De Dame in het Groen

Het is dinsdagmiddag en vandaag zie ik haar weer. De dame in het groen. Ik denk dat dit de derde keer is dat ik haar in de metro richting station Amsterdam-Zuid zie. De vorige keer was een paar maanden geleden. De dame is totaal niet aantrekkelijk. Eerder monsterlijk. Ze heeft een vale huid met ongezonde vlekken en het hoofd met een bos haar tot op haar schouders. Het is een dikke pluizige bos met een ongekamde pony, welke rust op haar voorhoofd. Toch raak ik gefascineerd. Het is de treurige, starend blik in haar ogen. Ze kijkt constant leeg naar buiten. De dame doet me aandoenlijk aan. Afschuw  maakt plaats voor medelijden. Ik kijk naar haar grauwe gezicht en vraag me af wat een mens moet meemaken om op zo’n manier de wereld in te staren.

De dame in groen lijkt zichzelf onzichtbaar te maken voor anderen. Ze straalt geen vrolijkheid uit. Ze straalt helemaal niet. Dit schijnt te werken, want niemand valt haar op. Haar outfit, waarin ik haar na 3 keer kan uittekenen, helpt daar prima bij. Ze draagt een olijfgroen jasje. Ook het afwijkend gekleurde knoopje op haar jas valt de anderen niet op. Het knoopje steekt met een kinderlijke appelgroene kleur af tegen de andere olijfkleurige knoopjes op een rij. Waarschijnlijk heeft ze geen reserveknoop kunnen vinden en heeft uiteindelijk dit gifgroene exemplaar op haar jas genaaid. Het lijkt haar allemaal niets te schelen. De anderen om haar heen al evenmin.

Ik probeer te bedenken wat de reden van deze troosteloze, maar intrigerende blik in haar ogen is. Is ze als kind gepest? Mishandeld? Je hoort tegenwoordig zoveel nare dingen die mensen overkomen. Een verhaal als die van de Oostenrijkse Natascha Kampusch, die 8 jaar lang door Wolfgang Přiklopil werd vastgehouden. Of de geschiedenis van Elisabeth Fritzl, ook uit Oostenrijk, die 24 jaar lang in de kelder van haar ouderlijk huis gevangen werd gehouden, en zeven keer zwanger was van haar eigen vader. Dit zijn afschuwelijke berichten die naar buiten komen. Het kan niet anders dat vandaag de dag kinderen, en ook volwassenen, die gevangen worden gehouden door monsters. Vreemden. Bekenden.

De metro neemt in vaart af. De lange rij wagons stopt bij metrostation Amstelveenseweg. De dame in groen blijft zitten. Dat wist ik al. De volgende halte is haar eindpunt. Dat was ook de vorige keer, en de keer daarvoor. Na een korte rit van enkele minuten stap ik samen met haar en tientalle andere reizigers uit op Amsterdam-Zuid. Een kort moment wil ik haar achtervolgen. De trap af en dan zien waar ze naartoe gaat. Om te weten of ze door iemand wordt opgehaald of dat ze alleen woont. Wanneer ze onderaan de trap rechts afslaat, besluit ik toch de andere kant op te lopen. Haar nalopen is een slecht idee. Ik krijg er nare beelden van. Creepy! Misschien is ze het type mens zonder diepgang. Die mensen zijn er ook.

Sandaaltjes

De mevrouw in een zomerse jurk, met de zonnebril op het opgestoken zwarte haar en sandaaltjes aan haar voeten, heeft haast op het station Almere Centrum. Het geklepper van haar schoeisel klinken luid over het perron. De aanhoudende warmte van de dag zorgt ervoor dat sommige reizigers zwaar geïrriteerd naar de zomers geklede dame op haar herrie makende sandaaltjes. Ze heeft het niet door. Met verbeten gezicht en snelle stappen loopt ze richting de trap om naar de hal van het station af te dalen. Ik vergeet altijd dat er reizigers zijn die verder moeten dan mijn eigen eindbestemming. Voor hen wacht een bus zonder geduld onder het station.

De mevrouw met de klepperende sandaaltjes loopt van de trappen en de akoestiek van deze nauwe doorgang maakt het geklepper als oorverdovend. Terwijl ik samen met de vrouw en tientalle anderen via de trap naar stationshal loop, ben ik door dat geklepper even in gedachten terug in de jaren 70 van de vorige eeuw. In de zomers dat iedere jonge moeder kleppers aan haar voeten had. Huishoudens werden gerund op van die houten slippers met een hakje en een voorgevormd orthopedisch voetbed. Vaak nog afgewerkt met een brede leren band en een grote gesp. Toen waren ze nog merkloos.

Zo liepen ze en fietsten alle jonge moeders over straat. Het haar om krulspelden gewikkeld, waarbij alle krulspelden verborgen werden onder het hoofddoekje. Sommige moeders maakten het bont. Die droegen een jasschort met een felgekleurde print over de eigen kleding. Alles was veelkleurig, maar ook somber. Het was ook de tijd van de autoloze zondagen. Daar moet de regering vandaag mee komen: een autoloze zondag. De mensen van deze eeuw pikken dat niet. Ze groeperen zich op Facebook en dreigen juist een auto aan te schaffen, om allemaal op alleen die autoloze zondagen rond te rijden. Maar het blijft bij het delen van ongenoegen op Facebook.

Er klinkt een schrille gil en ik ben weer terug in 2017. Waar de mevrouw op sandaaltjes nog net gedreven de trap afliep, vergeet ze nu twee traptreden en komt dramatisch ten val. Mensen reageren verschillend. Een gezette mevrouw in te strakke legging ontwijkt passief de vallende vrouw en een oudere man gilt geschrokken mee. Anderen reageren helemaal niet of anderen giechelen van de zenuwen. Iedereen reageert op een eigen manier. Een jongeman in een te strak t-shirt, of eigenlijk in een veel te strak lichaam, vangt haar op. Beschaamd ligt ze daar in de stevige armen van deze jonge, blonde god.

De zonnebril staat scheef op haar rode hoofd en de jurk is tot haar dijen opgekropen. Het is mij onduidelijke of ze zich opgelaten voelt om de val van de trap, of om in de gespierde armen van haar redder te liggen. De blonde god vraagt vriendelijk, en oprecht bezorgd, of alles goed gaat. Ze zegt oké te zijn. De gespierde adonis lacht opgelucht. De mevrouw ligt nog steeds in zijn armen. Ze zegt een sandaaltje te missen. Deze wordt haar haastig aangereikt door een vrouw met in haar linkeroor een flink rijtje piercings gestoken. Zonder de gespierde man aan te kijken of iets te zeggen loopt ze snel door. Ze heeft haast. Anders mist ze haar bus.

