Windstreken

Het is nog vroeg wanneer ik de deur achter me dichttrek om een hardlooprondje van 12 kilometer te gaan lopen. De wind valt en waait me flink tegen. Even denk ik aan het moment dat ik daarvoor nog even in bed lag en eraan dacht om deze ochtend het hardlopen over te slaan en me om te draaien. Soms ben je blij met je beslissingen en soms twijfel je. Toch ben ik op dat moment ervan overtuigd dat ik de juiste keuze heb gemaakt. Ik activeer mijn hardloop-app en begin met hardlopen.

Ik heb bewust mijn route uitgestippeld, zodat ik de eerste helft van het rondje tegenwind zal hebben. Niet altijd het slimste idee, heeft ervaring mij geleerd. Soms is de wind dusdanig dat de kracht je uit de benen wordt gewaaid en dat je halverwege het hardlooprondje al op de laatste reserves verder moet. Vandaag is het gelukkig niet zo’n dag. Wel ben ik even vergeten dat Staatsbosbeheer in Flevoland het kappen van bomen als hoogste prioriteit heeft uitgeroepen. Bij het Blocq van Kuffeler (het eerste gebouw van Almere) is een stuk schuin oplopend pad waar je op de originele dijk kunt komen, en dankzij Staatsbosbeheer zijn er nu geen bomen, struiken of andere vorm van beschutting te vinden. De ultieme tegenwind is mijn deel.

Ik ben ertoe in staat om een boze brief aan de grootste natuurbeheerder van Nederland te schrijven, maar ik weet daar al dat ik bij thuiskomst dit voornemen allang vergeten te zijn. Boven op de dijk speelt de harde wind met de capuchon van mijn hardloopjack en slaat daarbij flink op mijn hoofd. Ik versnel mijn pas om de dijk snel af te lopen, met de wind mee, richting het Wilgeneiland. Hier is nog voldoende beschutting en de enige wind die je daar voelt, waait je in de rug. Ik loop heerlijk in de luwte en loop een andere hardloper tegemoet. We begroeten elkaar en lopen door. Ieder zijn eigen bestemming.

Wanneer ik voorbij de sluis ben gelopen kom ik in een hondenuitlaat-gebied. Hier parkeren hondeneigenaren de auto en lopen dan vervolgens door alles wat groen is. Waarschijnlijk is een hond van een hondeneigenaar tegen de auto van de auto-eigenaar aangesprongen en van wat ik in die korte tijd kan zien is dat er minimale lakschade kan zijn aan de linkerdeur van de auto. Een kniesoor die erop let, maar de hondeneigenaar had vanmorgen net die kniesoor getroffen. Of ze het met zijn tweeën opgelost hebben zal ik niet weten. Ik heb ook niet kunnen zien of er verzekeringspapieren bij zijn gehaald. Mij gaat het voor de wind.

Een Modderige Weg

Op een dag trokken Tanzan en Ekido over een modderige weg. Er viel nog steeds een zware regen. Na een bocht in de wegkwamen zij een lief meisje tegen dat een zijden kimono met een sjerp droeg en niet in staat was het kruispunt over te steken.

‘Kom maar, meisje,’ zei Tanzan meteen. Hij tilde haar in zijn armen en droeg haar over de modder.

Ekido zei geen woord meer tot de avond, toen zij aankwamen bij een tempel waar zij konden logeren. Toen kon hij zich niet langer inhouden.

‘Wij monniken blijven uit de buurt van vrouwen,’ zei hij tegen Tanzan, ‘vooral als zij jong en aanvallig zijn. Het is gevaarlijk. Waarom deed je dat?’

‘Ik heb dat meisje daar laten staan,’ zei Tanzan. ‘Draag jij haar nog steeds?’

Bemoeizucht

In de tijd van lockdown denk ik vaak aan de momenten dat ik op vakantie ben geweest. Ik heb nu een lichte drang naar trips en excursies, want u weet; wanneer iets niet kan -of erger, niet mag, dan willen we het juist! Dit is zeker zo met het erop uitgaan. Ik ben het afgelopen jaar in mijn hoofd vaker op reis geweest dan Marco Polo in zijn hele leven.

Ik had laatst in mijn hoofd een vakantiemoment, en daarbij mijmerde ik terug naar een moment dat ik buiten op een Grieks eiland even stond te wachten op mijn reisgenoot. Op momenten als deze komt dan ineens, uit het niets, een man naast je staan. Ook een Nederlander. Hij kijkt je indirect aan, maar stelt wel de directe vraag: ‘En, bevalt het hier een beetje?’

En dan herken je hem. Het is de Bemoeial. Toen u laatst in Barcelona in Park Guell de verschillende bouwwerken stond te bewonderen stond hij ineens tussen u en de met mozaïek versierde dubbele trap met salamander, en toen vroeg hij: ‘Kan je het hier een beetje uithouden?’

Er klinkt geen hartelijkheid of belangstelling in zijn vraag. Hij stelt deze op een slepende toon vol leedvermaak. Het is als een formule voor de arrogantie waarmee Nederlanders met elkaar omgaan op buitenlandse vakanties. De formule zal als volgt zijn. B=V x DV. Hierbij staat B voor bemoeial, V staat voor vakantieplek en DV staat voor duur van verblijf. Anders geformuleerd; hoe verder we van huis zijn en hoe langer we daar verblijven, des te onbeschaamder is de verwaandheid waarmee we onze zojuist ter plekke gearriveerde landgenoten aanspreken.

Met zijn uitgestreken gezicht gericht op de makkelijk te herkennen prooi die de witte nieuwkomers zijn, zit de Bemoeial de hele dag te koekeloeren op zijn vaste, beschutte plekje. Of hij paradeert zonder onderbrekingen de hoofdstraat op en neer.

‘Heeft u het een beetje naar uw zin hier?’

