Martinus van Tours

‘Ik zal mijzelf voorstellen. Mijn naam is Martinus van Tours. Ik ben eeuwen geleden, zo’n 1.700 jaar terug, geboren in West-Hongarije. In de stad Szombathely om precies te zijn. Nu ook bekend om de voetbalclub Szombathelyi Haladás, die op het hoogste niveau spelen. Gisteren hebben ze nog met 1-0 gewonnen van Ferencváros

De man tegenover me lacht genegen en buigt even naar voren. Hij reikt naar een oude, versleten drinkbeker. Hij neemt een slok uit de groene mok. Hij zit nu rechtop op de sofa. De man heeft een leeftijd van achter in de zeventig, misschien net tachtig jaar. Het grijze pak dat hij draagt lijkt hem niet comfortabel te zitten. Hij trekt constant aan zijn jasje. De knoop van zijn stropdas hangt losjes om zijn nek en zijn schoenen lijken een maatje te groot. Ik zit tegenover hem met een notitieboekje op schoot. Martinus wilt mij zijn verhaal vertellen. Het is niet dat niemand zijn verhaal kent, maar hij heeft de behoefte het na al die jaren na zijn dood nogmaals eens correct te vertellen.

‘Mijn vader was destijds een Romeinse magistraat. Een overheidspersoon, zeg maar. Als vijftienjarige tiener ging ik in dienst bij het Romeinse leger en kwam ik bij een ruiterij in Gallië terecht. In die tijd had je geen internet of verenigingsleven, dus enig vertier vond je in het Katholieke geloof. Dus op achttienjarige leeftijd heb ik me laten dopen, heb het leger verlaten en werd ik leerling van bisschop Hilarius van Poitiers. De belangrijkste theoloog van die tijd. Zijn geschriften vormen de oudste christelijke literatuur in Gallië.’

Martinus is een vriendelijke man. Wanneer hij spreekt doe hij dit met enthousiasme. Zijn blauwe ogen stralen als hij spreekt over zijn tijd dat hij besloot zich als kluizenaar terug te trekken in de Franse stad Ligugé. Hij vertelt me met schik dat hij juist toen veel volgelingen kreeg.
‘Het waren er zoveel, dat dit tot gevolg had dat hierdoor het eerste klooster op Franse bodem ontstond. Kort hierna werd ik door de bewoners tot bisschop verkozen. Ondanks flink verzet van de andere bisschoppen,’ knipoogt hij me toe.

‘Als bisschop hield ik me aan het vrome monnikenleven, in tegenstelling tot andere bisschoppen, en maakte ik vele uitgebreide missioneringsreizen. Op zestigjarige leeftijd stichtte ik, natuurlijk tezamen met anderen, een klooster te Marmoutiers. Ik vond dat ik dit op deze leeftijd wel kon regelen. Het klooster was enorm in omvang en werd al snel een centrum van studie en missionering voor geheel Gallië. Ondanks dit succes, waren velen niet gelukkig met mij en mijn keuzes,’ fluistert hij me serieus toe. Hij hoest even achter zijn gesloten hand. ‘Ondanks dat ik voorstander was van orthodoxie, en nog steeds ben, was ik voor een mildere houding ten opzichte van het Priscillianisme. Een beweging binnen de christelijke kerk.’

‘Dit werd mij niet in dank afgenomen. Mijn bemiddelingen tot een mildere houding creëerde niet alleen weerstand bij de bisschoppen uit mijn eigen clerus, maar ook bij de Spaanse. Niet dat dit gegeven me tegenhield om mijn missioneringswerk te blijven doen, maar het geeft me een licht bitter gevoel, dat ik hierin werd tegengewerkt. Het is vooral treurig dat na mijn dood, mijn lichaam in triomf, als een overwinning, naar Tours werd overgebracht en bijgezet.’ De oude man glimlacht bedroevend naar mij en haalt even zijn schouders op. ‘Na bijna tweeduizend jaar, ben ik er nog niet aan gewend.’

‘Maar laten we vooral niet treuren, of boos blijven. Daar is niemand bij gebaat.’ Martinus van Tours kijkt me aan en vraagt me of ik verder nog vragen heb. Zonder te antwoorden, weet ik dat hij mijn vraag al weet. Hij sluit zijn ogen en vertelt verder.
‘Het was in mijn tienerjaren, een paar jaar nadat ik in dienst bij het Romeinse leger ging. Aan de stadspoort van Amiens reden we op onze paarden voorbij een paar schooiers. Bedelaars, zeg maar. Eén van hen was van mijn leeftijd en ik bedacht toen hoe ik zelf had geleefd, wanneer mij geen keuzes in het leven waren gegeven. Het was toen dat ik zonder aarzelen mijn mantel in tweeën sneed en mijn helft van de mantel aan de  arme schooier gaf. Soms is spontaan handelen niet verkeerd. Het blijft bij de mensen hangen.’

Martinus pakt zijn mok van de tafel en ziet dat deze inmiddels leeg is. Hij haalt zijn schouders op en glimlacht. ‘Komen er vanavond nog kinderen aan de deur te zingen voor snoep?’

vlees noch vis

Halverwege dit jaar was ik om. Ik zei thuis: ‘Vanaf nu eet ik geen dieren meer.’ Ik liep al langer met het idee om vegetariër te worden. Ik vind dieren veel leuker (en aardiger) dan mensen. Daarbij vraag ik me af wat het verschil tussen rundvlees en bijvoorbeeld hondenvlees is. De ethiek heeft ons geleerd om bepaalde dieren wel te eten, en andere dieren niet. Het is dierenracisme.