Grapjes

Wanneer ik 50 jaar geleden als meisje ter wereld was gekomen, had ik de naam Jacqueline gekregen. Dat is niet eens zo bijzonder, want een snelle zoekopdracht op de naam Jacqueline met mijn achternaam op het internet leert ons dat er alleen al op LinkedIn een top-10 bestaat van deze naam. Nu ik als jongetje ter wereld ben gekomen, ben ik naar de vader van mijn vader vernoemd. Anders naar de vader van mijn moeder. Mijn grootvader heette Izaak. En deze naam is makkelijk te vertalen naar de meisjesnaam Jacqueline.

De naam Izaak geeft wel weg dat mijn opa half-joods was. Tenminste, zijn vader was joods. Zijn moeder niet. Als kind vond ik dat interessant. Ik achtte mezelf een-achtste joods. Ik leerde als snel dat het iets anders gaat. De bloedlijn kan alleen via de moeder worden doorgegeven. Ik was gebleven wat ik altijd al was geweest: een Nederlandse knul. Met Fries bloed door het lijf. Ik heb vast en zeker met trots de naam Izaak willen dragen, maar ik weet dat als ik daadwerkelijk Izaak had geheten, ik dan liever anders had willen heten. Het is zo menselijk; verlangen naar wat je niet hebt, of dat je niet bent.

Ik kom op dit onderwerp doordat ik vanmorgen in de trein een gesprek van twee jongemannen mocht beluisteren. Beiden droegen aparte brilletjes. Monturen van een paar decennia geleden. Het zal nu wel weer hot zijn. Ze zitten beiden op een theaterschool, denk ik zelf, en ze verzonnen een act over joden in het algemeen. Wellicht waren ze zelf van joodse komaf. Dat hoop ik, want dan is het zelfspot. Anders stinkt het toch lichtelijk naar antisemitisme en racisme is nooit grappig. De grapjes van de mannen waren iets flauw en voor de hand liggend. Grappig was de manier waarop ze het vertelden. Wat ik hieronder doorvertel, kan wellicht op een later moment in de toekomst tijdens een voorstelling bekend voorkomen, maar ik denk niet dat het zal gebeuren. Géén spoiler-alert.

‘Grappen over joden die klagen, kunnen niet meer. Alle grappen zijn er al over gemaakt. Zelfs een grap over de klaagmuur in Jeruzalem is afgezaagd.’
‘Welke grap kan je nog over Anne Frank maken? Het moet iets over de oorlog zijn. Of onderduiken,’ zegt de jongeman met diepe inhammen en bril met ijzeren montuur.
‘Onderduikgrappen zijn niet grappig. Ik heb er altijd zo een onderduikgevoel bij,’ grapt de jongeman met lang donkerbruin haar.
‘Het kan gaan over Anne Frank die koekjes bakt voor de andere onderduikers.’
‘Flauw! Dat gaat over jodenkoeken. Dat is niet grappig. Net als de negerzoen of moorkop.’
‘Moorkop is nog steeds een geaccepteerd woord. Raar eigenlijk. Een negerzoen kan niet. Een moorkop, of een negerhoofd, wel. Lekker een negerhoofd uitlepelen. raar toch gast?’
‘En weer terug naar het Jodendom.’
‘Oh ja. Sorry.’
‘Die Anne Frank was wel een beetje een hooghartig meisje. Ze keek neer op haar klasgenootjes.’
‘Ja?’
‘Ja…’ Het woord komt er met een gespeelde zucht uit. ‘Dat meisje had echt jodenster-allures.’
De ander lacht.
Ik rol met mijn ogen.
Het gegrol gaat door, maar het niveau daalt naar pies-en-poepgrappen. Uiteindelijk zijn ze helemaal niet meer leuk.
Opgelucht merk ik dat de trein het station Amsterdam-Zuid binnenrijdt.
Als ik even opschiet, haal ik mijn metro nog.

Do You Remember?

Na het eten loop ik even snel naar buiten om wat afval in de container, die bij de garagedeur staat, te gooien. We hebben in de gemeente Almere een drietal containers. Eentje voor papier, nog een voor het plastic en dan nog een bak dat men een duobak noemt. De helft van deze container is voor het groente-, fruit- en tuinafval, en de andere helft is voor het restafval. Het afval dat niet onder alle andere categorieën valt. Mocht je in Almere een saai leven hebben, dan kan je -wanneer je het wenst, jezelf toch nog uren vermaken met het scheiden van het huisvuil. Och, de uitdaging!

Nadat ik de container heb gevoerd met het plastic afval van mijn avondeten en een leeg melkpak, staat Harpo de kat achter me te miauwen. Het beestje heeft zijn aandacht nodig, en het is in de loop der jaren een soort van gewoonte geworden dat wanneer ik de hongerige containers heb gevuld, Harpo de kat op een van de gesloten containerdeksels springt. Zo kunnen we op gelijk niveau elkaar de nodige aandacht geven. Ik aai hem over de kop en rug en de kat geeft me dwangneurotische kopjes. De kat vind het leuk, en dan speel je het spelletje mee.

Zo staan we elkaar een beetje aandacht te geven. Met een herhaaldelijk ‘Dat vind je fijn hé?’ probeer ik de bevestiging te krijgen dat ik niet voor niets de kat sta te aaien en met een overtuigende miauw krijg ik mijn antwoord. Na een tijdje worden we het elkaar de aandacht geven een beetje beu. Hoe lang kan je een kat aaien en daarbij heeft Harpo de kat een beperkt aantal kopjes dat hij mij kan geven. Het is als een theeservies: meer dan 16 kopjes zitten er niet in. Harpo springt tevreden van de container en loopt met een vaartje naar het plantsoentje voor ons huis.

Ik loop achter de kat aan, richting voordeur en ik herken dan het geluid van plastic wieltjes van een afvalcontainer, die door iemand wordt meegezeuld. Vanachter het schuurtje van de buren komt een lange, donkere meneer om het hoekje lopen. Aangezien er heel vaak mensen voor en langs ons huis lopen, groet ik en schenk er verder geen aandacht aan. Ik word teruggeroepen. ‘Do you remember me?’ vraagt de man. Nu ik het vette Amerikaanse accent hoor herinner ik hem inderdaad. Het is de buurman van een paar huizen verderop, die ik in jaren niet heb gezien.

Ik word bijgepraat. Hij was de afgelopen 10 jaar in Engeland en is daar ook getrouwd. Dit wordt bevestigd nadat zijn vrouw er aan komt lopen. We begroeten elkaar. Hij heeft zijn huis jaren onderverhuurd en is nu weer terug. Samen met zijn Engelse vrouw. Hij vertelt dat hij benieuwd was naar wie er na al die jaren hier nog woonden, en vindt het leuk mij weer te zien. Nogmaals vraagt hij of ik hem herinner. Ik bevestig dat door middel van het kattenverhaal dat in 2004 mijn eerst geplaatste blogbericht was: ‘You came to our house to tell us that our cat pooped in your garden.’