Die vraag klinkt dreigend. De aangesprokene krijgt het gevoel dat hij nog in proeftijd de gast is en dat de Bemoeial hem, of haar, van het eiland kan laten zetten. Ontevreden gezichten hier in Zuid-Portugal? Die moeten wij hier niet!

De Bemoeial is van middelbare leeftijd en richt zich uitsluitend op mensen van ongeveer de eigen leeftijd. Tegen jongeren durft hij niet en aan bejaarden valt geen eer te halen.

‘En vermaken we ons hier een beetje?’

‘Tot u dit vroeg uitstekend,’ kunt u het beste antwoorden.

Daar heeft de Bemoeial niet van terug.

‘Mooi zo,’ zegt hij argwanend en dan loopt hij snel verder. Vanmiddag maar weer eens een beetje rondhangen in het drukbezochte supermarktje. Wachten tot zo’n zenuwachtig nieuw Nederlands echtpaar gespannen bij de kleine groenteafdeling naar de beste watermeloen zoekt. Dan schuift hij, zelf zogenaamd naar iets op zoek, snel in beeld en zegt dan hoofdschuddend: ‘U moet hier ergens ander zijn hoor, voor goede watermeloenen.’

Overgelukkig

Het is deze week tien jaar geleden dat ik voor het eerst een paar hardloopschoenen aantrok en heel voorzichtig, met behulp van een app, aan een nieuwe hobby, hardlopen, begon. Het was een hardlooprondje waarbij ik één minuut mocht hardlopen en daarna anderhalve minuut wandelen, om bij te komen. Dit herhaalde zich nog eens zeven keer waardoor ik nog net geen half uur bezig was met hardlopen/wandelen.

De eerste minuut hardlopen vond ik een beproeving en het leek een half uur te duren voordat ik weer kon gaan wandelen. Ik twijfelde aan het idee om hardlopen een leuke bezigheid te vinden. Dat moment wist ik nog niet hoe ik me ging voelen wanneer ik deze eerste sessie succesvol had afgelegd. Ik voelde me zielsblij dat ik negenentwintig minuten sportief bezig was geweest, en daar waarvan ik overgelukkig word, wil ik nog wel eens doordraven.

Ik kon dan -figuurlijk- ook niet wachten tot mijn tweede hardloopsessie, die twee dagen later weer van start ging. Wanneer ik het een en ander teruglees hier op mijn website, ging het niet altijd van een leien dakje. Als snel had ik last van pijn in de scheenbenen, maar toch ben ik blijven hardlopen (schijnbaar) en heeft het een paar weken geduurd tot ik trots kon melden dat ik ernaar uitkeek om twintig minuten achter elkaar te gaan hardlopen.

Na jaren van actief lopen, met hier en daar de verplichte rustmomenten in verband met lichte blessures, weet ik van dingen die ik anders nooit had geweten. Als ik al halverwege mijn eerste hardlooprondje in maart 2011 was gestopt, dan wist ik niet wat een runner’s high is. Daarbij had ik ook niet geweten dat het hardlopen best wat aardig blessures oplevert, en dat je daardoor oplettend wordt over hoe je hardloopt.

Ook wist ik voorheen niet dat hardlopers, net als motorrijders, elkaar groeten bij het passeren (oké, die paar zure mensen daargelaten) en dat niemand je zo bijstaat en aanmoedigt in het hardlopen als een mede-hardloper op sociale media. Ook wanneer je deze nog nooit in het echt hebt ontmoet. Hardlopers zijn vooral leuk en het hardlopen zelf is nog leuker. Ik zeg: Just do it.

A Bird in the Sky

‘Hey Dray! Kom eens hier en maak kennis met de nieuwe buren!’ wordt me toegeroepen. Ik spring uit het raam van de bovenverdieping en roetsj via de regenpijp naar beneden. Daar staan de twee nieuwe buurmannen. Jong en strak in het vel. Wat ze overduidelijk showen door nauwsluitende kleding, die bijna niet aanwezig is. Een buurman draagt alleen een versleten spijkerbroek en schudt me de hand, zijn partner draagt een heel minuscuul broekje en verder niets. Hij knikt naar mij en geeft me een valse sneer. Ik denk nog: Dat is niet vriendelijk bij een eerste ontmoeting.

Wanneer ik even later wakker word moet ik denken aan hoe vreemd dromen zijn. Technisch gezien zijn dromen een opeenvolging van beelden, gedachten, emoties en gevoelens die zich onvrijwillig in de geest voordoen gedurende bepaalde fasen van de slaap (dit zegt Wikipedia). Ik vind het bijzonder dat wanneer dromen daadwerkelijk voortkomen uit onze eigen gedachten, emoties en gevoelens ik in de bovengenoemde droom schuldig ben aan persoonlijke geestelijke foltering door mezelf een valse sneer te geven. Vreemd.

Ik droom vaak opmerkelijk en vreemd. Net als iedereen, denk ik, en ik verwonder mezelf dan door wat mijn brein in die dromen verzint. Ik heb wel gedroomd waarbij ik hartstikke enthousiast ben en dat ik bij het wakker worden opgewonden denk dat ík dit onbewust verzonnen heb. Heel soms kan dat terecht zijn, maar vaak ook heel idioot. Ik zeg maar zoals het is. Ik kan me een droom herinneren waarin ik een wereldhit had gecomponeerd.

Midden in de nacht werd ik wakker en was ik vol van verrukking van mijn idee! Ik heb toen de telefoon van het nachtkastje gepakt en meteen het refrein ingezongen in een dictafoon-app. Ik denk dat ik weer tevreden met een glimlach in slaap ben gevallen. In de loop van de volgende dag was ik de droom vergeten, maar na een week moest ik er weer aan denken en speelde de ingezongen tekst af: ‘You know, and I know it’s a different kind of story. A bird in the sky told me it was a lie.

