worden. Ik vind dieren veel leuker (en aardiger) dan mensen. Daarbij vraag ik me af wat het verschil tussen rundvlees en bijvoorbeeld hondenvlees is. De ethiek heeft ons geleerd om bepaalde dieren wel te eten, en andere dieren niet. Het is dierenracisme.

Het leven als vegetariër bevalt me prima. Ik voel me gelukkiger zonder het eten van dieren. Er zijn mensen die dat niet begrijpen en zijn soms bang dat ik ze wil overhalen om ook geen dieren meer te eten, maar het is voor mij geen religie. Ik wil niet overtuigen om geen dieren meer te eten. Ondanks die mededeling schieten mensen toch in de verdediging of erger, in de aanval.

Het is maar net waar je boos om kunt worden. Mensen raken geïrriteerd wanneer anderen geen vlees eten, maar wel bijvoorbeeld vleesvervangers. Ik ben niet gestopt met het eten van dieren omdat ik ineens geen vlees meer lust. Ik verlang soms naar een rookworst of een gehaktbal, maar gelukkig heb je tegenwoordig prima alternatieven in de schappen van de supermarkt liggen. De omnivoor waarmee ik ben getrouwd eet af en toe graag plantaardig vlees mee.

Vleeseters en vegetariërs kunnen dus prima samenleven, ondanks dat het soms niet zo lijkt. Enkelen zijn de mening toebedeeld dat wanneer je geen dieren eet, je ook geen dierenhuid aan de voeten mag dragen. Het nuttigen van zuivelproducten en eieren mag ook niet. Toen ik afgelopen zomer besloot geen dieren meer te eten, heb ik geen memo met (spel)regels voor vegetariërs ontvangen.

Ik doe wat in mijn beleving het beste is. Daarmee ben ik niet beter dan een ander. Doe wat je zelf graag wilt. Dat gemeld te hebben, deel ik graag de uitspraak van Ronald Leopold die vanmorgen in een Amsterdamse krant werd geplaatst. ‘Mensen zijn te veel bezig met hun eigen mening en willen die met windkracht 10 de wereld in blazen, maar we mogen wel wat meer oog hebben voor elkaar.’

commentaar

Het sporten gaat me weer goed af! Je zou denken dat ik goed bezig ben, maar eigenlijk doe ik het hartstikke verkeerd, want in de maand november werken aan een zomerlichaam gaat niet goed wanneer je strakke lijf in het voorjaar alweer uitdijt naar een winterlichaam. Het voornemen is er om dit vol te blijven houden. De sportschool waar ik me uitsloof ligt nog geen 400 meter van huis. Wanneer ik straks de kerstkaarten op de bus mag doen, ben ik langer onderweg, dus die afstand naar de sportschool mag geen excuus meer zijn.

De afgelopen week ben ik bijna dagelijks naar de sportschool geweest. Op de dagen dat ik er afwezig was, ben ik buiten gaan hardlopen. Op de lopende band indoor hardlopen lukt me niet. Het apparaat gaat dan ineens op de rem, waardoor ik bijna naar voren wordt gekatapulteerd. Dan ga ik liever een stukje stilstaand fietsen. Verder besteed ik de meeste tijd aan het roeien. Met een heerlijk gemak peddel ik zo een paar kilometer weg. Ik wordt er enthousiast van, maar nog niet enthousiast genoeg om me aan te melden bij de plaatselijke roeivereniging.

Het roeien in de sportschool is populair. Er zitten altijd wel mensen op de roeimachines. Zo ook vandaag. Twee dames van tegen de 30 jaar bewegen synchroon op de apparaten. Alle spieren zijn in beweging. Vooral de kaakspieren, want ze zitten druk te praten. Over de andere sportschoolbezoekers. Er wordt commentaar gegeven over de corpulente dame in haar felroze tijgerlegging en de mannelijke sportschoolbezoeker gaan ook over de tong. Ik besluit om nog een paar kilometer door te roeien. Ik wil nog even niet nagekeken en becommentarieerd worden.

Het is te laat voor de mannen achter in de zaal. Zij staan bij de zwaardere apparaten, waar de biceps en de triceps worden opgepompt. Ik plaats de mannen in de categorie Peppie en Kokkie, maar de dames naast mij hebben een internationale benaming. Beavis en Butthead. Er wordt nog even een vinnige opmerking gegeven over de kleinere man van de twee. ‘Hij kan nu wel 100 kilo’s wegdrukken, maar hij zal nooit 1.70 meter worden.’ Het is een lelijke opmerking. Deze vrouwen zijn in staat om met alleen hun commentaar een man te castreren. Met samengeknepen billen roei ik een paar honderd meter stilstaand door.