Hij buldert het uit. Dat is juist wat ook hij zich kan herinneren. Hij is beduidend blij dat ik het kattenverhaal bevestig en heel even heeft hij oogcontact met zijn vrouw, alsof hij hiermee zegt: ‘told you so.’ Ik vertel hem dat hij zich geen zorgen meer hoeft te maken. De kat van toen is nu al jaren dood. Hij lacht, maar laat weten zich niet zomaar blij te laten maken met deze mededeling. ‘I know you have a black cat, now.’ Ik zeg dat dit waar is, maar deze zwarte kat poept in het plantsoentje voor ons huis.

Om te laten zien dat ik niet tegen de buurman sta te liegen komt Harpo de kat demonstratief uit de bosjes van het plantsoentje. Met de staart fier omhoog. Heel rustig wandelt hij verder naar het kattenluik naast de voordeur. De oude c.q. nieuwe buren en ik nemen afscheid met een groet. Als ik de voortuin inloop zit Harpo de kat op het houten bankje voor ons huis. Hij is zich aan het wassen en steekt ongegeneerd een van zijn achterpoten in de lucht. Ik stap naar binnen en wanneer ik de voordeur wil sluiten, rent de kat snel naar binnen.

Mensen!

Midden in de nacht ben ik aanwezig bij een intergalactisch congres. Een bijeenkomst van marsmannetjes en vreemde ruimtewezens uit diverse nevels en verre melkwegstelsels. Ik weet niet precies waar ik me bevind, maar de omgeving doet me duizelen. Het is alsof ik me in een tekening van M.C. Escher bevind. Alle natuurwetten worden gebroken. Ik zie wezens over muren lopen en gedrochten bewegen onder me door, over onmogelijke trappen. Ze negeren me alsof ik niet besta. Ze zien me wel. Ik ervaar een gevoel van afkeer tegen mij. Ik kan deze ervaring niet bevatten en ik denk dat ik langzaamaan krankjorum wordt. Ik voel me eenzaam en doodongelukkig in deze vreemde, immens grote ruimte.

Verloren loop ik een horizontale trap op. Er is geen zwaartekracht. Bovenaan, of eigenlijk helemaal rechts van de trap, kom ik bij een ruimte die enigszins normaal op me overkomt. Binnen, gevormd in grote cirkels zie ik honderden uiteenlopende wezens. Geen enkele komt bekend voor of menselijk over. En toch kan ik volgen waar ze het over hebben. Er wordt gesproken over de planeet Aarde en vooral haar bewoners. Ik begrijp meteen het liefdeloze gevoel dat ik zojuist mocht ervaren. De mens is niet welkom op dit congres. Er is een verbod opgelegd voor alle intergalactische bevolkingen. Waar eerst alleen het zonnestelsel waarin de planeet Aarde zich bevind, een verboden zone is geweest, willen ze het zoneverbod nu uitbreiden naar het hele melkwegstelsel waarin de planeet Aarde zich bevind.

Zo leer ik dat ieder levend wezen in het universum niets met de mens te maken wilt hebben. Tijdens de bijeenkomst worden ik en mijn medemensen neergezet als egoïstische en verwerpelijke wezens. Een besmettelijke ziekte, die gemeden dient te worden. Er wordt gehoond en gelachen om het feit dat aardbewoners het woord menswaardigheid gebruiken om iets als sociaal of vriendelijk te omschrijven. ‘De misplaatste arrogantie!’ hoor ik een kronkelige substantie zeggen. Een donkerblauw organisme, hoger gezeten dan de andere aanwezigen en die ik zelfs met de beste wil van iedere wereld niet kan omschrijven, omdat het met helemaal met niets valt te vergelijken, is aan het woord. Ik begrijp dat het de grondlegger is van het zone-verbod om de planeet Aarde.

Waar ruimtewezens ruim een halve eeuw geleden af en toe eens voorzichtig een kijkje kwamen nemen, zijn de buitenaardsen inmiddels klaar met de Aarde en haar intelligente bewoners. De omgang van de mens onder elkaar wordt als afschuwelijk ervaren. De redenering dat mensen elkaar vermoorden voor een machtsgevoel, is voor hen reden genoeg om aan te nemen dat dit net zo zal zijn met buitenaardse bezoekers van uit de ruimte. De mens worden gezien als de laagste vorm van intelligentie in het universum. Zij creëren gevaarlijke gifstoffen op de eigen planeet en laten deze daar ook tot ontploffing komen. ‘Domme arrogantie!’ roept een vormloos wezen. ‘Ze vervuilen hun eigen planeet en met een idiote vorm van euthanasie, maken ze hiermee het leven op hun eigen planeet onmogelijk.’

Er heerst een gevoel van optimisme in de grote ruimte. ‘Zo lost het probleem zich toch vanzelf op?’ stelt een nevelachtige tegenwoordigheid. Een paar lichtgevende wezens lijken elkaar een high five te geven, maar met tentakels. Het enthousiasme wordt de kop ingedrukt. Er wordt gesproken over de activiteit in de ruimte door de aardbewoners. Het gevaar dat de mens zich verplaatst naar andere planeten dient serieus genomen te worden. Ik heb de behoefte om me te verdedigen. De mens heeft ook nog zoiets als liefde. Maar ik ben bang dat mij meteen de wedervraag wordt gesteld waar die liefde van de mens uit bestaat. En ik weet dat de mens alleen van mensen houden. Vooral van zichzelf. Geen positieve bijdrage voor deze bijeenkomst.

Wanneer er aan het einde van deze intergalactische inbeelding moet worden gestemd over het verruimen van het zone-verbod, betreffende de planeet Aarde, wordt ook om mijn mening gevraagd. Niet dat mijn stem deze nacht zal gelden, maar ik vertegenwoordig tegen wil en dank de mens. Hoe enthousiast ik het contact met buitenaardsen toejuich en hoe goed het me lijkt dat we van andere werelden in het universum leren, denk ik dat de mens nog niet klaar is voor een ontmoeting met aliens. De mens moet eerst hier op zijn eigen planeet de orde op zaken stellen, en met tegenzin geef ik toe aan alle aanwezige schepsels dat het beter is dat de planeet Aarde voorlopig niet wordt bezocht door buitenaardse wezens.

Vrijdagochtend

Het is een paar minuten voor half 8 en de metro waarin ik me bevind stopt op metrostation Henk Sneevlietweg. Ik stap uit de achterste wagon, zodat ik als eerste het station kan verlaten. De pendelbus staat verderop te wachten om de reizigers naar de grote kantoren te verplaatsen. Sinds ik alweer enkele weken mijn fitbit om de pols draag, laat ik me niet zo snel meer rondrijden. Ik loop liever. Mijn licht-autistische trekjes hebben de afgelopen tijd nog steeds de overhand als het gaat om het aantal stappen die ik per dag moet nemen. Enig fanatisme is me niet vreemd en dat terwijl ik altijd dacht niet competitief te zijn. Ha!