Een rollercoaster aan emoties kwam er in me los. Ik kromp ineen van afschuw door de zwoele zangstem en ik lachte hardop om de onzin die ik hoorde. De tekst was nergens op gebaseerd en de melodie deed denken aan wat kleine kleuters fantasie-zingen wanneer ze geconcentreerd aan het fröbelen zijn. Geen wereldhit voor mij. Gelukkig kan ik er nog wel over dromen.

Crimineel

Vorig jaar, tijdens de eerste corona-lockdown en in de aanloop naar de tweede, kwam ik er om onduidelijke redenen niet aan toe om boeken te lezen. Als ik iets van tien boeken in ruim acht maanden heb gelezen is het veel. Dit jaar is dat anders; de afgelopen twee maanden heb ik de hoeveelheid in die acht maanden inmiddels ruim overschreden. Ik verslind de boeken, figuurlijk, vanzelfsprekend. Ik lees de literaire thrillers, (auto)biografieën en avonturenverhalen alsof het niks is.

De coming of age*-avonturenverhalen zijn bij mij favoriet en doen me vanzelfsprekend denken aan mijn eigen kinderjaren. Toen ervoer ik iedere zaterdagochtend bij de padvinderij een avontuur. Die waren vanzelfsprekend braaf, zoals je van een scoutingavontuur kunt verwachten. Maar rottigheid heeft -bijna- iedere tiener wel uitgehaald. Ik zou hier liegen wanneer ik beweer de braafste tiener in Den Helder te zijn geweest.

Niet dat ik een hufterig ventje was, meer een beetje een nerd. Ik speelde nog met Playmobil terwijl ik nog geen uur later met andere, wel stoere lui, verveeld buiten op straat stond te roken. We draaiden shagjes, roddelden over anderen en onze ouwelui, en stonden als idioten stom te ginnegappen. Thuis aangekomen haalde je alleen je schouders op wanneer je ouders iets aan je vroegen. Behalve wanneer je iets van ze nodig had. Dan kwamen ze in ons vizier.

Ik kan me een zomer herinneren, waar ik heel even het criminele pad heb bewandeld. Al waren het maar een paar stappen. Het was puur uit verveling dat ik toen met een vijftal andere jongens uit de buurt een snackbar in de brand heb gestoken. Ik moet toegeven dat deze patatzaak, zoals wij het destijds noemde, al enig tijd niet meer in gebruik was en ook hartstikke leeg stond.

Samen met de andere jongens liepen we naar de leegstaande snackbar. Ik heel stoer met de peut in mijn handen, en ik dacht heel slim te zijn door mijn bril niet te dragen. Het denkbeeld dat wanneer iemand getuige van deze daad was, deze in ieder geval niet iemand met een bril op in de groep heeft gezien. Ik denk toen heel slim te zijn geweest. Alsof iedereen Lois Lane is, en niet ziet dat Clark Kent en Superman dezelfde persoon zijn.

De snackbar is uiteindelijk niet compleet afgebrand. We zijn bij het zien van de eerste vlammen meteen in paniek weggerend. Gelukkig was de wereld in die tijd nog niet zo digitaal als nu en zijn er geen camerabeelden van deze criminele daad. Nadien stonden we weer verveeld achteraf of in steegjes onze shagjes te roken. We hebben het met de groep ooit een keer tegen een paar meiden uit onze buurt verteld, maar die geloofden ons niet. En dat was prima. Wellicht waren we bang om alsnog door de politie opgepakt te worden.

*meerderjarig worden

Dagboekfragmenten

Eens om de zoveel tijd houd ik een geschreven dagboek bij. Het gaat meestal in vlagen dat ik mijn dagelijkse blijmoedigheid en sores bijhoud, maar vaak worden deze halfvol geschreven boekjes ook na een verloop van tijd weggegooid. Ik vind het vaak tenenkrommend wanneer ik teruglees dat ik me enorm heb verheugd op een bedenkelijke situatie, of wanneer ik me druk maak om zaken waarvan ik later denk: waarom die verspilde energie? En toch ben ik vorige maand weer begonnen met het opschrijven van de dagelijkse, beuzelachtige hersenspinsels. Misschien is het een idee om de persoonlijke fragmenten met enige eigen afstand te leren terug te lezen. Zo vond ik toevallig van de week (na dagen van zoeken) een kwart volgeschreven boekje met dagboekfragmenten uit het najaar van 2017, en kwam ik op de pagina van maandag 30 oktober 2017.

Een publiek geheim is nu open: Kevin Spacey is homoseksueel. Niet dat dit zo bijzonder is, maar de reden van zijn openheid is bedenkelijk. Op zesentwintige leeftijd heeft hij (iets meer dan) avances gemaakt naar de (toen) veertienjarige Anthony Rapp. Deze is er nu mee naar buitengekomen en meneer Spacey komt vandaag met een officiële verklaring dat hij zich ‘het incident’ niet kan herinneren (wel dat hij destijds dronken was – vreemd!), en dat het hem spijt. Daarbij volgt de verklaring dat hij nu het homoseksuele leven heeft geaccepteerd en omarmt. Jezus! Spacey denkt te veel als het fictieve karakter Frank Underwood, dat hij speelt in House of Cards. Hij denkt overal mee weg te kunnen komen. Als homoseksueel ben ik hier best verontwaardigd over, want homoseksualiteit heeft niets met ongevraagde seks met tieners te maken. Kinderen vind ik leuk: op gepaste afstand! Ik vind het walgelijk om kindermisbruik te verzwakken door de aandacht naar je coming out te leggen. Veel mensen die niet logisch kunnen denken (en dat zijn er veel!!), zijn nu overtuigd dat iedere gay ook van kids houdt. Dankjewel Kevin Spacey. Not.

Hayo’s Logboek, deel 3.