Het leven als vegetariër bevalt me prima. Ik voel me gelukkiger zonder het eten van dieren. Er zijn mensen die dat niet begrijpen en zijn soms bang dat ik ze wil overhalen om ook geen dieren meer te eten, maar het is voor mij geen religie. Ik wil niet overtuigen om geen dieren meer te eten. Ondanks die mededeling schieten mensen toch in de verdediging of erger, in de aanval.

Het is maar net waar je boos om kunt worden. Mensen raken geïrriteerd wanneer anderen geen vlees eten, maar wel bijvoorbeeld vleesvervangers. Ik ben niet gestopt met het eten van dieren omdat ik ineens geen vlees meer lust. Ik verlang soms naar een rookworst of een gehaktbal, maar gelukkig heb je tegenwoordig prima alternatieven in de schappen van de supermarkt liggen. De omnivoor waarmee ik ben getrouwd eet af en toe graag plantaardig vlees mee.

Vleeseters en vegetariërs kunnen dus prima samenleven, ondanks dat het soms niet zo lijkt. Enkelen zijn de mening toebedeeld dat wanneer je geen dieren eet, je ook geen dierenhuid aan de voeten mag dragen. Het nuttigen van zuivelproducten en eieren mag ook niet. Toen ik afgelopen zomer besloot geen dieren meer te eten, heb ik geen memo met (spel)regels voor vegetariërs ontvangen.

Ik doe wat in mijn beleving het beste is. Daarmee ben ik niet beter dan een ander. Doe wat je zelf graag wilt. Dat gemeld te hebben, deel ik graag de uitspraak van Ronald Leopold die vanmorgen in een Amsterdamse krant werd geplaatst. ‘Mensen zijn te veel bezig met hun eigen mening en willen die met windkracht 10 de wereld in blazen, maar we mogen wel wat meer oog hebben voor elkaar.’

commentaar

Het sporten gaat me weer goed af! Je zou denken dat ik goed bezig ben, maar eigenlijk doe ik het hartstikke verkeerd, want in de maand november werken aan een zomerlichaam gaat niet goed wanneer je strakke lijf in het voorjaar alweer uitdijt naar een winterlichaam. Het voornemen is er om dit vol te blijven houden. De sportschool waar ik me uitsloof ligt nog geen 400 meter van huis. Wanneer ik straks de kerstkaarten op de bus mag doen, ben ik langer onderweg, dus die afstand naar de sportschool mag geen excuus meer zijn.

De afgelopen week ben ik bijna dagelijks naar de sportschool geweest. Op de dagen dat ik er afwezig was, ben ik buiten gaan hardlopen. Op de lopende band indoor hardlopen lukt me niet. Het apparaat gaat dan ineens op de rem, waardoor ik bijna naar voren wordt gekatapulteerd. Dan ga ik liever een stukje stilstaand fietsen. Verder besteed ik de meeste tijd aan het roeien. Met een heerlijk gemak peddel ik zo een paar kilometer weg. Ik wordt er enthousiast van, maar nog niet enthousiast genoeg om me aan te melden bij de plaatselijke roeivereniging.

Het roeien in de sportschool is populair. Er zitten altijd wel mensen op de roeimachines. Zo ook vandaag. Twee dames van tegen de 30 jaar bewegen synchroon op de apparaten. Alle spieren zijn in beweging. Vooral de kaakspieren, want ze zitten druk te praten. Over de andere sportschoolbezoekers. Er wordt commentaar gegeven over de corpulente dame in haar felroze tijgerlegging en de mannelijke sportschoolbezoeker gaan ook over de tong. Ik besluit om nog een paar kilometer door te roeien. Ik wil nog even niet nagekeken en becommentarieerd worden.

Het is te laat voor de mannen achter in de zaal. Zij staan bij de zwaardere apparaten, waar de biceps en de triceps worden opgepompt. Ik plaats de mannen in de categorie Peppie en Kokkie, maar de dames naast mij hebben een internationale benaming. Beavis en Butthead. Er wordt nog even een vinnige opmerking gegeven over de kleinere man van de twee. ‘Hij kan nu wel 100 kilo’s wegdrukken, maar hij zal nooit 1.70 meter worden.’ Het is een lelijke opmerking. Deze vrouwen zijn in staat om met alleen hun commentaar een man te castreren. Met samengeknepen billen roei ik een paar honderd meter stilstaand door.

Zonder vlees

‘Kook je vaak voor jezelf?’ vraagt ze nieuwsgierig wanneer hij een teentje knoflook en een handje grof gesneden kastanjechampignons in de wok gooit.
‘Ja, hoezo? Jij niet?’
‘Bijna niet. Een magnetronmaaltijd of thuisbezorgd werkt prima voor mij.’
‘Dat is niet echt gezond te noemen.’ Hij roert even in de pan met tagliatelle.
‘Ik weet het, maar ik vind het gewoon niet leuk, koken. Jij wel?’
‘Jazeker. Helemaal nu ik geen vlees eet, kook ik meer gevarieerd.’
Verrast kijkt ze op, terwijl hij verse spinazie in de wok doet.
‘Eet je geen vlees meer? Waarom? Sinds wanneer? Vind je het zielig voor de dieren? Eet je nog wel vis?’
Het zijn de inmiddels bekende vragen die hij de afgelopen maanden te horen krijgt, nadat hij een paar maanden geleden heeft besloten geen dieren meer te eten.
‘Ik eet geen vlees meer, want ja, ik vind het zielig en het voelt voor mij niet goed dat ik dieren eet. Ik eet dus ook geen vis, al een paar maanden niet. Het eten van dieren is zo van voor 2018,’ licht hij glimlachend toe.
‘Joh, ik weet niet of ik dat kan, hoor!’
‘Dat hoeft ook niet,’ reageert hij lachend en voegt de roomkaas toe aan de spinazie in de wok. ‘Het is geen religie voor mij, ik hoef en wil je niet overtuigen.
‘Gelukkig maar,’ laat ze opgelucht weten.
Hij haalt de tagliatelle van het vuur en voegt nog wat peper en zout toe aan het spinazie-roomkaas-champignonmengsel.
De borden worden opgeschept met de pasta en de spinaziesaus. Nog even bestrooit hij het eten met wat geraspte kaas.
‘Klaar om lekker te eten?’ Hij loopt naar de eettafel en zij volgt hem.
‘Jazeker! Zonder vlees?’ informeert ze overbodig.
Hij glimlacht naar haar en zegt: ‘Zonder vlees, maar met smaak.’
300 gram tagliatelle
1 teen knoflook
250 gram kastanjechampignons
3 eetlepels olijfolie
600 gram spinazie
100 gram roomkaas (naturel)
geraspte pittige kaas