Ik loop over het zebrapad naar de zuidelijke kant van de Henk Sneevlietweg. Alleen aan die zijde van de weg is het mogelijk om te wandelen en te fietsen. Ik check even hoe laat het is en ik zie dat ik rustig aan naar mijn werkgever kan wandelen. In een makkelijk tempo loop ik rustig richting de Johan Huizingalaan. Achter me hoor ik gehaaste voetstappen. Iemand achter me heeft duidelijk minder tijd dan ik en haalt me gehaast in. Het is een man met kleine krulletjes. Hij neuriet mee met de muziek in zijn oren. De witte oordoppen steken fraai af tegen zijn donkere huidskleur. In een rap tempo loopt hij op mij vooruit. Ik glimlach. Mensen die neuriën zijn altijd vrolijk.

Sommige mensen kijken niet zo vrolijk. Ik zie er genoeg op de fiets voorbijkomen die deze vrijdagochtend beleven alsof het een maandagochtend na een vakantie van 4 weken is. Niet aan te sporen voor een moment van vrolijkheid. Ik denk: Was dan lekker in je bed blijven liggen. Ondanks de enkele norse gezichten loop ik vrolijk verder. Op 500 meter afstand van het metrostation sla ik linksaf de Johan Huizingalaan in. Het is helemaal geen laan, het is een drukke provinciale weg. Er wordt daar gereden als op een racecircuit waar Max Verstappen zich prima thuis zal voelen. Verderop loopt een man met zijn hond aan de lijn. Beiden hebben lol. De man heeft een leuk gesprek en lacht in zijn mobiele telefoon, en honden zijn altijd vrolijk.

Na nog eens 450 meter te hebben gelopen, sla ik rechtsaf de David Ricardostraat in. Hier is ook het hoofdkantoor van Monsterboard. Al wat ik daar zie zijn twee flipperkasten in een recreatieruimte. Tenminste, dat is mijn aanname over die ruimte. Eén flipperkast heeft het thema Flintstones en de ander van de film Raiders of the Lost Ark. Op de zijkant van de kast staat Indiana Jones stoer, inclusief zweep, te poseren. Hierna steek ik over op het John M. Keynesplein. Het is een uit de kluiten gewassen plantsoen, met veel groen. Deze vrijdagochtend zit een vrouw gehurkt foto’s van klaprozen en andere bloemen te maken. Leuk. Kan ze het delen op Facebook of Instagram. En schuin, daar aan de overkant van het plein in het hoge gebouw verdien ik mijn geld. Nog een dag werken en dan, weekend!

Kunstenaar

Donderdagmiddag. Ik sta met andere reizigers in de warme overvolle metro richting Amsterdam-Zuid. Ik sta wazig naar buiten te staren en zie links vanuit een ooghoek een kleurrijk persoon staan met lange sliertige haren. Wat ooit een rastakapsel was, is door gebrek aan verzorging een vette kluwen haardos geworden. De zonnebril met vrolijk geel monteur maakt het plaatje er toch niet mooier op. Ik voel een onverklaarbare drang om de man in de gaten te houden, en waar ik eerst nog glazig naar buiten keek, kijk ik nu naar de man met bah-haar. Hij draagt een wit overhemd, half dichtgeknoopt en een vale broek die zeker maanden niet in een wasmachine heeft liggen draaien.

De man spreekt zijn medereizigers aan. Sommigen geeft hij een hand en stelt zich aan hen voor, en vertelt over zijn honger. Wanneer hij niet door sommige reizigers genegeerd wordt, kom hij tot de hoofdzaak van zijn doel. Hij spreekt de mensen aan, om -zoals hij het zelf zegt- een paar centjes te verkrijgen. Een vrouw die voor mij staat hoort de man aan en reageert negatief op het verzoek om geld te geven. ‘Ik heb wel een appel voor je,’ zegt ze. De man reageert licht teleurgesteld, maar neemt de appel aan. Anders is zijn verhaal over honger niet meer geloofwaardig. Hij staat nu tegenover mij. Hij steekt zijn rechterhand uit en zeer onbeleefd weiger is deze. ‘Doe je verhaal maar,’ moedig ik hem aan.

Hij vertelt me dat hij een kunstenaar is en dat hij met € 20,00 in de week moet leven. Het verhaal over honger kan hij nu niet nog eens vermelden, dus hij vertelt me over hoe moeilijk en vooral hoe duur het leven is. Na een zeer lange anderhalve minuut komt de doelgerichte vraag: ‘Heeft u misschien wat centjes voor mij?’ Mijn reactie is gelijk aan het antwoord dat ik altijd op bedelaarsvragen geef. ‘Ik heb geen kleingeld, ik heb alleen maar plastic.’ Om deze zin enige oprechtheid mee te geven, kijk ik teleurgesteld en haal ik beide schouders op. Enkele reizigers gniffelen om mijn antwoord.

Gelijk wanneer er wordt omgeroepen dat we over enkele ogenblikken aankomen op metrostation Amstelveenseweg en dat we aan de linkerkant mogen uitstappen, gaat de mobiele telefoon van de kunstenaar over. Hij neemt op en vergeet mij totaal. Daar heb ik vrede mee. Reizigers stappen licht gehaast uit en weer anderen stappen in om mee te reizen. Sommigen deinzen terug door het onverzorgde uiterlijk van de beller. De kunstenaar blijft telefonisch in gesprek waarin achterdocht klinkt over een belofte die hem wordt gedaan. Waarschijnlijk zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. De metro rijdt weer verder en de kunstenaar beëindigd zijn telefoongesprek.

Het blijkt dat ik geen indruk heb gemaakt, want ik word niet meer aangesproken. Hij richt zijn aandacht op een jonge vrouw, maar ook zei weigert net zo onbeleefd als ik om de uitgestoken hand te schudden. Op de vraag of ze misschien wat centjes kan missen, verklaart ze alleen een pinpas bij zich te hebben. Zo origineel was mijn antwoord niet. Schuin naast mij staat een vlotte jonge vent in een strak modern pak, inclusief het hoge water in de pantalon, wat nu hot lijkt te zijn, staat te wachten tot de kunstenaar hem aanspreekt. Dat gaat gebeuren en het strakke pak glimlacht zelfverzekerd. Volgens mij is hij ook degene die als eerste de hand uitsteekt.

Ze stellen zich aan elkaar voor en voordat de kunstenaar zijn verhaal kan doen is het strakke pak hem voor. ‘Dus jij komt hier in de metro mensen lastig vallen om ongevraagd te bedelen voor geld? Denk je niet dat je gewoon een paar jaar geleden een verkeerde opleiding hebt gekozen? In plaats van dat onzekere, zweverige linkse kunstenaarsgedoe, had je beter een degelijke opleiding kunnen kiezen. Dan had je nu wat geld op de bank staan en hoef je de anderen, die al genoeg voor jou betalen, niet lastig te vallen.’ De zinnen komen als een waterval naar buiten. Reizigers kijken gespannen naar het tweetal. Wordt het een conflict?