Zonder vlees

‘Kook je vaak voor jezelf?’ vraagt ze nieuwsgierig wanneer hij een teentje knoflook en een handje grof gesneden kastanjechampignons in de wok gooit.
‘Ja, hoezo? Jij niet?’
‘Bijna niet. Een magnetronmaaltijd of thuisbezorgd werkt prima voor mij.’
‘Dat is niet echt gezond te noemen.’ Hij roert even in de pan met tagliatelle.
‘Ik weet het, maar ik vind het gewoon niet leuk, koken. Jij wel?’
‘Jazeker. Helemaal nu ik geen vlees eet, kook ik meer gevarieerd.’
Verrast kijkt ze op, terwijl hij verse spinazie in de wok doet.
‘Eet je geen vlees meer? Waarom? Sinds wanneer? Vind je het zielig voor de dieren? Eet je nog wel vis?’
Het zijn de inmiddels bekende vragen die hij de afgelopen maanden te horen krijgt, nadat hij een paar maanden geleden heeft besloten geen dieren meer te eten.
‘Ik eet geen vlees meer, want ja, ik vind het zielig en het voelt voor mij niet goed dat ik dieren eet. Ik eet dus ook geen vis, al een paar maanden niet. Het eten van dieren is zo van voor 2018,’ licht hij glimlachend toe.
‘Joh, ik weet niet of ik dat kan, hoor!’
‘Dat hoeft ook niet,’ reageert hij lachend en voegt de roomkaas toe aan de spinazie in de wok. ‘Het is geen religie voor mij, ik hoef en wil je niet overtuigen.
‘Gelukkig maar,’ laat ze opgelucht weten.
Hij haalt de tagliatelle van het vuur en voegt nog wat peper en zout toe aan het spinazie-roomkaas-champignonmengsel.
De borden worden opgeschept met de pasta en de spinaziesaus. Nog even bestrooit hij het eten met wat geraspte kaas.
‘Klaar om lekker te eten?’ Hij loopt naar de eettafel en zij volgt hem.
‘Jazeker! Zonder vlees?’ informeert ze overbodig.
Hij glimlacht naar haar en zegt: ‘Zonder vlees, maar met smaak.’
300 gram tagliatelle
1 teen knoflook
250 gram kastanjechampignons
3 eetlepels olijfolie
600 gram spinazie
100 gram roomkaas (naturel)
geraspte pittige kaas

Gespannen

Nadat ik mijn eigen fiets van woonplaats Almere naar mijn werk in Amsterdam heb verhuisd, heeft het fietsplezier precies een week geduurd. Sindsdien is de relatie gespannen. Alsof het vervoersmiddel ineens een ziel heeft verkregen en mij wel eens karma zal leren. Omdat het rijwiel in Almere altijd droog in de schuur heeft mogen staan, verblijft het nu ‘s-nachts, ongeacht de weersgesteldheid, onbeschermd bij metrostation Henk Sneevliet. Daar wordt een fiets niet blij van en ik kan bij wijze van, het rijwielgeroddel in de fietsenstalling al horen. ‘Een man verkast toch niet zo maar ongevraagd zijn rijwiel?’

Het idee om mijn fiets te gebruiken als vervoersmiddel tussen het metrostation en mijn werkadres, is een prima plan geweest. Ik win er per dag gemakkelijk 20 minuten mee en reken dat maar uit: Dat scheelt per half jaar 40 uur, en dat zijn twee werkweken in een jaar. Voorlopig kom ik niet aan dat getal, want constant ligt mijn fietsketting eraf. De eerst keer was vorige week, dinsdagavond. De enige dag in de week dat ik tot 20:00 uur moet werken. In de avonden rijdt de metro niet meer zo vaak en is een fiets een uitkomst. Gejaagd, maar als een volleerde chirurg, trek ik fel de kettingkast open om het binnenste van de kettingkast te bekijken.

De fietsketting hangt er ongeïnteresseerd en levenloos bij. Geïrriteerd over de onverschilligheid trek ik de ketting los van haar raderen om deze met precisie weer op de juist plek terug te leggen. Na wat gepriegel en wild draaien van de trappers ligt de ketting er weer op en draait ze als een kermisattractie het achterwiel rond. Het schijnt een zware operatie van een paar uur te zijn, maar mijn horloge geeft aan dat ik nog geen twee minuten bezig ben geweest. Snel dicht ik de kettingkast en spring op mijn fiets. Met mijn vingers zwart van het oude vet fiets ik naar het metrostation. Vervolgens heb ik na deze dinsdagavond nog een paar keer de kettingkast mogen openen. Mijn fiets en ik zijn zo hecht niet meer.

Sporten

Ik heb me van de week aangemeld bij de sportschool. Onder het mom van liever hardleers dan standvastig, ga ik er weer voor. Ik weet echt wel dat het iets is dat niet altijd tot me doordringt. Ik ga altijd fanatiek sporten, maar na een maand spoelt mijn enthousiasme voor het sporten als het water tijdens het douchen weg via het doucheputje. Daarnaast is mijn planning voor het sporten altijd hartstikke verkeerd. Ik ga altijd fanatiek sporten wanneer de zomer net voorbij is. Hierdoor zit ik rond mijn verjaardag tussen Sinterklaas en Kerstmis, strak in mijn zomerlichaam, dat met de kerstdagen en tegen oudejaarsavond weer teniet wordt gedaan door al het lekkere eten.

Juist om die reden lig ik tijdens de zomermaanden als een Jabba the Hutt op mijn bedje aan de rand van het zwembad of in de achtertuin. Ik hou van eten. Dat nog meer dan van sporten. Daar ben ik geen uitzondering in, want ik zie overal Obesitas-look-a-likes om me heen. Voor mij zal dat binnenkort weer veranderen, want zoals hierboven gemeld; ik ga weer sporten. Over een paar weken wordt er in de buurt een sportschool geopend, waarvan de maandcontributie gelijk staat aan 2 pakjes sigaretten, en ik mag mijn sportpas met iedereen delen. Aangezien de nieuw sportschool ongeveer 200 meter van mijn huis ligt, wordt de door mij gecreëerde drempel vernietigd.

Zo verkoop ik het sportschoolverhaal heel goed aan mezelf. Ik moedig mezelf fanatiek aan, maar ik weet dat ik in november alweer ben bevorderd tot sportschoolsponsor. De te korte periode van reguliere sportschoolbezoeker ligt dan achter me. Zo is het altijd gegaan. Maar misschien moet ik het dit keer anders aanpakken. Een schema voor een langere periode, waardoor ik langer dan een maand actief bezig ben. Ik ben tenslotte ook ooit met een schema begonnen voor hardlopen, terwijl ik de hardlopers in opzichtige kleding eerder lachwekkend vond dan inspirerend. U mag me in december weer eens aanspreken over mijn sportschoolbezoeken.