Gespannen

Nadat ik mijn eigen fiets van woonplaats Almere naar mijn werk in Amsterdam heb verhuisd, heeft het fietsplezier precies een week geduurd. Sindsdien is de relatie gespannen. Alsof het vervoersmiddel ineens een ziel heeft verkregen en mij wel eens karma zal leren. Omdat het rijwiel in Almere altijd droog in de schuur heeft mogen staan, verblijft het nu ‘s-nachts, ongeacht de weersgesteldheid, onbeschermd bij metrostation Henk Sneevliet. Daar wordt een fiets niet blij van en ik kan bij wijze van, het rijwielgeroddel in de fietsenstalling al horen. ‘Een man verkast toch niet zo maar ongevraagd zijn rijwiel?’

Het idee om mijn fiets te gebruiken als vervoersmiddel tussen het metrostation en mijn werkadres, is een prima plan geweest. Ik win er per dag gemakkelijk 20 minuten mee en reken dat maar uit: Dat scheelt per half jaar 40 uur, en dat zijn twee werkweken in een jaar. Voorlopig kom ik niet aan dat getal, want constant ligt mijn fietsketting eraf. De eerst keer was vorige week, dinsdagavond. De enige dag in de week dat ik tot 20:00 uur moet werken. In de avonden rijdt de metro niet meer zo vaak en is een fiets een uitkomst. Gejaagd, maar als een volleerde chirurg, trek ik fel de kettingkast open om het binnenste van de kettingkast te bekijken.

De fietsketting hangt er ongeïnteresseerd en levenloos bij. Geïrriteerd over de onverschilligheid trek ik de ketting los van haar raderen om deze met precisie weer op de juist plek terug te leggen. Na wat gepriegel en wild draaien van de trappers ligt de ketting er weer op en draait ze als een kermisattractie het achterwiel rond. Het schijnt een zware operatie van een paar uur te zijn, maar mijn horloge geeft aan dat ik nog geen twee minuten bezig ben geweest. Snel dicht ik de kettingkast en spring op mijn fiets. Met mijn vingers zwart van het oude vet fiets ik naar het metrostation. Vervolgens heb ik na deze dinsdagavond nog een paar keer de kettingkast mogen openen. Mijn fiets en ik zijn zo hecht niet meer.

Sporten

Ik heb me van de week aangemeld bij de sportschool. Onder het mom van liever hardleers dan standvastig, ga ik er weer voor. Ik weet echt wel dat het iets is dat niet altijd tot me doordringt. Ik ga altijd fanatiek sporten, maar na een maand spoelt mijn enthousiasme voor het sporten als het water tijdens het douchen weg via het doucheputje. Daarnaast is mijn planning voor het sporten altijd hartstikke verkeerd. Ik ga altijd fanatiek sporten wanneer de zomer net voorbij is. Hierdoor zit ik rond mijn verjaardag tussen Sinterklaas en Kerstmis, strak in mijn zomerlichaam, dat met de kerstdagen en tegen oudejaarsavond weer teniet wordt gedaan door al het lekkere eten.

Juist om die reden lig ik tijdens de zomermaanden als een Jabba the Hutt op mijn bedje aan de rand van het zwembad of in de achtertuin. Ik hou van eten. Dat nog meer dan van sporten. Daar ben ik geen uitzondering in, want ik zie overal Obesitas-look-a-likes om me heen. Voor mij zal dat binnenkort weer veranderen, want zoals hierboven gemeld; ik ga weer sporten. Over een paar weken wordt er in de buurt een sportschool geopend, waarvan de maandcontributie gelijk staat aan 2 pakjes sigaretten, en ik mag mijn sportpas met iedereen delen. Aangezien de nieuw sportschool ongeveer 200 meter van mijn huis ligt, wordt de door mij gecreëerde drempel vernietigd.

Zo verkoop ik het sportschoolverhaal heel goed aan mezelf. Ik moedig mezelf fanatiek aan, maar ik weet dat ik in november alweer ben bevorderd tot sportschoolsponsor. De te korte periode van reguliere sportschoolbezoeker ligt dan achter me. Zo is het altijd gegaan. Maar misschien moet ik het dit keer anders aanpakken. Een schema voor een langere periode, waardoor ik langer dan een maand actief bezig ben. Ik ben tenslotte ook ooit met een schema begonnen voor hardlopen, terwijl ik de hardlopers in opzichtige kleding eerder lachwekkend vond dan inspirerend. U mag me in december weer eens aanspreken over mijn sportschoolbezoeken.