Wederom weet de omroepstem de sfeer in de metro te breken. Er worden nog aansluitingen met bus en trein genoemd en ook worden we geboden links uit te stappen. Sommige reizigers dringen naar de deuren, want ze willen hun aansluiting niet missen. De kunstenaar kijkt het pak aan, wuift hem met een hand weg en stapt de metro uit. Ik stap ook uit, het perron op. Terwijl ik naar mijn aansluiting op spoor 1 loop, spreekt de kunstenaar alweer een andere man aan. De hand wordt uitgestoken. Hij stelt zich netjes voor, en vertelt de man honger te hebben.

Woorden

Oh, hoe intens ik blij kan worden van taal, en van woorden in het bijzonder. Ik weet niet hoeveel Nederlandse woorden er precies bestaan, maar ik heb eens op het internet gelezen dat het ongeveer 80.000 woorden moeten zijn. Dit is een schatting wanneer je uitgaat van het aantal woorden in de Dikke van Dale. Wanneer je daar nog eens alle werkwoordvervoegingen bij optelt, zit je rond de 60 miljoen woorden. Zo veel woorden en ik kan er geen genoeg van krijgen.

Woordspelingen, ik ben er dol op. Maakt iemand een typefout in een tekst, dan kan ik daar zeer smakelijk om lachen. Helemaal wanneer de context van een zin hierdoor een totaal andere betekenis krijgt. Het zijn niet eens de zware intellectuele vergissingen die mijn lachspieren doen samentrekken. Ik schater het al uit wanneer het woord ‘hier’ als het woord ‘hoer’ in een tekst verschijnt. Ik weet het, er is niet veel intellect nodig om mij te vermaken.

Zo zijn er ook woorden die ik heel mooi vind. Om aan te horen of uit te spreken. ‘Desalniettemin’ en ‘nochtans’. Twee woorden met dezelfde betekenis, maar het bekt wel heerlijk weg wanneer je het uitspreekt. Of als het uit de mond van iemand anders komt. Het betekent zoiets als niettegenstaande. Bam! ‘Niettegenstaande’. Het wordt alleen nog maar mooier! Zoveel verschillende woorden om alleen maar aan te geven dat er ondanks een gegeven, toch het tegenovergestelde heeft plaats gevonden.

Daarentegen (ook zo’n aangenaam woord) zijn er ook woorden waar ik kippenvel van krijg, en niet in de positieve zin van het woord. Dat heb ik gelukkig niet met het woord ‘parallellepipedum’. Dat woord behoort al sinds de jaren 80 tot mijn favorieten. Het is helaas geen woord dat je zomaar in dagelijks gesprekken kunt gebruiken. Maar de harde klanken die je uitspreek bij het woord. Heerlijk! Een ‘parallellepipedum’ is een veelvlak met zes parallellogrammen als zijvlak. Hierdoor is het jammer genoeg een niet zo vaak uitgesproken woord.

Een woord wat ik afschuwelijk vind, dat ik niet kan aanhoren en waar ik figuurlijk jeukend tandvlees van krijg, is het woord ‘kutje’. Ik heb de neiging te vomeren wanneer ik het woord ergens hoor of lees. Het woord zelf uitspreken zal ik nooit. Ik ben sowieso geen voorstander van verkleinwoorden, maar bij dit woord geeft het verkleinen van het woord een onsmakelijk iets. Ik associeer dit lelijke Nederlands woord met viespeukerij. Het zijn de vieze, vrijpostige  mannen die niet te vertrouwen zijn, die dit afstotelijk woord in een zin durven te gebruiken.

Gelukkig bestaan er naast dit oneervol woord nog zeker 60 miljoen andere Nederlandse woorden. Diverse Nederlandse woorden voor één betekenis of één woord met meerdere betekenissen. Taal vind ik leuk. Met woorden spelen meesterlijk. Zo worden mensen als snel blij bij het horen van het woord ‘zonnestraal’. Maar noem het woord eens tijdens een aanhoudende hittegolf voor een periode van 3 aaneengesloten weken. Dan word je door de mensen boos weggekeken. Dan zijn ze de vrolijkheid van dat woord straal vergeten.

Het Spui

Het weer is gespreksonderwerp nummer 1 in Nederland, en de laatste weken is het al aardig aan het zomeren. Sommige mensen zijn de warmte en de zon al zat, maar voorlopig geniet ik volop. Daarom zit ik op een terrasje aan het Spui in Amsterdam. Een beetje lommerrijk, heerlijk beschut. Ik geniet van mijn uitzicht op de Amsterdammers en de bezoekers van de stad. Sommige toeristen zijn nog niet helemaal overtuigd van de zomer en dragen warme jassen, met hun beanies tot over de oren getrokken. Anderen lopen rond met blote schouders, in korte broek en op slippers. Persoonlijk ben ik niet zo dol op mensen, maar ik hou wel van de variëteit die de mens uniek maakt.

Aan een tafeltje achter mij zitten twee mensen te fluisteren op het terras. Nadat ik mijn kop koffie aan de serveerster betaal, kijk ik even achterom en zie ik dat het om een man en vrouw gaat die aan de witte wijn zitten. In mijn ogen, zijn deze twee mensen overduidelijk een stelletje. De eerste, zeer prille liefdesperiode is voorbij, maar nog steeds hartstikke gek op elkaar. De twinkeling in de ogen, die ik zojuist in de luttele seconden zag, toen ik omkeek, is er nog steeds. Stiekem zit ik te luistervinken, terwijl ik voorzichtig een slok van mijn hete koffie neem.

Ze toosten. De wijnglazen tikken voorzichtig tegen elkaar aan. Ik hoor een lichte zucht en met een kleine aanloop zegt de man tegen de vrouw dat er een tijd was geweest dat hij van alles voelde, maar tegelijk ook niets. Voordat hij haar had leren kennen, was er alleen maar bewolking in zijn leven, zonder uitzicht op opklaring. Verrast door de poëtische zinnen van de man plaats ik met een lichte tik mijn koffiekopje terug op het schoteltje en luister blij. De vrouw blijft stil, en de man vervolgt met dat hij haar moest vertellen hoe ze iedere dag van zijn leven opvrolijkte en dat zij hem in de donkere nachten verlichtte als een volle maan.

Ik kijk vluchtig om me heen om te zien of anderen op het terras wellicht ook getuige zijn van dit romantische moment, maar niemand reageert. En de man vervolgd. Over dat hij niet kan uitleggen dat er iets bijzonders aan haar is, hoe ze er uitziet. Over de blik in haar ogen en hoe ze naar hem kijkt. Ze ontneemt zijn adem iedere keer. Ikzelf voel me enigszins opgelaten dat ik getuige moet zijn van dit moment. Het is te intiem om er deel van te maken. De man verklaart dat het gevoel de vrouw hem geeft, zo diep zit, dat het hem verstikt. Op een positieve manier. Ze is mooi in elke betekenis, net als deze zomerachtige avond in Amsterdam.