Huffelpuf

‘Bent u een fan?’
Ik kijk op van de menukaart in mijn schoot en ik kan niet zien van wie de vraag komt. Op een terras op de Grote Markt in Almere wacht ik op mijn lunchafspraak. Deze is een paar minuten te laat.
‘Bent u een fan?’ hoor ik weer. Ik kijk op en zie dat de vraag van een ander tafeltje, rechts van mij, komt.
Een man van ongeveer mijn leeftijd kijkt mij vrolijk en indringend aan. Hij gebaart met prikkende wijsvinger naar mijn borstkas.
‘Of u een fan bent van Harry Potter,’ vraagt hij me lachend toe.
Ik kijk naar mijn t-shirt. Het heeft een afbeelding van een das met daarboven het Engelse woord voor HUFFELPUF. Het is een shirt dat ik ooit via eBay heb besteld. Op het shirt staat vermeld Team Captain van het door J.K. Rowling verzonnen zwerkbalteam van HUFFELPUF. Ik vond het shirt destijds wel leuk. In ieder geval leuk genoeg om via het internet te bestellen.
‘Nee, ik ben geen fan. Gewoon een liefhebber,’ antwoord ik beleefd.
‘Maar u heeft de boeken wel gelezen?’
‘In het Nederlands en in het Engels,’ antwoord ik met een vriendelijk gezicht.
‘Toe maar,’ zegt de man. ‘Ze staan ook bij u in de boekenkast? Of heeft u ze geleend van de bibliotheek.’
‘In de boekenkast,’ antwoord ik de man, die zijn stoel nu richting mijn tafeltje schuift. Ik vraag me af waar mijn lunchafspraak blijft.
‘Ik heb ze destijds van de bibliotheek geleend. Mooie boeken.’
Ik knik bevestigend.
‘En de films? Heeft u die ook gezien?’
‘Jawel,’ zeg ik zonder van de menukaart op te kijken.
‘Die staan ook thuis bij u in de kast?’
‘Nee,’ lieg ik. Ik kijk de man lichtelijk geïrriteerd aan. Ik heb helemaal geen zin in deze ondervraging, of ook maar iets te delen met de nieuwsgierige man. Hij krijgt dit niet mee.
‘Leest u meerdere boeken, en wat leest u zoal?’ vraagt hij.
Ik zie in de verte mijn lunchafspraak aanlopen. Ik verontschuldig me, sta op en loop naar mijn afspraak. Ik begroet deze en stel voor dat we elders gaan lunchen.
Dat vind hij prima en we lopen naar een nabij gelegen terras op de Grote Markt.
‘Leuk shirt,’ zegt mijn lunchafspraak.
‘Dank je,’  zeg ik.
‘Beetje kinderachtig, vind je niet?’ vraagt mijn lunchafspraak.
‘Niet echt,’ antwoord ik, en besluit het shirt alleen nog te dragen wanneer ik alleen ben.

Autoritje

Op Samos lagen we een paar dagen bij het zwembad te relaxen, toen we het idee kregen om toch wat meer van het eiland te willen zien. Omdat het hotel net iets te ver van alles lag om andere dingen te ondernemen dan het relaxen bij het zwembad zelf, besloten we een auto te huren. Het idee van 1.405 kilometers te vliegen om daar vervolgens alleen maar een paar boeken te lezen en onze lichamen in te smeren tegen zonnebrand ging ons tegenstaan. Zo hadden we al snel via de receptie van het hotel een rode auto (vraag me niet naar het merk) voor 2 dagen geregeld.

Op de eerste dag van het autohuren besloten we naar de hoofdstad van het eiland te gaan. We hadden er zin in en ik was er helemaal klaar voor. De juiste muziek voor een lange autorit klonk er uit de speakers en de airco gierde mee op de muziek. Het lukte me nog net het gevoel van enige teleurstelling te onderdrukken toen we na nog geen 10 minuten al in de hoofdstad aankwamen. Ik was even vergeten dat een niet al te groot eiland als Samos in no time is overgestoken. Na een klein rondje door de hoofdstad waren we weer enthousiast en besloten door te rijden naar Kokkari, ten noorden van het eiland.

Weg waren we. ‘Doei Samos-Stad, tot ooit,’ riep ik boven de muziek uit. Het ultieme zomergevoel! Het duurde nog even voor we in de badplaats Kokkari zouden aankomen en toen we uiteindelijk aankwamen in het stadje Mitilinii wist ik dat we een verkeerde afslag hadden genomen. Dit stadje in het midden van het eiland ligt iets van 8 kilometer van Kokkari af. In plaats er voor te kiezen om er meerdere orthodoxe kerken te bezoeken, gingen we voor onze eerste keuze: Kokkari. Google Maps moest ons naar het Noorden van het eiland leiden. Na wat rondjes te hebben gereden door het noordelijk gedeelte van Mitilinii hadden we de weg naar het noorden gevonden.

Deze route bleek al snel off-the-road te zijn. We negeerden heel stoer de woorden van de autoverhuurder eerder deze ochtend, over dat we niet meer verzekerd zijn wanneer we over de onverharde wegen rijden. ‘Soms moet je het avontuur aangaan,’ zei ik stoer. De weg was onverhard, maar verder prima te berijden. Nadat we -achteraf kwamen we hier achter, de watervallen van Theopoíēto hadden gepasseerd werd het wegdek minder, en dit werd met iedere afgelegde kilometer slechter. Na ongeveer 4 kilometer was het wegdek gelijk aan het wegennet ten tijde van de Bijbelse verhalen. De gevaarlijkste weg van de wereld vindt u op het eiland Samos. Echt waar.