Huffelpuf

‘Bent u een fan?’
Ik kijk op van de menukaart in mijn schoot en ik kan niet zien van wie de vraag komt. Op een terras op de Grote Markt in Almere wacht ik op mijn lunchafspraak. Deze is een paar minuten te laat.
‘Bent u een fan?’ hoor ik weer. Ik kijk op en zie dat de vraag van een ander tafeltje, rechts van mij, komt.
Een man van ongeveer mijn leeftijd kijkt mij vrolijk en indringend aan. Hij gebaart met prikkende wijsvinger naar mijn borstkas.
‘Of u een fan bent van Harry Potter,’ vraagt hij me lachend toe.
Ik kijk naar mijn t-shirt. Het heeft een afbeelding van een das met daarboven het Engelse woord voor HUFFELPUF. Het is een shirt dat ik ooit via eBay heb besteld. Op het shirt staat vermeld Team Captain van het door J.K. Rowling verzonnen zwerkbalteam van HUFFELPUF. Ik vond het shirt destijds wel leuk. In ieder geval leuk genoeg om via het internet te bestellen.
‘Nee, ik ben geen fan. Gewoon een liefhebber,’ antwoord ik beleefd.
‘Maar u heeft de boeken wel gelezen?’
‘In het Nederlands en in het Engels,’ antwoord ik met een vriendelijk gezicht.
‘Toe maar,’ zegt de man. ‘Ze staan ook bij u in de boekenkast? Of heeft u ze geleend van de bibliotheek.’
‘In de boekenkast,’ antwoord ik de man, die zijn stoel nu richting mijn tafeltje schuift. Ik vraag me af waar mijn lunchafspraak blijft.
‘Ik heb ze destijds van de bibliotheek geleend. Mooie boeken.’
Ik knik bevestigend.
‘En de films? Heeft u die ook gezien?’
‘Jawel,’ zeg ik zonder van de menukaart op te kijken.
‘Die staan ook thuis bij u in de kast?’
‘Nee,’ lieg ik. Ik kijk de man lichtelijk geïrriteerd aan. Ik heb helemaal geen zin in deze ondervraging, of ook maar iets te delen met de nieuwsgierige man. Hij krijgt dit niet mee.
‘Leest u meerdere boeken, en wat leest u zoal?’ vraagt hij.
Ik zie in de verte mijn lunchafspraak aanlopen. Ik verontschuldig me, sta op en loop naar mijn afspraak. Ik begroet deze en stel voor dat we elders gaan lunchen.
Dat vind hij prima en we lopen naar een nabij gelegen terras op de Grote Markt.
‘Leuk shirt,’ zegt mijn lunchafspraak.
‘Dank je,’  zeg ik.
‘Beetje kinderachtig, vind je niet?’ vraagt mijn lunchafspraak.
‘Niet echt,’ antwoord ik, en besluit het shirt alleen nog te dragen wanneer ik alleen ben.

Anders

Vanmiddag vaarden er tachtig boten door de grachten van Amsterdam, met hierop de flamboyante, kleurrijke, maar ook serieuze personen met het doel om het bestaansrecht van de homoseksuele medemens te rechtvaardigen. Het is vandaag de dag nog nodig om hier aandacht voor te vragen, want er zijn te veel homofoben in onze (Nederlandse) samenleving. Zij die homoseksualiteit zien als een ziekte of een afwijking. Ik vraag me af hoe deze mensen reageren wanneer hun eigen kind, of kleinkind, uit de kast komt. Ik hou mijn hart vast voor deze kinderen.

Het is vandaag ook precies 74 jaar geleden dat Anne Frank, tezamen met de andere bewoners van het Achterhuis aan de Prinsengracht, opgepakt werd om vervolgens naar verschillende kampen afgevoerd te worden. Niet omdat ze anders dachten of deden, maar omdat ze ander waren. De nationaalsocialisten vonden de Joodse mensen afwijkend en daarom verachtelijk. Dat er juist vanmiddag mensen die niet alledaags zijn over de Prinsengracht vaarden doet mij goed. Er is in de laatste zeventig jaar wel wat veranderd, maar het kan altijd beter.

Sprinterstop

De warme temperaturen in Nederland houden nu weken aan. Horden mensen kunnen er geen genoeg van krijgen, terwijl andere groepen er al weken genoeg van hebben. Zij verfoeien alles wat overdadig lichaamszweet oplevert. Daar kan ik me wel in vinden, want ondanks de zomerhitte zijn sommige mensen heel zuinig met het watergebruik, wat vaak een onaangename geurzone veroorzaakt. Ondanks dat hou ik van de warmte van de zomer. Ik heb het liever dan een strenge winter. Hoewel ik de afwisseling van de seizoenen heel prettig vind.

Op een van de warmste dagen van de afgelopen week, rij ik met het openbaar vervoer naar huis. De vervoersbedrijven hebben het niet makkelijk in de zomer (..herfst, winter en lente). Door de aanhoudende hitte van de afgelopen weken valt er veel uit. Beschadigde bovenleidingen, sein-, stroom- en andere storingen zorgen voor vertragingen of zorgen ervoor dat gehele reisadviezen komen te vervallen. Daar sta je dan met een verhit lijf te wachten op een trein die niet rijdt.

Zo kan het dat je op weg naar Almere geen keuze meer hebt en er maar één treinadvies is. Het advies dat je normaal gesproken ontwijkt, omdat die trein op alle tussenliggende stations stilstaat. Wanneer ik in een stoptrein zit, ervaar ik het alsof ik aan een kleianimatiefilmpje meedoe. Stop Motion. Stop Motion. Stop en stap uit. Maar wanneer je naar huis wilt en de stroptrein is de enige mogelijkheid dan stap je wel in de trein. Zelfs wanneer het een sprinter is.