Terwijl de laaghangende zon mijn gezicht verwarmt, koelt de koffie in mijn kopje af. De man aan het tafeltje achter me verklaart nog even dat de lach van de vrouw, zijn diepste geheimen naar boven haalt. Niets blijft langer verborgen en in alle eerlijkheid is hij sprakeloos met de overvloed van zijn woorden. Complimenten en liefdesverklaring. Ik heb voldoende gehoord en sta op en loop richting de Nieuwezijds Voorburgwal. Met de laatste zonnestralen, en een glimlach op mijn gezicht over wat ik zojuist mocht aanschouwen, loop ik langs de open deur van een kleine kroeg. Een bekende hit van Elton John komt uit de speakers. Ik loop door, richting Amsterdam Centraal.

Autoritjes

Het is vrijdagavond en het vlakke landschap van Noord-Holland is overal om ons heen te zien. We zijn onderweg naar Heerhugowaard, even ten noord-westen van Alkmaar. Met dit uitzicht en de muziek zachtjes op de achtergrond geniet ik van deze autorit, samen met mijn man. Ik hou van autorijden. Zolang ik niet zelf achter het stuur hoeft te zitten. Zo blijven de autoritjes aangenaam. Wanneer ik achter het stuur zit, verander ik een onaangenaam persoon. Ook voor mezelf. Ik zie overal problemen en zit non-stop te vloeken, en te schelden op alles wat binnen mijn gezichtsveld komt.

Als er een hel bestaat, dan bestaat deze uit onafgebroken momenten achter het stuur. Langzaam rijdend in een file tijdens de spits. De auto waarin ik me bevind is vanzelfsprekend géén automaat, want de koppeling moet ik blijven intrappen tot de kramp in mijn benen ondraaglijk wordt. Dit is een lichtelijk overdreven voorbeeld van een moment waarin ik doodongelukkig ben. Maar ik ben geen voorstander van veronderstellingen en aannames, en geloof daarom ook niet in God. Of in een verzonnen hel.

Het is een verademing voor mij wanneer ik plaats neem in de auto, en dat dit niet achter het stuur is. Zoals ik het enige zinnen terug verklaarde: ik kan echt genieten van de autoritjes, samen met mijn echtgenoot. Voor mijn part rijden we in de auto door naar het noorden van Noorwegen of naar het oosten van Polen. Of verder. Helemaal de wereld rond. Ik zal genieten van ieder moment. Zolang ik maar niet met mijn voeten op de verschillende pedalen hoef te duwen. Ik prijs me gelukkig met een echtgenoot die totaal geen hekel heeft aan autorijden.

Enkele van de bijzondere herinneringen, als kind, heb ik in de auto opgedaan. Ik kan me een autorit herinnering waarin het hele gezin, plus aanhang, met de auto naar Ponypark Slagharen ging. Mijn jongste zus met 2 tantes en mijn moeder op de achterbank, half hangend met de benen onder de hoedenplank, en ik in elkaar gebogen tussen de benen van mijn vader, die als bijrijder de wegenkaart op mijn hoofd liet rusten. Daar reden we dan met 100 kilometer over de tweebaanswegen van 45 jaar geleden. In mijn herinnering liepen mijn jongste zus en ik uren na aankomst in Slagharen met een gebogen rug over het attractiepark.

Met plezier denk ik aan de vakanties die we met mijn schoonfamilie in Europa doorbrachten. Mijn schoonzus had het lumineuze idee om voor 3 weken een mini-rondreis door Oostenrijk, Italië, Zwitserland en Frankrijk te boeken, en omdat er toen nog geen navigatiesystemen waren, hebben we toen meer dan alleen maar asfalt snelwegen gezien. Ik weet nu, dat als je iets van de wereld wilt zien, je per auto moet reizen. Je maakt zo veel meer mee. Met een glimlach denk ik aan het moment dat we bij de grensovergang tussen Italië en Zwitserland, waar we met een illegaal aantal flessen wijn in de kofferbak, werden aangehouden en we onze paspoorten ook nog in de kofferbak hadden laten liggen. Wanneer ik die herinnering wil delen, zie ik dat we inmiddels Heerhugowaard zijn binnengereden. Ook zo fijn van een autorit: Je bent op de plaats van bestemming voor je het doorhebt.

Picture This

We zitten nog maar een week in de zomermaand juni en via social media krijg ik al de eerste vakantiefoto’s van mijn sociale mediavrienden voorgeschoteld. Een buurmeisje van vroeger uit Den Helder is op rondreis door Ierland en een oud-collega uit Almere viert haar wandelvakantie in Engeland. Ik geniet daarvan. De vakantiepret van mijn Facebookvrienden. Ik vind het leuk dat ik in mijn fantasie toch mee ben op vakantie. Dat gevoel kent je vast ook wel. Het fantaseren van het op reis zijn. Je bent niet zo zeer met het reisgezelschap op stap, maar je plaatst jezelf met gemak in de bijna jaloersmakende vakantiekiekjes. Heerlijk.

Wanneer jezelf op vakantie bent is dat toch anders. Teleurstellend bijna. Je wilt de mooiste dingen zien. Attracties bezoeken om vooral herinneringen te creëren. Dat wordt tegengewerkt door de toeristen die altijd in de weg staan. Na ruim een uur door het Louvre, in Parijs te hebben gewandeld om de Mona Lisa van DaVinci te bewonderen sta je tussen honderd anderen op je tenen om een stukje van dat verdomde kleine schilderij te zien. Of op de trappen van Park Güell in Barcelona, met de kleurrijke hagedis. Alles wat je op foto’s terugziet zijn hoofden en armen van toeristen en wazige fragmenten van bontgekleurde mozaïeksteentjes.

Mijn foto van de Mona Lisa in het Louvre heeft meer weg van een grote indoor demonstratie, waarbij veel aanwezigen een selfie maken, en de foto van de mozaïekstenen op de trappen van Park Güell lijkt alsof deze is gemaakt in een drukbezochte badkamer. Ja, daar maak je geen Facebookvrienden jaloers mee. Toch zijn het niet alleen de mislukte foto’s. Soms is het de omgeving die tegenvalt. Piccadilly Circus was mij niet onbekend. Ik had er genoeg afbeeldingen van gezien. Tijdens een stedentrip in Londen waar we vanuit de metro bij het plein, de grond uitstapten, schrok ik van het groot aantal toeristen, maar vooral van hoe klein het plein is. Ik kreeg spontaan een claustrofobisch gevoel.

Door foto’s van toeristische trekpleisters te bekijken creëer je verwachtingen. Zo heb ik schitterende tempels in Egypte mogen bezoeken, en bewonderen. Precies als op de afbeeldingen in de reisgidsen, televisieprogramma’s en het internet. Door de afwezigheid van veel toeristen in het Noord-Afrikaanse land in 2012 konden we wel mooie foto’s maken. Maar wat we niet op de gevoelige geheugenkaart vastlegt zijn de foto’s van de omgeving. Wat je niet op de bekende foto’s ziet, zie je daar wel op de bewuste plek zelf. Een schitterend uitzicht op een sfinx, en een afschuwelijk beeld achter je rug, van een vuilnisbelt waar kinderen doorheen lopen te struinen, op zoek naar mooie of eetbare voorwerpen. Dat zijn de herinneringen waar je geen foto’s voor nodig hebt.