Het moment dat we dachten dat het wegdek niet meer slechter kon worden, leek het nu of we over een droge rivierbedding reden. Stugge prikkelbosjes schuurden flink over de autolak en de gaten in de weg lieten ons op de muziek uit de speaker flink meedeinen. Het was goed dat we in de gordels zaten. Nadat we nog eens 2 kilometer in wandeltempo hadden afgelegd, ben ik uitgestapt en voor op de huurauto uitgelopen. Zo kon ik zien hoe stijl we naar beneden gingen en welke afslag we moesten nemen. Zo kon ik ook aangeven waar de diepe geulen en greppels zich bevonden. Toen we in de verte een paar huisjes zagen staan, stapte ik weer in de auto.

Uiteindelijk zijn we over privéterreinen en sluipweggetjes bij Kokkari aangekomen. De huurauto reed inmiddels op benzinedampen, het vinden van een tankstation had onze prioriteit. Deze vonden we in Kedros, ten oosten van Kokkari. Na het vullen van de tank bezochten we daar een orthodox kerkje en werden we op een klein strandje geattendeerd. Hier hebben we onze kleren uitgetrokken en zijn de zee ingedoken. Na ruim een kwartier van dobberen op de golven van de zee, waren we voldoende afgekoeld en weer helemaal zen. Dat we onderweg een paar wieldoppen hadden verloren, daar kwamen we pas veel later achter.

Aanwezigen

We zitten nu een paar dagen op het Griekse eiland Samos, vlak bij de oudste Europese haven in Pythagoreio, de geboorteplaats van Pythagoras (wiskundige: a² + b² = c²) en Epicurus (filosoof: ‘De dood gaat ons niet aan’). Na vier dagen relaxen bij het zwembad zijn we aardig gewend aan dit actieve vakantieleven. Ineens níéts doen kan heel vermoeiend zijn. Ik heb er overuren aan slaap aan overgehouden.

Ons verblijf ligt een beetje afgelegen, ver weg van alles wat zogenaamd “dichtbij” ligt. Voor een bezoek aan een dorpje of een winkeltje ben je toch al gauw drie kwartier aan de wandel. Daarom blijven we meestal ‘thuis’ bij ons hotel, samen met de andere hotelgasten. Zij komen voornamelijk uit Scandinavië, met een paar Vlamingen en hier en daar een Nederlander. Heel gemoedelijk en rustig.

Totdat het gezin uit de buurt van Rotterdam zich meldt. Vader, moeder en hun dochter van net geen twintig laten onbedoeld weten dat zij op het eiland zijn gearriveerd, en de rust is op slag verdwenen. De moeder heeft een stem die de opstijgende vliegtuigen van het vliegveld verderop met gemak overstemt. Daarbij delen ze ook nog álles wat ze gaan doen.

‘Ik ga nu even mijn luchtbedje halen.’
‘Dat is goed. Ik ga de buurvrouw even appen dat we er zijn.’
‘Doe d’r de groetjes. Ik ga straks het water in.’
En dat gaat zo maar door.

Maar daar blijft het niet bij: ze denken ook alles te wéten. Ze zijn nog geen twintig minuten bij het hotel of moeder weet al zeker dat het pad naar het strandje “een klein stukje lopen” is (wat absoluut niet waar is). En de dochter — met een stem alsof ze zojuist acht slagroompatronen heeft geïnhaleerd — vindt alles “super!”. Behalve wat haar vader zegt. Hij is inmiddels al weggebonjourd naar een andere parasol. Wanneer hij meer dan eens een vraag stelt, wordt dat door beide dames beantwoord met een lacherige ‘wat-moet-je-nou?’

Wanneer ík die vader was geweest, had ik een auto gehuurd en was ik meteen met beide wijven hier op het eiland een ravijn ingereden. Daarmee kom je in Nederland óók nog eens in het nieuws; vinden vrouw en kind hartstikke leuk! Maar nee, vader houdt zijn mond en lacht mee met de ongrappige grollen. Moeder beslist dat ze met z’n allen iets gaan eten bij de poolbar. Al weet ze nu al dat er niet veel keuze naar haar smaak zal zijn. De dochter denkt hetzelfde, en de vader houdt wijselijk zijn mond.

Bij terugkomst van de poolbar is moeder, vanzelfsprekend, aan het woord. Ze wilde graag naar het strandje lopen, maar haar hoofdpijn is teruggekomen. Die van mij nu ook. Ondanks die hoofdpijn tettert ze vrolijk verder en besluit ze tóch met de dochter het pad naar het lagergelegen strandje te bewandelen. Ik blijf zeker bij het zwembad zitten, want ik wil, nee, ik móet, straks hun verslag horen. Dat pad is namelijk geen wandelpad: in een steile gang naar beneden loop je over losse keien, langs gevaarlijke prikkelbosjes.

Ik hoef niet lang te wachten. Na nog geen tien minuten zijn ze terug.
‘Dat is niet te doen!’ roept ze naar haar man.
‘Nee, belachelijk,’ voegt de dochter toe.
Moeder wil de huurauto een dag naar voren verplaatsen, want ze is “echt geen zwembadmens”. Waarop de dochter toevoegt dat haar moeder “een echt strandmens” is.