Wie ooit bij de NS heeft bedacht dat de Sprinter een fantastisch vervoersmiddel is, verdient het om op de rails vastgebonden te worden. Het is een volslagen vervoersonvriendelijk en onooglijk rijtuig. Daarbij mag ook de persoon die heeft bedacht dat reizigers wel even 9 minuten op station Weesp (een station nog lelijker dan een sprinter) kunnen stilstaan, ook op de rails gaan liggen. Zo is het op deze extreem warme dag, waarbij te weinig treinen rijden, dat er tientalle -bijna gestrande reizigers in de Sprinter stappen. In no time staan er 8 reizigers in mijn aura.

Daar sta ik, met mijn rugtas tussen de benen. Omringt door een meute chagrijnen. Zij worden niet vrolijk van de mededeling dat deze Sprinter niet verder reist dan station Almere Centrum. Sprinter. Ik moet lachen om de incorrecte naamkeuze. De chagrijnen grijpen meteen naar de mobiele telefoons om vervoer vanaf Almere te regelen. Dit levert iets aardigs op. Mensen worden verleid te reageren en niet langer chagrijnig voor zich uit te fronzen. Reizigers vragen aan onbekenden of ze met hen, verder dan Almere Centrum, mogen meereizen.

Zo ontspruit er saamhorigheid. We zijn begaan met de anderen, omdat we allemaal in hetzelfde schuitje* zitten. Er worden afspraken gemaakt en we trakteren elkaar op grapjes en ervaringen die met het openbaar vervoer zijn opgedaan. Zo rijden we even later in een langzaam tempo naar Almere Centrum. Met een vertraging van ruim 30 minuten stappen we eindelijk uit de Sprinter. Op het perron is het de zomerse hitte die ons in het gezicht mept. Bijna thuis, denk ik verheugd.

*Sprinter

Voorraad en Verraad

Ik las van de week dat deze zomermaand sinds juli 1976 de droogste maand is. ‘Als het zo droog blijft, gaat het droogterecord van 1976 er binnen nu en twee weken aan. Dat jaar zorgde voor de droogste zomer ooit in Nederland,’ berichtte RTL van de week op haar website. Ik las het met een glimlach op mijn gezicht, want ik kan wel aan deze droge warmte wennen. Iedere dag voelt voor mij als een vakantiedag in Zuid-Europa of in de landen waarvan ik de droge warmte heb mogen meemaken. Ook de dagen dat ik mag werken voelen als vakantie.

Mijn glimlach was er ook omdat ik de warme, droge zomer van 1976 nog heel goed kan herinneren. Het was de zomer van mijn eerste zomerkamp in Zeist met Scouting -toen nog door iedereen de Padvinderij genoemd. Als negenjarige pre-tiener ging ik voor het eerst zonder mijn ouders op vakantie. Dat maakt het sowieso een ervaring waarvan ik toen wist dat ik deze nooit ging vergeten. Het was een week van onbezorgd plezier, onder begeleiding van volwassenen waarvan het autoritaire die ouders hebben, ontbrak.

Het was een week waar ik als kind de wereld heb ervaren met alleen jongens van mijn eigen leeftijd. Niemand die zich verder met ons bemoeide. Persoonlijke hygiëne was die week op vakantie. Wanneer je niet wilde douchen, was dat de reinheid die we hadden. Met die aanhoudende droogte wervelden de stofwolken in iedere huidplooi. Dit resulteerde later in het verhaal dat ik jaren heb mogen aanhoren: Bij terugkeer in Den Helder werd ik niet meteen door mijn moeder herkend, omdat ik eerder op een buitenlands jongetje leek dan op haar eigen zoon.

Die week in de zomer van 1976 was ongedwongen, maar we hadden ons wel aan regels te houden. Open vuur was verboden tijdens het zomerkamp in die droge zomer van 1976. We mochten geen brood bakken met klef deeg om een boomtak gerold. Dat heb ik in de latere zomerkampen wel mogen meemaken. Het aangebrande brooddeeg met je tanden van een boomtak schrapen. Mieters. Ook was het ons verboden om in de voorraadkamer van het kamp te komen. Dit gold niet voor Simon Peters. Hij was de populaire jongen in de groep, die opviel door zijn onverschrokken gedrag.

Simon had het idee opgedaan om op een avond naar de voorraadkamer te gaan om er wat kasten leeg te plunderen. Als negenjarige dacht ik nog de wereld aan te kunnen en samen met Simon en andere padvindertjes liepen we op een bepaalde avond na bedtijd richting de keuken. De spanning was te snijden. Met een druk op de blaas liepen we op onze tenen over de gang. Het plan was dat ik bij de voorraadkamer op de uitkijk zou blijven staan, zodat de anderen van de voorraad konden gappen. Ik was doodsbang, maar vond mezelf ook heldhaftig. Ik voelde me een tienjarige jongen.

Simon en de anderen waren goed bezig. Tijdens het roven kreeg ik door een kier van de deur een flinke handvol chocolaatjes toegestoken. Van de spanning propte ik alles in een keer naar binnen en probeerde ik al kauwend alle chocolade weg te malen. Ik beleefde een bijna-dood-ervaring toen ik vlak naast mij ‘Wat doe jij daar!?’ werd toegesnauwd. Van schrik slikte ik alle chocolade in een keer door. De persoonlijke carrière als uitkijk was toen en daar voor altijd gedaan. Hoestend en proestend wist ik te liegen dat ik op weg naar het toilet was.