 

Uitslover

Sinds een week ben ik in het bezit van een nieuwe ‘activiteitenvolger’. Ik droeg voorheen een fuel band van het merk Nike als armband, maar die heeft vorig jaar het functioneren er bij neergelegd. Waarschijnlijk vond het ding het dodelijk saai om constant mijn activiteiten te registreren. Of was ik wellicht te overactief. Misschien heeft zo’n gadget armband maar een beperkt aantal werkingsuren. Zo zijn televisies tenslotte ook gemaakt. Na een aantal honderden uren branden de beeldschermen door en hopen de vele televisiemakers in Azië dat je uiteindelijk toch weer hun merk in huis haalt. Wellicht dit keer een exemplaar dat enkele inches langer is, en een paar honderd euro’s meer.

Mijn nieuwe activiteitenvolger is als horloge op de markt gebracht. Geen armband meer voor mij. Het horloge geeft naast de tijd ook aan hoeveel stappen ik per dag verzet, het leest je hartslag en het kan waarnemen waar ik me bevind, dankzij GPS (satellietplaatsbepalingssysteem). Ik ben afgestapt van het merk Nike en draag nu het merk fitbit (zonder hoofdletters) om mijn pols. Het horloge houdt ook bij hoeveel trappen ik oploop (een trap aflopen is geen activiteit, want dat wordt niet bijgehouden) en hoeveel kilometers ik wegfiets. Ook houdt het bij wat ik in de sportschool uitvoer, maar ik heb mezelf wijs gemaakt dat het apparaat juist daar niet 100% functioneert, en die gedachte houden we erin.

Een leuke aanvulling is dat je via de fitbit-app vrienden kunt toevoegen. Op deze manier motiveert het om vooral te bewegen. Het met-je-luie-kont-uit-de-stoel-effect. Dat werkt. Heel wat familieleden, vrienden en kennissen in mijn fitbitvriendengroep zie ik flink wat stappen ondernemen. Ik zelf ben ook aardig overactief. Ik ben sowieso niet het type dat stil kan zitten (de reden waarom de poezen nooit bij mij liggen). Ik ben dan ook, met mijn nieuwe gadget om de pols, aardig gemotiveerd. Misschien tot lichte irritatie van anderen. Overigens zijn het niet alleen mensen die mij overactief vinden. Wanneer ik 2.000 stappen meer verzet dan mijn dagelijkse doelstelling, krijg ik via mijn telefoon van fitbit het bericht dat ik een overachiever ben. Belachelijk. Ik ben geen uitslover. Ik ben enthousiast.

 

Zomer

Het zijn de laatste dagen van de maand, met het mooie zomerweer moet ik dikwijls denken aan de hit Het is weer voorbij, die mooie zomer van Gerard Cox uit 1973. In het nummer wordt een zomer bezongen welke vroeg in het jaar, ongeveer in de maand mei, begint. Ik kan alleen maar hopen: zou het dan déze zomer van 2017 zijn die hierin bezongen wordt? Het origineel, City of New Orleans, geschreven en gecomponeerd door de Amerikaan Steve Goodman, gaat niet eens over een jaargetijde. Het gaat over een treinreis van Chicago naar New Orleans. Hoe dan ook. ..

Gerard Cox heeft ruim 40 jaar geleden in Noord-Frankrijk zelf de tekst aan de keukentafel zitten rijmen. Toepasselijk gebaseerd op de Franse uitvoering: Salut les Amoureux,  van de Frans-Amerikaanse zanger Joe Dassin. Het nummer wordt extreem nostalgisch toegeschreven en het nummer geeft me ook dit gevoel. Ik was een dreumes toen Het is weer voorbij, die mooie zomer 18 weken lang in de Top 40 stond. Een zomer is sowieso enorm lang voor een zesjarig kind. De tekst van Cox is nostalgisch, maar het strookt wel.

We keken er tenslotte al maanden naar uit. De laffe winter leek niet voorbij te gaan. Traag en slepend kropen de maanden voorbij tot uiteindelijk de warme dagen zich aanmeldden. Nu is het de tijd van lange dagen. Korte nachten en vogelgezang in de ochtenden. Een wereld vol licht en leven. De geuren van de natuur en zonnebrand. Lommerrijk in het bos en zonnebadend op het strand. Rode huid van zon en zand. Het duurt nog even dat de herfst de bomen laat verkleuren, of dat we ‘s-avonds in pyjama naar bed gaan.  De tijd van blijheid en vrolijkheid is aangebroken.

De afgelopen dagen hebben we een voorproef gehad van een zomer die nog moet komen. Jammer genoeg is het zomerse weer sinds gisteren betrokken. Ik hoop serieus dat de zomer van dit jaar sinds een paar dagen is begonnen en ook weer in oktober, wanneer pepernoten en chocoladeletters in de supermarkten liggen, zal veranderen in een herinnering. Ik denk dat velen met mij gewoon toe zijn aan een vijftal maanden van zomer. Een periode waarvan je denkt dat er geen einde aan kan komen, maar voor je het weet is heel die zomer al weer lang voorbij.

 

Schrikken

Donderdagmiddag. Het leven leek Martin even tegen te zitten. Hij was betrokken bij een verkeersongeluk. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje. Zijn blauwe Ford Fiesta daarentegen was er slechter aan toe. Zijn wagen leek de boom frontaal te hebben geknuffeld. Total loss. Martin prees zich gelukkig met alleen materiële schade, maar baalde er wel van. Ondanks een goede verzekering, was dit financieel een flinke tegenvaller, en hier zat hij echt niet op te wachten. Dochter Steffy had vorige maand net haar laatste bezoek aan de orthodontist gebracht, terwijl zoon Jim inmiddels een eerste afspraak had gemaakt om een beugel aan te laten meten. Martin begreep het niet. Die onnodige hoge kosten voor zogenaamde perfectie. Een rechte rij tanden is mooi, maar waar ligt de grens? Alles moet tegenwoordig ook perfect zijn, en staan de tanden eenmaal recht in een rij, dan blijken ze niet wit genoeg. Zijn vrouw Monique vond het nodig. Ja, zolang mensen aan uiterlijke onzekerheden van anderen geld verdienen, wordt de mens angst aangepraat over het gebrek aan uiterlijke perfectie. Het leven maken we zelf duur en iedereen, zeker Monique, doet er van harte aan mee.