Ik glimlach stiekem om zóveel zelfgecreëerd drama en denk aan een citaat van de filosoof die hier duizenden jaren geleden werd geboren: ‘De mens moet teleurgesteld worden in de kleine dingen van het leven, voordat hij de volle waarde van het grotere kan beseffen.’
Ja, Epicurus kon het goed zeggen. Hij wel.

Anders

Vanmiddag vaarden er tachtig boten door de grachten van Amsterdam, met hierop de flamboyante, kleurrijke, maar ook serieuze personen met het doel om het bestaansrecht van de homoseksuele medemens te rechtvaardigen. Het is vandaag de dag nog nodig om hier aandacht voor te vragen, want er zijn te veel homofoben in onze (Nederlandse) samenleving. Zij die homoseksualiteit zien als een ziekte of een afwijking. Ik vraag me af hoe deze mensen reageren wanneer hun eigen kind, of kleinkind, uit de kast komt. Ik hou mijn hart vast voor deze kinderen.

Het is vandaag ook precies 74 jaar geleden dat Anne Frank, tezamen met de andere bewoners van het Achterhuis aan de Prinsengracht, opgepakt werd om vervolgens naar verschillende kampen afgevoerd te worden. Niet omdat ze anders dachten of deden, maar omdat ze ander waren. De nationaalsocialisten vonden de Joodse mensen afwijkend en daarom verachtelijk. Dat er juist vanmiddag mensen die niet alledaags zijn over de Prinsengracht vaarden doet mij goed. Er is in de laatste zeventig jaar wel wat veranderd, maar het kan altijd beter.

Sprinterstop

De warme temperaturen in Nederland houden nu weken aan. Horden mensen kunnen er geen genoeg van krijgen, terwijl andere groepen er al weken genoeg van hebben. Zij verfoeien alles wat overdadig lichaamszweet oplevert. Daar kan ik me wel in vinden, want ondanks de zomerhitte zijn sommige mensen heel zuinig met het watergebruik, wat vaak een onaangename geurzone veroorzaakt. Ondanks dat hou ik van de warmte van de zomer. Ik heb het liever dan een strenge winter. Hoewel ik de afwisseling van de seizoenen heel prettig vind.

Op een van de warmste dagen van de afgelopen week, rij ik met het openbaar vervoer naar huis. De vervoersbedrijven hebben het niet makkelijk in de zomer (..herfst, winter en lente). Door de aanhoudende hitte van de afgelopen weken valt er veel uit. Beschadigde bovenleidingen, sein-, stroom- en andere storingen zorgen voor vertragingen of zorgen ervoor dat gehele reisadviezen komen te vervallen. Daar sta je dan met een verhit lijf te wachten op een trein die niet rijdt.

Zo kan het dat je op weg naar Almere geen keuze meer hebt en er maar één treinadvies is. Het advies dat je normaal gesproken ontwijkt, omdat die trein op alle tussenliggende stations stilstaat. Wanneer ik in een stoptrein zit, ervaar ik het alsof ik aan een kleianimatiefilmpje meedoe. Stop Motion. Stop Motion. Stop en stap uit. Maar wanneer je naar huis wilt en de stroptrein is de enige mogelijkheid dan stap je wel in de trein. Zelfs wanneer het een sprinter is.

Wie ooit bij de NS heeft bedacht dat de Sprinter een fantastisch vervoersmiddel is, verdient het om op de rails vastgebonden te worden. Het is een volslagen vervoersonvriendelijk en onooglijk rijtuig. Daarbij mag ook de persoon die heeft bedacht dat reizigers wel even 9 minuten op station Weesp (een station nog lelijker dan een sprinter) kunnen stilstaan, ook op de rails gaan liggen. Zo is het op deze extreem warme dag, waarbij te weinig treinen rijden, dat er tientalle -bijna gestrande reizigers in de Sprinter stappen. In no time staan er 8 reizigers in mijn aura.

Daar sta ik, met mijn rugtas tussen de benen. Omringt door een meute chagrijnen. Zij worden niet vrolijk van de mededeling dat deze Sprinter niet verder reist dan station Almere Centrum. Sprinter. Ik moet lachen om de incorrecte naamkeuze. De chagrijnen grijpen meteen naar de mobiele telefoons om vervoer vanaf Almere te regelen. Dit levert iets aardigs op. Mensen worden verleid te reageren en niet langer chagrijnig voor zich uit te fronzen. Reizigers vragen aan onbekenden of ze met hen, verder dan Almere Centrum, mogen meereizen.

Zo ontspruit er saamhorigheid. We zijn begaan met de anderen, omdat we allemaal in hetzelfde schuitje* zitten. Er worden afspraken gemaakt en we trakteren elkaar op grapjes en ervaringen die met het openbaar vervoer zijn opgedaan. Zo rijden we even later in een langzaam tempo naar Almere Centrum. Met een vertraging van ruim 30 minuten stappen we eindelijk uit de Sprinter. Op het perron is het de zomerse hitte die ons in het gezicht mept. Bijna thuis, denk ik verheugd.

*Sprinter

Voorraad en Verraad

Ik las van de week dat deze zomermaand sinds juli 1976 de droogste maand is. ‘Als het zo droog blijft, gaat het droogterecord van 1976 er binnen nu en twee weken aan. Dat jaar zorgde voor de droogste zomer ooit in Nederland,’ berichtte RTL van de week op haar website. Ik las het met een glimlach op mijn gezicht, want ik kan wel aan deze droge warmte wennen. Iedere dag voelt voor mij als een vakantiedag in Zuid-Europa of in de landen waarvan ik de droge warmte heb mogen meemaken. Ook de dagen dat ik mag werken voelen als vakantie.