De leidinggevende, die wij Bagheera noemden, vertelde me dat ik uit koers was en hij wees richting de toiletten. Ik knikte en liep in de richting die zijn vingers aanwezen. Hij liep achter mij aan. Ik wist dat dit de bedoeling was, want zo konden Simon en de anderen ongestoord uit de voorraadkamer terug naar de slaapzaal lopen. Zo bleef het ons geheim. Bij de toiletten vroeg Bagheera aan mij of de chocolade lekker was geweest. Ik keek hem gespeeld niet begrijpend aan. Wederom wees hij met zijn vingers. Mijn ogen volgden de vingers, en in de spiegel die boven de wastafels hing zag ik mijn eigen geschrokken gezicht, met daarin mijn chocoladebruine mond.

Uit 1977

Onderweg naar mijn metrostation haal ik hem op de Henk Sneevlietweg in. Hij is een man van middelbare leeftijd. Het pak dat hij draagt heeft ruim de tand des tijds doorstaan. Zijn jasje zit iets te krap en de broekspijpen zijn iets te wijd. Daarbij is de lange broek te kort. Hoog water. Als een kalenderjaar een persoon kan zijn, dan had het jaar 1977 de man gebeld en aan hem gevraagd het pak te retourneren. Voor een moment slaat mijn fantasie op hol. Ik verzin dat de man wel eens een tijdreiziger kan zijn. Eentje die in het verkeerde jaar, 41 jaar te laat, terecht is gekomen. Bij aankomst van mijn metrostation ben ik de tijdreiziger alweer vergeten.

Op het perron mag ik een paar minuten op de metro wachten. Met lichte verwondering kijk ik naar de zomerse kleding van mijn medereizigers. Of eerder het gebrek er aan. Vanuit het werk loopt men tegenwoordig in de stad rond in strand- of zwemkleding. Ik zie meer door inkt gekleurde huid dan kleurrijk textiel. Noem me ouderwets, maar in korte broek en op teenslippers naar je werk gaan, vind ik persoonlijk niet kunnen. Maar het is 2018 en mijn mening zegt alles over mij, dan dat het iets over de bijna blote mensen in Amsterdam zegt. En dan onthoud ik me van enig commentaar over het gebrek aan lichamelijke verzorging en de geur van de mensen.

Om 16:45 uur brengt de metro ons allen in de wagon naar station Amsterdam-Zuid, waar ik mag overstappen naar de trein die me naar Almere brengt. Het voelt bijna als een geluksdag. De trein rijdt het station binnen wanneer ik via de roltrap het perron op stijg. Een zitplaats is al snel gevonden. Ik neem plaats op een klapstoeltje op het balkon van de trein, en ik app naar huis dat ik er aankom. Andere reizigers lopen door naar een zitplaats in de coupé. Eén reiziger loopt niet door en komt op het stoeltje naast mij zitten. Vanuit een ooghoek herken ik de te korte lange broek. Het is de man uit 1977. Ik kijk hem aan en hij kijkt terug.

‘Wat een heerlijk weer is het toch, vind u niet?’ vraagt hij mij.
‘Nou,’ antwoord ik, en ik hoor mijn vader via mijn mond praten. ‘Deze zomer duurt nu al langer dan de zomer van vorig jaar.’
‘Ja. Dat zei ik vanmorgen precies zo tegen mijn vrouw!’
Het laatste woord komt er een beetje geforceerd uit. Schreeuwerig. Ik schrik er zelfs een beetje van. Denkt hij dat ik hem niet wil geloven? Ik kan niet bedenken waarom hij geen vrouw kan hebben getrouwd. Ik kan even geen antwoord geven en val stil. Ondanks het door mij verzonnen mysterie van het pak uit 1977 heb ik de man niets te vragen, en mijn vader houdt ook zijn mond.

D-Day

Het is me niet duidelijk of het de schoorsteenveger is geweest of dat het een vandaal was die -eerder dit jaar- het nodig vond om op het dak van de garage te gaan staan. Dat er uiteindelijk een scheur en een gat in het garagedak door een manspersoon is ontstaan, is een feit. Een onaangename verrassing waar je nooit op voorbereid bent. Lijkt me ook niet logisch. ‘Vandaag maar eens kijken wie er als laatste een gat in ons garagedak heeft getrapt,’ is een vraag die men niet dagelijks stelt.

Maar ineens is het er dan. Heel aanwezig. Een scheur c.q. gat in het dak. Eerst ben je boos, daarna ontmoedigd en uiteindelijk reken je uit wat een reparatie je gaat kosten. Een gat in je dak is niet zo maar te verhelpen met een stukkie dakbedekking. Wanneer je dan de rekensom hebt gedaan ga je denken aan alle leuke dingen die je met zo’n bedrag kunt doen, en heel even reken je het bedrag terug naar de Nederlandse gulden. Een lichte infarct is het gevolg.

Je troost jezelf met de gedachte dat je blij mag zijn dat je het bedrag voor een reparatie kunt uitgeven, terwijl het duiveltje op de andere schouder je influistert dat je ook een luxe vakantie had kunnen boeken. Het is niet anders. Het dak moet worden hersteld naar originele staat. Je vraagt een paar offertes aan en besluit uiteindelijk voor een aannemer te kiezen die de opdracht mag uitvoeren. Hierna volgt de klus om de garage te ontdoen van inhoud, want een ingrijpende dakreparatie houdt in dat het hele dak er af moet.