Nadat we de barones van onze komst verwittigd hadden, begonnen we volgens de regelen der kunst het kamp in te richten; de tenten werden opgezet, afvalput werd gegraven en er werd door Mans een ‘solide’ aanlegsteiger voor de cano in de Wetering geslagen. Van de tuinman kregen we de nodige stromatten, die onder de tenten werden gelegd (daar is ‘Epeda’ niks bij).

Het grote voordeel van de kampplaats was, dat de westzijde, de regen en windhoek, geheel beschut was door een bos met zware bomen. Aan de Noordzij was een prikkeldraadversperring die dwars door de hele tuin liep (de ‘Tjebbelinie’). De rest van het weidje werd begrensd door een snelstromende Wetering die op de Loosdrechtseplassen uitkwam. Brood, melk en water moest bij de ‘directrice van de huishouding’ in de keuken gehaald worden, maar dat was eerde een voordeel dan een bezwaar, want de weg erheen liep onder de schaduwrijke pruimen en appelbomen door, waar nogal eens gerust werd.

Overdag maakten we tochten naar de Loosdrechtseplassen, doorkruisten de trekvaarten met de aardige zomerhuisjes, peddelden de Kalverstraat op en af, zeilden en zwommen op de plas. Op de plassen konden we ons watersporthart ten volle ophalen. We kregen geen genoeg van het boeien ‘de Hollandse landschap met de ontelbare BM’ers, tjotters, tjalken, regenbogen, valken, jollen en al wat niet meer voor sierlijke boten, die scherp aan de wind over de plassen scheerden.

Met de cano voeren we meer peddelend dan zeilend tussen de grote boten door, wier schippers met hun vaak meer dan 21m² zeil aan de mast, minachtend keken naar de onderbroek van tweeënhalf die wij eraan hadden hangen. Jammer dat de laatste dag toen we juist trots bezig waren een twaalf voet jol in te halen het zeil met mast en al overboord sloeg, als bewijs dat een cano geen zeilboot is.

Het koken in ons vaste kamp ging uitstekend. Om de andere dag hadden we corvee. De menu’s waren zeer uitgebreid; de eerste dag sla, de tweede dag sla, enz. met er tussendoor nog rijst met kerry en boontjes met Duitse biefstuk waarvan Johan ons veel voorgespiegeld had, maar toen ze op tafel kwam, het midden hield tussen fijngehakt teertouw en gebraden brandhout. Bijna elke dag aten we mata sapi’s (spiegeleieren).

’s-Morgens werden de inkopen in Maarssen of in Breukelen gedaan waarbij vooral de fiets van Johan dienstdeed. Met de gebruiksaanwijzing; twintig minuten fietsen, vijf minuten banden pompen. In de avond maakten we wandelingen langs de prachtige Vecht. Na afloop dronken we cacao en kropen dan in de slaapzak. Alles bij elkaar hadden we daar het heerlijkste kampleventje dat je je maar denken kan, maar dan alle vreugde komt een eind, en dinsdag 22 augustus werd Johan opgebeld; direct naar huis komen en examen doen. Ook wij bleven niet veel langer, de volgende dag hielden we een afscheidsbezoek bij de baron (waar de barones klaagde dat er zo weinig pruimen waren dit jaar, hoe bestaat het!).

Donderdagochtend braken we ons kamp op en voeren de Wetering uit tot de sluis waar we ons in de Vecht lieten schutten. De sluiswachter verklaarde ons te behoren tot de klasse luxe vaartuigen van meer dan één ton met meer dan één verplaatsbare zitplaats, en dus moesten we tien cent betalen. Om één uur waren we bij de Weerdsluis in Utrecht waar we tot twee uur moesten wachten eer we geschut werden. Na een dwaaltocht door de Utrechtse grachten waar we het onder andere aan de stok kregen met een familie zwanen, waarvan de huisvrouw ons hevig blazend en sissend te lijf wilde gaan omdat ze dacht dat wij haar jongen gingen ontvoeren, arriveerden we in de Kromme Rijn. De rivier die vooral bij Utrecht geweldig kronkelt, is erg smal en ondiep (bijna overal is de bodem te zien) en heeft een zwakke stroming naar Utrecht toe. Twee keer werden we gratis geschut. Het was jammer dat het bijna

… hier eindigt het vakantielogboek van de zeventienjarige Hayo, met zijn belevenissen in het Nederland van augustus 1940. Als volwassen man zal hij later veel reizen maken en nog veel meer van de wereld zien wanneer hij Kapitein ter Koopvaardij is.

Hayo’s Logboek, deel 2.

Toen we wakker werden, de volgende morgen was het eerste wat we hoorden, het eentonige getik van de regen op het tentdak. We staken ons hoofd eens buiten de tent; erg hoopvol zag het er niet uit; een gestadig motregentje daalde uit de grauwe hemel, echter in het Westen begon het iets op te klaren, zodat we, na het ontbijt met een bord havermout, de kampplaats opbraken en koers zetten naar Rhenen. Toen we daar aankwamen was de regen opgehouden en hing er alleen nog maar een zware mist, die naarmate we Wijk bij Duurstede naderden het veld ruimde voor de zon, zodat de regenjassen en zeiltjes snel opgeborgen konden worden. Reeds voor twaalf uur zagen we het oude Dorestad liggen, dat volgens de angstwekkende verhalen van ons geschiedenisboekje tientalle keren door de Vikings is verwoest. We besloten echter het voorbeeld van onze stambroeders niet te volgen en op een meer nette manier inkopen te doen, wat ook gelukte.

Nauwelijks waren we echter op de Lek, op weg naar Vreeswijk dat ongeveer vijfentwintig kilometer verder ligt, of het begon wat de schippers noemen, rauw weer te worden. De wind, die nu uit het zuidwesten kwam, stuurde met onvermoeibare kracht tegen de stroom in. De rivier begon hoger te lopen en hier en daar vertoonden zich reeds venijnige schuimkoppen. Menig schipper die nauwelijks de kop van zijn zwaarstampende vrachtboot boven water kon houden zal hoofdschuddend naar ons kleine, ranke bootje hebben gekeken, maar op de Waal hadden we geleerd om ook bij slecht weer op de boot te vertrouwen, al viel het in het begin niet mee om de korte hevige golfslag de kop van de boot tegen de golven in te houden.