Mijn glimlach was er ook omdat ik de warme, droge zomer van 1976 nog heel goed kan herinneren. Het was de zomer van mijn eerste zomerkamp in Zeist met Scouting -toen nog door iedereen de Padvinderij genoemd. Als negenjarige pre-tiener ging ik voor het eerst zonder mijn ouders op vakantie. Dat maakt het sowieso een ervaring waarvan ik toen wist dat ik deze nooit ging vergeten. Het was een week van onbezorgd plezier, onder begeleiding van volwassenen waarvan het autoritaire die ouders hebben, ontbrak.

Het was een week waar ik als kind de wereld heb ervaren met alleen jongens van mijn eigen leeftijd. Niemand die zich verder met ons bemoeide. Persoonlijke hygiëne was die week op vakantie. Wanneer je niet wilde douchen, was dat de reinheid die we hadden. Met die aanhoudende droogte wervelden de stofwolken in iedere huidplooi. Dit resulteerde later in het verhaal dat ik jaren heb mogen aanhoren: Bij terugkeer in Den Helder werd ik niet meteen door mijn moeder herkend, omdat ik eerder op een buitenlands jongetje leek dan op haar eigen zoon.

Die week in de zomer van 1976 was ongedwongen, maar we hadden ons wel aan regels te houden. Open vuur was verboden tijdens het zomerkamp in die droge zomer van 1976. We mochten geen brood bakken met klef deeg om een boomtak gerold. Dat heb ik in de latere zomerkampen wel mogen meemaken. Het aangebrande brooddeeg met je tanden van een boomtak schrapen. Mieters. Ook was het ons verboden om in de voorraadkamer van het kamp te komen. Dit gold niet voor Simon Peters. Hij was de populaire jongen in de groep, die opviel door zijn onverschrokken gedrag.

Simon had het idee opgedaan om op een avond naar de voorraadkamer te gaan om er wat kasten leeg te plunderen. Als negenjarige dacht ik nog de wereld aan te kunnen en samen met Simon en andere padvindertjes liepen we op een bepaalde avond na bedtijd richting de keuken. De spanning was te snijden. Met een druk op de blaas liepen we op onze tenen over de gang. Het plan was dat ik bij de voorraadkamer op de uitkijk zou blijven staan, zodat de anderen van de voorraad konden gappen. Ik was doodsbang, maar vond mezelf ook heldhaftig. Ik voelde me een tienjarige jongen.

Simon en de anderen waren goed bezig. Tijdens het roven kreeg ik door een kier van de deur een flinke handvol chocolaatjes toegestoken. Van de spanning propte ik alles in een keer naar binnen en probeerde ik al kauwend alle chocolade weg te malen. Ik beleefde een bijna-dood-ervaring toen ik vlak naast mij ‘Wat doe jij daar!?’ werd toegesnauwd. Van schrik slikte ik alle chocolade in een keer door. De persoonlijke carrière als uitkijk was toen en daar voor altijd gedaan. Hoestend en proestend wist ik te liegen dat ik op weg naar het toilet was.

De leidinggevende, die wij Bagheera noemden, vertelde me dat ik uit koers was en hij wees richting de toiletten. Ik knikte en liep in de richting die zijn vingers aanwezen. Hij liep achter mij aan. Ik wist dat dit de bedoeling was, want zo konden Simon en de anderen ongestoord uit de voorraadkamer terug naar de slaapzaal lopen. Zo bleef het ons geheim. Bij de toiletten vroeg Bagheera aan mij of de chocolade lekker was geweest. Ik keek hem gespeeld niet begrijpend aan. Wederom wees hij met zijn vingers. Mijn ogen volgden de vingers, en in de spiegel die boven de wastafels hing zag ik mijn eigen geschrokken gezicht, met daarin mijn chocoladebruine mond.

Uit 1977

Onderweg naar mijn metrostation haal ik hem op de Henk Sneevlietweg in. Hij is een man van middelbare leeftijd. Het pak dat hij draagt heeft ruim de tand des tijds doorstaan. Zijn jasje zit iets te krap en de broekspijpen zijn iets te wijd. Daarbij is de lange broek te kort. Hoog water. Als een kalenderjaar een persoon kan zijn, dan had het jaar 1977 de man gebeld en aan hem gevraagd het pak te retourneren. Voor een moment slaat mijn fantasie op hol. Ik verzin dat de man wel eens een tijdreiziger kan zijn. Eentje die in het verkeerde jaar, 41 jaar te laat, terecht is gekomen. Bij aankomst van mijn metrostation ben ik de tijdreiziger alweer vergeten.

Op het perron mag ik een paar minuten op de metro wachten. Met lichte verwondering kijk ik naar de zomerse kleding van mijn medereizigers. Of eerder het gebrek er aan. Vanuit het werk loopt men tegenwoordig in de stad rond in strand- of zwemkleding. Ik zie meer door inkt gekleurde huid dan kleurrijk textiel. Noem me ouderwets, maar in korte broek en op teenslippers naar je werk gaan, vind ik persoonlijk niet kunnen. Maar het is 2018 en mijn mening zegt alles over mij, dan dat het iets over de bijna blote mensen in Amsterdam zegt. En dan onthoud ik me van enig commentaar over het gebrek aan lichamelijke verzorging en de geur van de mensen.

Om 16:45 uur brengt de metro ons allen in de wagon naar station Amsterdam-Zuid, waar ik mag overstappen naar de trein die me naar Almere brengt. Het voelt bijna als een geluksdag. De trein rijdt het station binnen wanneer ik via de roltrap het perron op stijg. Een zitplaats is al snel gevonden. Ik neem plaats op een klapstoeltje op het balkon van de trein, en ik app naar huis dat ik er aankom. Andere reizigers lopen door naar een zitplaats in de coupé. Eén reiziger loopt niet door en komt op het stoeltje naast mij zitten. Vanuit een ooghoek herken ik de te korte lange broek. Het is de man uit 1977. Ik kijk hem aan en hij kijkt terug.