Zo ben je op je vrije zaterdag een paar uur druk met het uitruimen van de garage, en ben je verrast van alle troep die je in de loop van jaren hebt verzameld. Gelukkig is het zomer en is het deze maanden ook echt zomers weer geweest, waardoor de troep -weliswaar onder een zeiltje- droog kan blijven staan. De katten in de buurt vinden het allemaal heel interessant, want die lopen constant door onze verzameling. Vooral de tuinkussens worden uitgebreid getest. De kattenharen zijn het bewijs.

Dan is eindelijk die dag aangekomen. D-Day. Dak-dag. De mannen trekken ‘s-ochtends in no-time het dak eraf, om daarna het dak weer op te bouwen. Het is warm deze dag en de stoere mannen ontdoen zich van onnodige kleding waardoor ze met ontbloot, gespierd en getatoeëerd bovenlijf aan het werk zijn. Dit beeld is een buurvrouw van een paar huizen verderop niet ontgaan. Ze komt zeer zomers gekleed aan met ijsjes voor de mannen, om later nogmaals met koude drankjes langs te komen.

De mannen accepteren de koude traktaties. Wanneer de buurvrouw weg is worden er een paar seksistische machograpjes gemaakt. Het is iets waar deze, voor ons onbekende, buurvrouw zeer waarschijnlijk op had gehoopt. Het is duidelijk: de beweging die #metoo heeft losgemaakt is haar helemaal voorbijgegaan. Ondanks de hitte werken de mannen stug door, en aan het einde van de dag is alles gedaan. De buurvrouw kreeg haar aandacht, de mannen de vergoeding voor hun werk en wij zijn trotse eigenaars van een nieuw garagedak.

Kleinhartige Killer

De afgelopen week heeft het niet veel geregend. Dat is helemaal niet zo erg. Dat wordt naast het dagelijks genieten van het droge weer, ‘s-avonds de tuin besproeien. Daar knapt het groen van op. Onze poezen daarentegen vinden dat maar niets. Plaatselijke regenbuien die vanaf de grond spetteren. De katten mekkeren, maar dat gezeur laat me niet weerhouden van achtertuingespetter.

Van de week lag ik in de avond op de bank. Een beetje bankhangen met een opengeslagen boek voor mijn neus, toen Harpo zich bij mij meldde. Hij is een zwarte, uit de kluiten gewassen je-weet-wel-kater, met een aparte vacht die wellicht het meest doet lijken op het stekelige haar van Barbabob. De tuin was gesproeid en Harpo had iets te klagen. Dat mag, ik luister toch niet naar kattengeklaag.

Ik moet bekennen, Harpo is een aparte kat. Als je hem voor het eerst ziet lijkt hij een grote gevaarlijke kater met zijn beschadigde linkeroor. Zeer waarschijnlijk tijdens een gevecht ontstaan. Maar dat maakt hem nog geen stoere kat. Zijn bekje staat altijd wel een beetje open en daarbij kijkt hij altijd een beetje afwezig. Dat er heel soms er een druppel kwijl uit zijn bekje valt, geeft het hem eerder een sukkelig uiterlijk.

Zo zit hij van de week naast mij op de bank. Zijn koppie dicht bij de mijne. Hij kijkt me aan (zo lijkt het) en dan komt er een idioot hoog geklaag uit. Het past totaal niet bij zijn grote postuur. Alsof hij aan het heliumgas heeft gezeten. Zijn gemiauw is te vergelijken met de stemmen van Betty Boop en Mickey Mouse. Dat maakt hem bijzonder. Een stoere kat, maar toch ook weer helemaal niet.

‘Een sukkel eerste klas,’ hoor ik u zeggen? Dat is niet helemaal waar. Misschien in de ogen van de mens, maar vanuit de beleving van een veldmuis is het een monster. Een wreedaard, waar Godzilla nog iets van kan leren. De grootste hobby van Harpo is op muizenjacht gaan. Hij doet het graag, en vaak. Dat kan ook prima met het grote grasveld voor ons huis. Gisteravond vrat hij 2 veldmuizen op. Binnen 15 minuten. Dat is toch best stoer? Mij ziet u het niet doen.

Onaardigheden

Waar ik mijn hele leven altijd heb gedacht dat ik wel een aardig persoon ben, raak ik er de laatste tijd steeds meer van overtuigd dat het waarschijnlijk niet zo is. Ondanks dat ik de laatste jaren glimlachend door het leven ga (van fronzen krijg je rimpels, en ja, ik ben hier te laat mee begonnen) maakt dat niet altijd alle mensen blij. Dat geeft niets. Er zijn veel mensen die mij niet blij maken, maar daar heb ik het wel eens een andere keer over. Ik maak de mensen niet blij. Het zij zo.

Een maand geleden haalde ik dankzij een kort sprintje op station Amsterdam-Zuid nog net de trein naar thuis. De conducteur floot zijn fluit op het moment dat ik de trein in schoot. Zwaar ademend liep ik de coupé in op zoek naar een zitplaats. Er was nog plaats bij een meisje en een oudere vrouw. Ik ging zitten en het meisje keek mij heel teleurgesteld aan. Met een trillend stemmetje zei ze dat ze deze plek, waar ik zat, voor haar zusje en haar vader was.

Met een ‘In de trein hebben we geen gereserveerde plaatsen,’ bleef ik zitten. Het meisje liep weg en de mensen in de coupe keken mij aan. De oudere vrouw schuin tegenover mij mompelde mij het woord flauw toe. ‘Hoezo flauw,’ vroeg ik haar. ‘Ik heb net zo veel recht op een zitplaats als iedereen.’ De vrouw viel in de herhaling, ze mompelde mij hetzelfde woord toe en verschool zich achter haar e-reader. Van het meisje, haar zus en vader heb ik trouwens niets meer vernomen.