Van de stroom merkten we vrijwel niets meer; voor de afstand tussen twee kilometer raaien hadden we bijna het dubbele nodig als op de Rijn. Na bijna zes uur tegenwind en golven geworsteld te hebben kwamen de reusachtige sluisdeuren van Vreeswijk in het zicht, waar we de tijd kregen om weer op ons verhaal te komen.

We maakten de cano vast aan een tjalk, die gereed lag om de sluis in te varen. We praaiden achtereenvolgens de melkboer, de bakker en de groenteboer, van welke laatste we voor een paar centen een flinke portie pruimen overlaadden. Nadat we ongeveer een half uur gewacht hadden, waren we aan de beurt om geschut te worden; de grote sluisdeuren werden hoog gehezen en wij voeren als de laatste boot met de tjalk de sluiskolk in, hetgeen wel zo veilig was omdat we dan minder kans liepen om gekraakt te worden. Nauwelijks lagen we stil of de sluisdeur zakte, en het water in de sluis begon snel te dalen en de voorste sluisdeur werd omhooggehaald. Zo snel we konden maakten wij de cano vast aan een rijnaak, die met een flink gangetje koers zette naar Utrecht. De sleepboot die de aak trok begon steeds harder te varen, zodat we reeds om negen uur bij Utrecht waren. Hier gooiden we los, om aan wal ons kamp op te slaan. De volgende morgen waren we reeds vroeg uit de slaapzak. De tent werd afgebroken en de cano werd gepakt voor het laatste gedeelte door het Merwedekanaal en over de Vecht. Reeds om twaalf uur meerden we de cano voor de Ganzenhoeve …  

Hayo’s Logboek, deel 1.

Het is in het voorjaar van 1940 wanneer de zeventienjarige Hayo, samen met zijn vrienden het plan heeft om op vakantie te gaan. De reisroute zal hen van Nijmegen, via Arnhem naar Utrecht, en weer terug naar Nijmegen brengen. Hieronder lees je het reisverslag dat Hayo zo’n tachtig jaar geleden, in een logboek met tekst, foto’s en tekeningen heeft bijgehouden.

INLEIDING

Het plan om te gaan kamperen stuitte ook bij ons op de gebruikelijke tegenkanting. Thuis kregen ze angstige visioenen van zoons die ‘s-nachts op een koude natte grond lagen en geen nachtrust meer kregen; en die er weldra uitzagen als rovers met ongewassen gezichten en haardossen die sterk herinnerden aan de tijd dat de kam nog niet uitgevonden was. Daar kwam nog bij het aangebrande eten waar ze de dag mee door moesten brengen.

Maar toch bleven we sparen en werkten we aan onze uitrusting die, vooral na de, door de moeder van Mans prachtig in elkaar gezette tent, na iedere verjaardag en St. Nicolaas uitgebreid werd met pannen, primus, grondzeil, rugzak, enzovoort. Eindelijk tegen het voorjaar 1940 hadden we vrijwel alles bij elkaar en tevens een voorlopige toestemming. Echter toen kwam de 10e mei…*

Nieuwe moeilijkheden met de distributie van brood, boter, vet en petroleum. Doch reeds tien dagen na de inval hielden we onze ZaZo, om de nodige ervaring te krijgen. Met de toestemming op de ‘Ganzehoeve’, een landgoed aan de Vecht te mogen kamperen, werden de laatste bezwaren uit de weg geruimd. We besloten een trektocht met een vaartkamp te combineren. Twee gingen met de cano en namen de ‘trekpot’ mee, terwijl de derde op de fiets de rest van de uitvoering vervoerde. Zo begon op 13 augustus de lang verbeide tocht. “              

*De Duitse aanval op Nederland in 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog.

REISBESCHRIJVING

Eindelijk na een hartroerend afscheid stapten we dinsdagsmorgens de deur uit, op weg naar de cano, die we voor het gemak de vorige dag maar naar ‘t Meertje hadden gevaren. We begonnen met de tent, kampeerdekens, pannen, primus en dergelijke in de boot te stouwen, wat een erg nauwkeurig werkje is, maar waarin we door schade en schande wijs geworden waren. Ondanks onze goede voornemens om vroeg te vertrekken, was het toch al met al over tienen toen de tros, in dit geval de scheerlijn, werd los gesmeten en we ’t Meertje uitstroomden, de avonturen tegemoet…

Het eerste stuk tot Pannerden was niet het gemakkelijkst, aangezien we tegen de stroming in moesten en eerlijk gezegd hadden we in stilte gehoopt op een fijn sleepje dat ons gratis en voor niks in de Rijn zou brengen. Helaas het mocht niet zo wezen, hoe we de Waal ook aftuurden geen roeiboot, laat staan een sleep, waagde het om deze morgen naar boven te varen, zodat we maar eens extra hard aan de peddels trokken en welgemoed de tocht naar de Kop van Pannerden begonnen.