Martin dacht aan hoe hij de komende maanden zich moest verplaatsen. Het openbaar vervoer was de enige optie en ook dat is niet gratis. Afgezien van de vergoeding van zijn werkgever. De komende periode zal er een worden van meer dan eens in de maand overwerken. Hoe moet hij anders zijn gezin onderhouden? Door de enorme klap tegen de boom kon hij niet normaal nadenken. Natuurlijk had hij er alles voor over om zijn gezin te onderhouden, maar wanneer kinderen, en vrouw, aan de diverse hypes mee moeten doen, mocht hij diep in de buidel tasten. Met deze gedachte voelde hij zich enorm schuldig, maar hij verontschuldigde zich met de gedachte dat het nu niet het moment was om helder na te denken. Zeker niet als je net een zwaar auto-ongeluk hebt gehad. De schrik zat er goed in. Dit moment schoten er diverse, rare gedachten door zijn hoofd. Gedesillusioneerd en trillend stond hij bij het autowrak. Hulpverleners waren druk in de weer en Martin vond het prima. Blij dat hij het kon navertellen.

Thuis, aan het einde van de middag werd Martin wederom door een onaangename emotie overvallen. Het was niet alleen het financieel plaatje. Hij kon zich momenten van vandaag niet plaatsen. Er zaten gaten in zijn belevenis van vanmiddag. Zo kon hij zich niet herinneren hoe hij was thuisgekomen. Hij keek door het raam naar buiten. Het was inmiddels donker geworden. Was hij door de politie teruggebracht, of zelf met de trein of taxi naar huis gereisd? Misschien had hij toch even het bewustzijn verloren. Hij deed zijn best om zich een chronologisch plaatje voor de geest te halen, maar iedere herinnering aan vandaag vervaagde. Martin zat thuis in zijn eigen stoel. De hoofdpijn was minder, maar de onrust bleef. Hij hoorde de sleutel in het slot van de voordeur. De deur werd geopend en vrouw Monique en de kinderen kwamen thuis. In plaats van dat ze luid groetend binnenkwamen, was het nu stil. Dat komt vast door wat er vanmiddag is gebeurd, dacht Martin. Met verdrietige gezichten en rooddoorlopen ogen van het huilen kwamen ze de woonkamer binnenlopen. Martin wilde opstaan, maar de schrik sloeg hem om het hart. In de armen van Monique zag hij zijn bebloede kleding en schoenen. Hij begreep het nu. Martin was vandaag niet thuisgekomen.

Een scène

Een doodgewone doordeweekse avond en ik sta in de rij bij de kassa van mijn buurtsupermarkt te wachten. Het verbaast me dat het druk is in de winkel. Het lijkt dat veel mensen om 7 uur ‘s-avonds de winkelwagen of het winkelmandje moeten vullen met artikelen waarvan geen uitstel van aanschaf mogelijk is. Ik heb precies hetzelfde probleem, want de koffiemelk is op. Oké, ik drink mijn koffie zwart, maar de inhoud van de fles wijn vereist de aanschaf van een nieuwe voorraad. Ik ben niet verslaafd. Maar géén wijn in huis, dat is een waar alcoholprobleem. Paniek. Daarom snel met de boodschappentas in de hand op de fiets gesprongen. Het toiletpapier was overigens ook op.

Het is echt druk in de supermarkt. Ik verbaas me. Sommige klanten lijken de weekboodschappen steevast op de vaste dinsdagavond te doen. Inmiddels dreigt er een vijfde wachtende in de rij te komen en dan breekt er lichte paniek uit, want iedere vijfde wachtende in rij krijgt bij deze supermarkt de boodschappen gratis mee naar huis. Dat kan natuurlijk niet. Snel wordt er een medewerker van de afdeling vleeswaren ingezet om plaats te nemen achter de kassa. Sommige mensen zijn blij, anderen teleurgesteld. Hadden ze daar toch bijna een volle boodschappenwagen gratis en voor niks mee naar huis mogen nemen.

Een meneer met grijs haar, die al een tijdje met een zelfscanner in zijn hand bij de snelkassa stond te wachten, vind het helemaal niets dat hij wordt overgeslagen. Een medewerkster van servicebalie, die met verhit hoofd de rij aan haar balie probeert weg te werken, vraagt de man plaats te nemen in de rij van een van de 2 andere kassa’s. Dit valt de grijze doffer verkeerd en begint met verheven stem tegen niemand in het bijzonder te roepen dat hij nu voor niets bij de snelkassa staat te wachten. Waarom kan hij niet snel geholpen worden? Een andere man in de rij naast mij, het type gezondheidsgoeroe in sandalen, maant de man tot rust. Dan volgt er een soort van dialoog.

‘Bemoeit je vooral met je eigen zaken,’ zegt de boze, grijze meneer.
‘Dat zou ik wel willen, maar het volume van uw stem nodigt uit tot reageren,’ glimlacht de man.
‘Wat is jouw probleem, dat je je met anderen moet bemoeien?’ De meneer prikt met de zelfscanner richting de ongewenste gesprekspartner.
‘Ooit gehoord van overmacht en onderbezetting?’ vraagt de gezondheidsgoeroe heel kalm terwijl hij zijn biologische producten op de band legt.
‘Met chique woorden word je voor mij toch echt niet slimmer hoor, vriend,’ beweert de geïrriteerde grijze meneer.
Een mollige tienerjongen steekt zijn boodschappen -een blikje energiedrank en een zak chips, onder zijn linkerarm en met een bijna niet verstaanbare ‘Dit gaat viral!’ haalt hij zijn mobieltje tevoorschijn. Klaar om deze scene in de supermarkt op te nemen.
De caissière begint opgelaten de boodschappen van de gezondheidsgoeroe te scannen.

De meneer met de zelfscanner sluit zich aan in de rij naast mij en staat een paar meter achter zijn ‘gesprekspartner’. Ik veins alsof ik niet heb meegekregen en verplaats het toiletpapier, de koffiemelk en mijn fles rode wijn van de boodschappenmand naar de band bij de kassa.
‘Weet u?’ vraagt de gezondheidsgoeroe aan de meneer met de zelfscanner, om vervolgens geen antwoord af te wachten en verder te gaan. ‘Het leven is zo veel makkelijker wanneer je een positieve insteek in het leven hebt.’
Het gezicht van de grijze meneer heeft nu de kleur gelijk aan de tomaten die deze week in de aanbieding zijn.
De gezondheidsgoeroe rekent zijn boodschappen af en plaatst deze in zijn gerecyclede boodschappentas.
Met een ‘Ik wens u nog een hele fijne avond en heel veel positiviteit in uw leven,’ groet de gezondheidsgoeroe de meneer.

Wanneer de goeroe wilt weglopen brengt de zwaar geïrriteerd meneer de gele boodschappenmand boven zijn hoofd met het doel de gezondheidsgoeroe tegen het hoofd te raken.
Ik deins geschrokken terug en de wijze goeroe duikt weg.
Het gele boodschappenmandje mist het doel en de boze meneer verliest zijn evenwicht. Wat volgt lijkt in slow-motion. Meneer valt met een doffe dreun op de grond en slaakt een diepe zucht. Hij blijft op de grond zitten.
Iedereen is stil in de supermarkt.
Na een tijd wordt de stilte verbroken door de zwaar teleurgestelde tiener met het mobieltje.
‘Shit! Het heeft helemaal geen filmpje opgenomen.’