‘Wat een heerlijk weer is het toch, vind u niet?’ vraagt hij mij.
‘Nou,’ antwoord ik, en ik hoor mijn vader via mijn mond praten. ‘Deze zomer duurt nu al langer dan de zomer van vorig jaar.’
‘Ja. Dat zei ik vanmorgen precies zo tegen mijn vrouw!’
Het laatste woord komt er een beetje geforceerd uit. Schreeuwerig. Ik schrik er zelfs een beetje van. Denkt hij dat ik hem niet wil geloven? Ik kan niet bedenken waarom hij geen vrouw kan hebben getrouwd. Ik kan even geen antwoord geven en val stil. Ondanks het door mij verzonnen mysterie van het pak uit 1977 heb ik de man niets te vragen, en mijn vader houdt ook zijn mond.

D-Day

Het is me niet duidelijk of het de schoorsteenveger is geweest of dat het een vandaal was die -eerder dit jaar- het nodig vond om op het dak van de garage te gaan staan. Dat er uiteindelijk een scheur en een gat in het garagedak door een manspersoon is ontstaan, is een feit. Een onaangename verrassing waar je nooit op voorbereid bent. Lijkt me ook niet logisch. ‘Vandaag maar eens kijken wie er als laatste een gat in ons garagedak heeft getrapt,’ is een vraag die men niet dagelijks stelt.

Maar ineens is het er dan. Heel aanwezig. Een scheur c.q. gat in het dak. Eerst ben je boos, daarna ontmoedigd en uiteindelijk reken je uit wat een reparatie je gaat kosten. Een gat in je dak is niet zo maar te verhelpen met een stukkie dakbedekking. Wanneer je dan de rekensom hebt gedaan ga je denken aan alle leuke dingen die je met zo’n bedrag kunt doen, en heel even reken je het bedrag terug naar de Nederlandse gulden. Een lichte infarct is het gevolg.

Je troost jezelf met de gedachte dat je blij mag zijn dat je het bedrag voor een reparatie kunt uitgeven, terwijl het duiveltje op de andere schouder je influistert dat je ook een luxe vakantie had kunnen boeken. Het is niet anders. Het dak moet worden hersteld naar originele staat. Je vraagt een paar offertes aan en besluit uiteindelijk voor een aannemer te kiezen die de opdracht mag uitvoeren. Hierna volgt de klus om de garage te ontdoen van inhoud, want een ingrijpende dakreparatie houdt in dat het hele dak er af moet.

Zo ben je op je vrije zaterdag een paar uur druk met het uitruimen van de garage, en ben je verrast van alle troep die je in de loop van jaren hebt verzameld. Gelukkig is het zomer en is het deze maanden ook echt zomers weer geweest, waardoor de troep -weliswaar onder een zeiltje- droog kan blijven staan. De katten in de buurt vinden het allemaal heel interessant, want die lopen constant door onze verzameling. Vooral de tuinkussens worden uitgebreid getest. De kattenharen zijn het bewijs.

Dan is eindelijk die dag aangekomen. D-Day. Dak-dag. De mannen trekken ‘s-ochtends in no-time het dak eraf, om daarna het dak weer op te bouwen. Het is warm deze dag en de stoere mannen ontdoen zich van onnodige kleding waardoor ze met ontbloot, gespierd en getatoeëerd bovenlijf aan het werk zijn. Dit beeld is een buurvrouw van een paar huizen verderop niet ontgaan. Ze komt zeer zomers gekleed aan met ijsjes voor de mannen, om later nogmaals met koude drankjes langs te komen.

De mannen accepteren de koude traktaties. Wanneer de buurvrouw weg is worden er een paar seksistische machograpjes gemaakt. Het is iets waar deze, voor ons onbekende, buurvrouw zeer waarschijnlijk op had gehoopt. Het is duidelijk: de beweging die #metoo heeft losgemaakt is haar helemaal voorbijgegaan. Ondanks de hitte werken de mannen stug door, en aan het einde van de dag is alles gedaan. De buurvrouw kreeg haar aandacht, de mannen de vergoeding voor hun werk en wij zijn trotse eigenaars van een nieuw garagedak.

Kleinhartige Killer

De afgelopen week heeft het niet veel geregend. Dat is helemaal niet zo erg. Dat wordt naast het dagelijks genieten van het droge weer, ‘s-avonds de tuin besproeien. Daar knapt het groen van op. Onze poezen daarentegen vinden dat maar niets. Plaatselijke regenbuien die vanaf de grond spetteren. De katten mekkeren, maar dat gezeur laat me niet weerhouden van achtertuingespetter.

Van de week lag ik in de avond op de bank. Een beetje bankhangen met een opengeslagen boek voor mijn neus, toen Harpo zich bij mij meldde. Hij is een zwarte, uit de kluiten gewassen je-weet-wel-kater, met een aparte vacht die wellicht het meest doet lijken op het stekelige haar van Barbabob. De tuin was gesproeid en Harpo had iets te klagen. Dat mag, ik luister toch niet naar kattengeklaag.

Ik moet bekennen, Harpo is een aparte kat. Als je hem voor het eerst ziet lijkt hij een grote gevaarlijke kater met zijn beschadigde linkeroor. Zeer waarschijnlijk tijdens een gevecht ontstaan. Maar dat maakt hem nog geen stoere kat. Zijn bekje staat altijd wel een beetje open en daarbij kijkt hij altijd een beetje afwezig. Dat er heel soms er een druppel kwijl uit zijn bekje valt, geeft het hem eerder een sukkelig uiterlijk.