Het was vrij hoog water waardoor de meeste kribben gedeeltelijk onder water stonden. Toch werden ze stuk voor stuk genomen, uitgezonderd de drie waar we bovenop liepen, tot groot ongenoegen van de voorste man, aangezien zijn tenen bij het afduwen nat werden. Ondanks alles bereikten we in een uitstekende stemming de Kop. Nauwelijks waren we de Rijn opgedraaid en kregen we een stroompje van vier à vijf kilometer mee, of we zagen kans om het roeibootje van een vrij snel varende vrachtboot te charteren. Met snelle vaart ging het op Arnhem af, echter bij Westervoort waarschuwde de schipper ons dat hij de IJssel op ging en dus stapten we vlug in de cano en verlieten het schip dat de IJssel opdraaide. Op eigen kracht ging het nu verder. Het weer was prachtig en in de verte zagen we Arnhem reeds liggen, dat we om een uur of twee passeerden. Met een snelheid van negen à tien kilometer ging het nu stroomaf. Aan stuurboord lagen de heuvels van de Veluwe met de Westerbouwing en de Duno, terwijl we aan bakboord de groene weiden, de boerderijen en de steenfabrieken van de Betuwe zagen. Na Wageningen gepasseerd te zijn, begonnen we, daar het tegen zessen liep, naar een geschikte kampplaats uit te kijken. Na enige moeite vonden we ter hoogte van het Opheusdens veer een aardig oppertje, waar we snel de tent opsloegen en de primus aanstaken voor de Nassi Goreng, die we kant en klaar van huis hadden meegekregen.

Na het eten maakten we een verkenningstocht in de omgeving, het bleek dat we een schitterend plekje hadden gevonden. Achter de zomersdijk een rustig kolkje, temidden der groene weiden. In de verte tekende zich de Grebbeberg donker af tegen de paarsrode avondlucht. Slechts het schorre kwaken van de kikker in de plas verstoorde de avondstilte. Het was weer een van die onvergetelijke avonden, zoals je ze alleen aan de rivier kunt beleven. Toen het donker begon te worden kropen we in de slaapzak en waren we snel onderzeil…

Een Ogenblik

Ik sta onder de douche en het raam van de badkamer staat open. Buiten heerst een koude februariochtend, maar binnen, onder de warme waterstraal, merk ik niet veel van de Siberische temperaturen. Ondanks dat het badkamerraam zich aan de westzijde van het huis bevindt, in de luwte van de oostenwind, likt de vorst heel af en toe met een vrieskoude tong licht over mijn schouders. Het voelt iedere keer als door een kogel getroffen, en ik verplaats mijn geraakte schouders onder de warme waterstraal.

Ik denk aan wat me deze dag te wachten staat (thuiswerken) en ik peins nog even over wat ik eerder op de radio in het nieuws hoorde. De politieke discussie over de mogelijkheid van schaatswedstrijden op natuurijs. Er wordt maandenlang diverse instanties verplicht de deuren te sluiten om coronabesmettingen te voorkomen en vandaag is er ruimte voor een discussie over schaatswedstrijden. In winterse temperaturen, waarbij het coronavirus het meest besmettelijk is. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Ik merk enige irritatie.

Het is de zeep. Deze prikt in mijn ogen. Waarschijnlijk heb ik ze toch heel even geopend toen de koude zucht over me heen vloog. Snel breng ik mijn gezicht in de waterstraal en open mijn ogen. Hopelijk spoel ik mijn contactlenzen niet uit, denk ik, en knipper met mijn ogen terwijl ik weer naar beneden kijk. De zeep stroomt op het water langs mijn voeten naar het afvoerputje. Ik spoel al het zeep van me af, sta nog even te genieten van de warme waterstraal op mijn hoofd en draai dan toch de thermostaatkraan dicht.

Ik sluit het badkamerraampje. Ik heb geen zin om me in de ijskoude tocht te staan afdrogen. Wanneer alles aan mijn lijf naar tevredenheid is afgedroogd haal ik overtollige nattigheid met een trekker van de badkamertegels en het douchescherm. De schermen vouw ik terug tot één paneel. De badkamerspiegel is licht beslagen en dat vind ik oké. Het is een oude man die ik tegenwoordig in de spiegel zie. Ouder dan de geest. Dankzij de condens, die als een filter werkt, ben ik tevreden met mezelf en knipoog ik naar de man in de spiegel. Hij knipoogt lachend terug.

Winterstop

Nederland is in rep en roer. De lock-down en avondklok ten spijt is bijna iedere Nederlander ineens in de ban van de winter. Oerkreten en mededelingen als ‘Sneeuw- en ijspret wordt ons deel!’ zijn niet van de lucht. Daarnaast zijn er de -in mijn ogen- overdreven voorbereidingen. Oproepen om vooral op tijd boodschappen in huis te halen, treinverkeer dat aangepast wordt, en hoewel het momenteel nog grauw en druilerig weer is, zit men ongeduldig te wachten tot de strenge vorstperiode aanbreekt. Misschien ook wel dat het juist door de lock-down en andere corona-restricties komt, maar alle aandacht is vooral gericht op het komende winterweer en die paar centimeter sneeuw.

Ik heb niet zoveel met de koude temperaturen en wat deze met zich meebrengen. Ik zeg altijd dat het woord nee niet voor niets in het woord sneeuw zit. Het is niet dat ik mij in huis opsluit voor een paar centimeter sneeuw, maar mij zal je niet zo snel buiten vinden wanneer het kwik van de thermometer onder de nul °C graden zakt. Zeker niet wanneer er tijdens de weervoorspelling over een ‘sneeuwstorm’ wordt gesproken. Ik haak af. Toegegeven; een hardlooprondje door de sneeuw heeft wel iets, bovendien ren ik ook zonder tegenzin door miezerige regenbuien. Mijn leven is gewoon aangenaam met de hardloopschoenen aan.

Na vandaag zal ik toch niet zo snel naar buiten gaan voor een hardlooprondje. Dit om reden dat ik de afgelopen weken, tot aan gistermiddag, op de normale manier mijn hardloopronden ben blijven lopen en daarmee is die blessure in mijn voet niet minder geworden. De pijn is nu zelfs intens, in plaats van andersom. Ik ben eigenwijs. Laat ik dat eens veranderen in wijs, ik heb er inmiddels de juiste leeftijd voor. Dus voorlopig even geen hardloopmomenten zolang er sneeuw ligt, hoezeer me dat ook tegenstaat. Gelukkig heb ik nog een paar boeken om deze vorstperiode te doorkomen.