Diezelfde week reageerde ik op social media op een tweet met de opmerking dat de term homohuwelijk  inmiddels achterhaald is. Het is een huwelijk, ongeacht wie er trouwt. Ik antwoordde bevestigend met een vergelijking van andere huwelijken die juist niet specifiek benoemd worden. Ik sprak over een gehandicaptenhuwelijk en een moslimhuwelijk, maar ook over een huwelijk waarbij ik, zonder na te denken, het n-woord heb gebruikt. Hierop werd mij door een andere twittergebruiker de titel racist toebedeeld.

Mijn uitleg dat men mijn woorden uit de context haalde, werd juist als de superioriteit van een typisch blanke man gezien. Dat vond ik zelf dan een beetje racistisch, maar enige verdere uitleg van mij kwam gewoon niet goed over. De vrouw was zeer stellig. Ik wilde haar graag overtuigen omdat ik mezelf helemaal niet als racist zie, maar toen er meerdere twitteraars ook tegen mijn ageerden, haakte ik af. Dit was iets dan ik niet kon, en ook niet meer wilde winnen.

Zo blijkt maar weer dat je onbedoeld toch als een onaardig persoon kan worden ervaren. Zo bleek van de week op Amsterdam-Zuid. Vanuit het werk was het weer een uitdaging om mijn verbinding naar Almere te halen. Vanuit de metro moest ik versneld naar perron 1 lopen. Tijdens deze spits was er een mevrouw met een beker koffie in de linker- en een koffer op wieltjes in de rechterhand, die hierdoor de toegang tot de roltrap belemmerde. Licht geïrriteerd glipte ik langs haar.

De mevrouw met koffie en koffer schrok hiervan en tetterde verwijtend dat ik haar aan de kant duwde. Een paar treden hoger hield ik mijn pas in (ik zag dat mijn trein er nog niet was), en zei haar dat er veel dingen zijn die ik niet doe, en het aan de kant duwen van mensen hoort daar zeker bij. ‘Laten we vooral normaal met elkaar omgaan,’ zei ik voordat ik het perron op steeg. Mevrouw met koffie en koffer zocht schetterend bijval van medereizigers, maar mijn aandacht had ze niet meer.

Hierbij biecht ik het dan maar op. Ik ben een onaardig persoon. Ik steel de zitplaats van jonge meisjes in de trein, ik gebruik foute woorden die nu niet meer kunnen en ik geef mensen het idee dat ik hen aan de kant zet. Al deze handelingen waren geen opzet. Ik vind mezelf nog steeds de knul van een toen, die denkt vriendelijk naar anderen te zijn. Ondanks dat ben ben ik toch een zeer onsympathieke man. Juist wanneer ik geen rekening houd met de ervaring van anderen. Het is iets waarmee ik moet leren leven.

Skwiesj

Een paar maanden geleden liep ik samen met een collega vanuit het werk naar metrostation Henk Sneevliet. Het had die dag flink geregend, want onderweg mochten we meerdere regenplassen ontwijken. Halverwege onze wandeling werd mijn aandacht door een vreemd geluid aangetrokken. Een geluid dat ik niet thuis kon brengen.
Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj.
Ik keek mijn collega aan en vroeg: ‘Hoor jij dat ook? Wat is dat?’
Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj.
‘Oh,’ zei hij. ‘Dat zijn mijn schoenen. De hakken onder mijn schoenen zijn versleten en nu komen die luchtcompartimenten in de hakken vrij. Het regenwater maakt dat geluid.’ Het was een duidelijke verklaring en we praatten door over wat er die dag was gebeurd en wat ons de komende dagen stond te verwachten. Op het metrostation stapte mijn collega in de metro richting Sloterdijk en even later vertrok ik met de metro richting Amsterdam-Zuid.

In de trein naar thuis dacht ik nog even aan het ‘Skwiesj-geluid’ en begreep toen, op dat moment, dat ik het geluid lang geleden al eens eerder heb gehoord. Ik heb vroeger vaak genoeg schoenen afgesleten en de kapotte schoenhakken maakten toen hetzelfde geluid.
Skwiesj. Skwiesj.
Vroeger hadden de kinderen in mijn omgeving maar 1 paar schoenen. Sommige kinderen hadden misschien 2 paar schoenen, maar dan was het tweede paar voor de zondag. Zondagse kleren waren vroeger een bekend gegeven. Voor mijn moeder zal het moment dat mijn schoenen versleten waren dan ook de gelegenheid zijn geweest om nieuwe schoenen voor mij te kopen. De nostalgische herinnering aan mijn oude schoenen met een flink maatje kleiner dan nu, waren al vervlogen toen de trein het station van Almere Centrum inreed.

Afgelopen donderdag regende het flink toen ik vanuit het werk naar het metrostation Henk Sneevliet liep. Het kwam nog net niet met bakken naar beneden, maar een paraplu was wel nodig om niet als een verzopen kat thuis te komen. In een flink tempo liep ik door deze regenbui. Totdat ik halverwege een ietwat bekend geluid hoorde.
Skwiesj. Stap. Skwiesj. Stap.
Het duurde een paar stappen voor ik wist wat het geluid met zich meebracht. Ik stopte en keek ontstemd onder mijn schoenen. In de hak van mijn rechterschoen zag ik een klein sneetje. Deze miezerige snee gaf het regenwater toegang tot de luchtkamers van mijn hak, en veroorzaakte het irritante geluid.
Skwiesj. Stap. Skwiesj. Stap.
Met een lichte ergernis liep ik door naar het metrostation.