Zo zit hij van de week naast mij op de bank. Zijn koppie dicht bij de mijne. Hij kijkt me aan (zo lijkt het) en dan komt er een idioot hoog geklaag uit. Het past totaal niet bij zijn grote postuur. Alsof hij aan het heliumgas heeft gezeten. Zijn gemiauw is te vergelijken met de stemmen van Betty Boop en Mickey Mouse. Dat maakt hem bijzonder. Een stoere kat, maar toch ook weer helemaal niet.

‘Een sukkel eerste klas,’ hoor ik u zeggen? Dat is niet helemaal waar. Misschien in de ogen van de mens, maar vanuit de beleving van een veldmuis is het een monster. Een wreedaard, waar Godzilla nog iets van kan leren. De grootste hobby van Harpo is op muizenjacht gaan. Hij doet het graag, en vaak. Dat kan ook prima met het grote grasveld voor ons huis. Gisteravond vrat hij 2 veldmuizen op. Binnen 15 minuten. Dat is toch best stoer? Mij ziet u het niet doen.

Onaardigheden

Waar ik mijn hele leven altijd heb gedacht dat ik wel een aardig persoon ben, raak ik er de laatste tijd steeds meer van overtuigd dat het waarschijnlijk niet zo is. Ondanks dat ik de laatste jaren glimlachend door het leven ga (van fronzen krijg je rimpels, en ja, ik ben hier te laat mee begonnen) maakt dat niet altijd alle mensen blij. Dat geeft niets. Er zijn veel mensen die mij niet blij maken, maar daar heb ik het wel eens een andere keer over. Ik maak de mensen niet blij. Het zij zo.

Een maand geleden haalde ik dankzij een kort sprintje op station Amsterdam-Zuid nog net de trein naar thuis. De conducteur floot zijn fluit op het moment dat ik de trein in schoot. Zwaar ademend liep ik de coupé in op zoek naar een zitplaats. Er was nog plaats bij een meisje en een oudere vrouw. Ik ging zitten en het meisje keek mij heel teleurgesteld aan. Met een trillend stemmetje zei ze dat ze deze plek, waar ik zat, voor haar zusje en haar vader was.

Met een ‘In de trein hebben we geen gereserveerde plaatsen,’ bleef ik zitten. Het meisje liep weg en de mensen in de coupe keken mij aan. De oudere vrouw schuin tegenover mij mompelde mij het woord flauw toe. ‘Hoezo flauw,’ vroeg ik haar. ‘Ik heb net zo veel recht op een zitplaats als iedereen.’ De vrouw viel in de herhaling, ze mompelde mij hetzelfde woord toe en verschool zich achter haar e-reader. Van het meisje, haar zus en vader heb ik trouwens niets meer vernomen.

Diezelfde week reageerde ik op social media op een tweet met de opmerking dat de term homohuwelijk  inmiddels achterhaald is. Het is een huwelijk, ongeacht wie er trouwt. Ik antwoordde bevestigend met een vergelijking van andere huwelijken die juist niet specifiek benoemd worden. Ik sprak over een gehandicaptenhuwelijk en een moslimhuwelijk, maar ook over een huwelijk waarbij ik, zonder na te denken, het n-woord heb gebruikt. Hierop werd mij door een andere twittergebruiker de titel racist toebedeeld.

Mijn uitleg dat men mijn woorden uit de context haalde, werd juist als de superioriteit van een typisch blanke man gezien. Dat vond ik zelf dan een beetje racistisch, maar enige verdere uitleg van mij kwam gewoon niet goed over. De vrouw was zeer stellig. Ik wilde haar graag overtuigen omdat ik mezelf helemaal niet als racist zie, maar toen er meerdere twitteraars ook tegen mijn ageerden, haakte ik af. Dit was iets dan ik niet kon, en ook niet meer wilde winnen.

Zo blijkt maar weer dat je onbedoeld toch als een onaardig persoon kan worden ervaren. Zo bleek van de week op Amsterdam-Zuid. Vanuit het werk was het weer een uitdaging om mijn verbinding naar Almere te halen. Vanuit de metro moest ik versneld naar perron 1 lopen. Tijdens deze spits was er een mevrouw met een beker koffie in de linker- en een koffer op wieltjes in de rechterhand, die hierdoor de toegang tot de roltrap belemmerde. Licht geïrriteerd glipte ik langs haar.

De mevrouw met koffie en koffer schrok hiervan en tetterde verwijtend dat ik haar aan de kant duwde. Een paar treden hoger hield ik mijn pas in (ik zag dat mijn trein er nog niet was), en zei haar dat er veel dingen zijn die ik niet doe, en het aan de kant duwen van mensen hoort daar zeker bij. ‘Laten we vooral normaal met elkaar omgaan,’ zei ik voordat ik het perron op steeg. Mevrouw met koffie en koffer zocht schetterend bijval van medereizigers, maar mijn aandacht had ze niet meer.

Hierbij biecht ik het dan maar op. Ik ben een onaardig persoon. Ik steel de zitplaats van jonge meisjes in de trein, ik gebruik foute woorden die nu niet meer kunnen en ik geef mensen het idee dat ik hen aan de kant zet. Al deze handelingen waren geen opzet. Ik vind mezelf nog steeds de knul van een toen, die denkt vriendelijk naar anderen te zijn. Ondanks dat ben ben ik toch een zeer onsympathieke man. Juist wanneer ik geen rekening houd met de ervaring van anderen. Het is iets waarmee ik moet leren leven.