Simon & Bart

Bart Dijkstra was in de vierde klas van de lagere school Simon’s vriend, ofschoon ze weinig gemeen hadden want Bart behoorde tot de vechters en Simon tot de rustige scholieren. Bart noemde hem altijd ‘slome’, en toch hadden ze een band. In de gymnastiekzaal moest Simon eens in de ringen een opdracht uitvoeren. Daar hij een zeer slechte gymnast was, mislukte het. Hij kwam ondersteboven te hangen, met één knie in een ring. Alle jongens lachten en de gymnastiekmeester ook. Maar Bart stond op, liep ernstig door de zaal en tilde Simon uit de ringen. Sindsdien was Bart dus Simon’s vriend.

Op zaterdagmiddag kwam Simon dan ook vrij geregeld bij Bart thuis. Hij had een voos dikke, altijd op jammerende toon sprekende moeder en verscheidene broertjes en zusjes. De familie woonde in een groot, oud huis met een achtertuin zonder planten of bloemen. Er lag alleen grind. Op de buitendeur stond ‘B.J. Dijkstra, beëdigd makelaar’. Toen Simon er de eerste keer, op een stralende zomermiddag aanbelde, deed de vader van Bart open. Hij was een zeer grote, atletische man, van top tot teen in het zwart gekleed en hij keek op Simon neer met een voorbarige verachting.

‘Wat mot je?’ vroeg hij.
‘Ik ben een vriend van Bart, meneer,’ zei Simon. Hij maakte een onduidelijk keelgeluid dat leek op het woordje ‘kom’, keerde hem de rug toe en liep het huis in.
Simon volgde hem op eerbiedige afstand. Bij de keuken gekomen, pakte hij twee pannedeksels, duwde ze hem in de handen en zei: ‘Ga maar naar de tuin, daar zijn ze.’ Hij sprak langzaam, hees en gevaarlijk. Simon liep de gang door en kwam in de tuin. De kleine kinderen waren daar bezig met pannedeksels in verschillende formaten een hevige herrie te maken. Alleen Bart had een echt instrument, zo’n kleine, zeshoekige trekharmonika, die in het circus wel eens door een clown wordt bespeeld. Maar hij kon er niks van. Hij trok het ding alleen maar uit en in, waardoor het een zeurderig geluid maakte. Terwijl Simon onthutst naar het luidruchtig schouwspel keek, hoorde hij roepen: ‘Hé, jij daar. Je moet óók slaan met die deksels.’
Het was de heer Dijkstra. Hij stond, groot en dreigend, op het plat van de eerste etage naar hen te kijken. Simon ramde de deksels meteen tegen elkaar. Pas toen hij naar binnen was gegaan vroeg hij aan Bart: ‘Waarom doen we dit?’

‘Het moet van m’n vader,’ antwoordde Bart, een beetje verlegen voor zijn stoere doen, ‘als ’t mooi weer is, tenminste. Want dan hebben zij daar de ramen open.’
Met de harmonika in zijn handen wees hij even naar een groot, aangrenzend gebouw. Het was een ziekenverpleging, waar oude, uitgeputte mensen in kamerjassen zaten bij open vensters, die echter al spoedig, één voor één door nijdig kijkende nonnen werden gesloten.
‘Mijn vader wil dat ze ons huis kopen voor hun uitbreiding,’ zei Bart, weer aan de harmonika trekkend. En hij legde Simon uit dat de georganiseerde herrie ten doel had de verkoop te bespoedigen. Het was een hard middel, maar het bleek doeltreffend. Toen ze in de vijfde klas zaten vertelde Bart aan Simon dat ze gingen verhuizen naar een moderne woning aan de rand van de stad. ‘Vader is blij,’ zei hij. ‘Ze hebben veel geld betaald.’
Simon kon zich niet voorstellen hoe vader Dijkstra er blij uit zou zien.

Toen Simon een volgende zaterdagmiddag aanbelde, werd de deur opengetrokken met een touw. De heer Dijkstra riep uit de verte: ‘Ben jij dat, Bart?’ maar hij schreeuwde terug dat het Simon was.
‘O, kom dan maar boven,’ hoorde hij daarna. Simon ging de trap op. In de kamers op de eerste etage stonden de grauw-groene kisten van de verhuizer al gepakt en kon je aan de plekken op het behang zien waar de schilderijen hadden gehangen. De heer Dijkstra bevond zich op het plat, met zijn jas aan en zijn sneehoed op, zwart weer, want hij had een voorkeur voor die kleur.
‘Bart is naar het nieuwe huis,’ zei hij. ‘Maar ik heb iets voor je.’
Terwijl Simon op het plat stond, ging hij het huis binnen. Even later riep hij: ‘Vang,’ en wierp hem de trekharmonika toe, die in de lucht een tjengelend geluid maakte.
‘Dat rotding hebben we in het nieuwe huis niet meer nodig,’ zei hij grimmig. Op dat moment kwam de oude poes Annet het plat oplopen, voorzichtig en sukkelachtig. De heer Dijkstra keek naar Annet en riep: ‘Jou wil ik daar óók niet meer zien, mormel.’
Hij greep het beest bij de achterpoten en sloeg het met zó’n enorme kracht tegen de blinde muur dat de schedel werd verbrijzeld. Daarop wierp hij het oude lichaam met een boog over de schutting in de tuin van het ziekenhuis. Met de harmonika lang afhangend in zijn rechterhand, staarde Simon verstard van ontzetting naar het kleine bloedvlekje op de blinde muur.

Licht aangepast uit ‘Vroeger kon je lachen’ – Simon Carmiggelt

Een Halfje

Ondanks een lichte, maar herstellende blessure in mijn voet speelde ik van de week met de gedachte om nog deze maand een halve marathon te lopen. Waarom ik die drang had om ruim eenentwintig kilometer te gaan lopen, is me onduidelijk. Ik heb nooit last van de drang om aan te geven dat ik nog wel in staat ben tot iets. Soit. Ik wilde het gewoon graag, en aangezien dit de laatste week van januari 2021 is, moest de afstand nog dit weekend gelopen worden. Via de site van afstandmeten.nl had ik een aardige route uitgestippeld, die me richting het zuiden van de gemeente Almere, tot aan het Kathedralenbos liet lopen, en weer terug.

Vanmorgen was het zover. Ik was al wakker voordat de wekker mij om zeven uur moest wekken en dacht nog even of het wel slim was om een halve marathon te lopen. Ik had er niet voor getraind en voor mijn innerlijke rust moet ik recent een rondje met een lengte die in de buurt van eenentwintig kilometer hebben gelopen. Dit was nog niet gebeurd. Een twaalftal kilometers was wat het meest dicht in de buurt van een halve marathon kwam. Met de gedachte dat wanneer ik niet meer kon hardlopen, ik de rest van de kilometers wel kon wandelen, besloot ik vanmorgen toch de uitgestippelde route te gaan doen.

Om kwart over zeven sloot ik de voordeur achter me en begon met hardlopen. Het was nog donker dus de hardloopverlichting was om beide bovenarmen geschoven. Zo was ik toch op de donkere plaatsen zichtbaar voor die paar mensen die op dit tijdstip al op zijn. Ik besloot rustig aan te doen, ik had tenslotte nog voldoende afstand te gaan. De eerste kilometers brachten me langs en door Stedenwijk van Almere, via het Weerwater naar Almere-Haven. De stevige, koude oostenwind gaf me voldoende uitdaging om na 10 kilometer een strak tempo aan te houden. De hardloop-app gaf me bij iedere gelopen kilometer door dat ik er gemiddeld 05:04 minuten overdeed.

Na twaalf kilometer te hebben gelopen kwam ik in de buurt van het Kathedralenbos. Dit was het meest zuidelijke dat ik in de gemeente Almere heb hardgelopen. Tijd om weer richting huis te lopen. Door het Overvaartbos en langs de golfclub begonnen de pijntjes zich hier en daar te melden. Een zeurderig gekweel van mijn onderrug en natuurlijk de blessure in mijn voet. Bij zeventien kilometer kwam ik bij de Tuibrug over de Hoge Vaart en was ik weer op bekend gebied. In een stabiel tempo liep ik door richting het kasteel van Almere. Nog een paar kilometer te gaan en dan kon ik in een rustig wandeltempo naar huis lopen. Maar dat geldt niet wanneer je in Almere hardloopt.

Zoals gebruikelijk zijn er altijd werkzaamheden en/of projecten in Almere gaande. Er gaat hier geen dag voorbij of er is een straat, weg of pad dat openligt. Omleidingen behoren hier in de gemeente tot een gebod. Zo ook deze zaterdagochtend. Hier is het normaal dat een tweetal bruggen over de Lange Wetering afgesloten en verwijderd zijn. Bij negentien kilometer zag ik dat de Fongersbrug was afgesloten. Niets vind ik zo ontmoedigend om terug te lopen tijdens het hardlopen. Teleurgesteld liep ik terug om langs de Waterlandseweg rechtstreeks naar huis te hardlopen. Ik had geen zin meer om door een stukje bos of langs een kasteel te racen.

Na tweeëntwintig kilometer, bij de Perenboomweg in Parkwijk vond ik dat ik klaar was met het hardlooprondje en besloot de laatste kilometer naar huis te wandelen. Een bruine retriever liep onverschillig voorbij en de eigenaresse vroeg me belangstellend of ik een mooie tijd had gelopen. Dit moest ik bevestigen, want gemiddeld had ik die 05:04 minuten per kilometer aangehouden. Ze knikte tevreden en vertelde me dat het er mooi weer voor was. Ik kon dit niet ontkennen en met een brede grijns liep ik verder naar huis.

Irritant

Licht geïrriteerd leest Barend de korte conversatie in de whatsappgroep van zijn collega’s. Het is hem niet onbekend dat hij door anderen soms als een boze blanke vijftiger wordt gezien, want door deze discussie is hij nu goed uit zijn humeur. Het haalt hem uit zijn concentratie en het gaat ook nergens over. Het is één van de redenen waarom hij de whatsappgroep dagelijks op ‘mute’ zet.

Collega I: ‘Mijn laptop loopt vast, ik kan nergens op drukken, want dan hoor ik zo’n geluid dat het niet kan. Ik neem even contact op met ie-tee, dus ik ben even afwezig.’
Collega II: ‘bloeingg?’
Collega I: ‘Zoiets, ja.’
Collega II: ‘Of beep? Bloeingg is irritant, ja.’
Collega I: ‘Nee, het was meer bloeingg.’
Collega II: ‘Dacht ik al.’

Barend kijkt van het scherm van zijn mobiel en werpt het op zijn bureau. Stelletje idioten, denkt hij en gaat door met zijn eigen werkzaamheden. De tijd van dat hij nog een brugklasser was, is voor Barend lang geleden. Het is zelfs zo lang geleden, dat de mensen die in dat jaar zijn geboren, nu inmiddels opa of oma kunnen zijn. Dat is heel erg lang geleden. Barend irriteert zich niet zozeer aan het gesprek van de collega’s, maar hij ergert zich er lichtelijk aan dat dit in een groepsapp gedeeld moet worden, en niet in een één-op-één-chat. Hij prijs zich gelukkig dat er niet andere collega’s meedoen aan het gesprek. Er zitten zo ongeveer vijfentwintig collega’s in deze groep.

Collega III: ‘Chiming sound is dat, geloof ik.’
Collega II: ‘Haha, inderdaad.’