Distance: 11 kilometer
Time: 00:59:26 hours
Calories: 943
August: 30 kilometer
Oudtante
Iedereen heeft wel een familielid die je de beste verhalen kan vertellen. Zo had ik een oom die schitterend en in detail je dingen kon laten geloven. Of ze waar waren, daar moest je zelf achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog altijd bij. De ouders van oudtante Boukje-het is mij onbekend of ze echt familie was of aangetrouwd, hadden vroeger een kroeg. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf maken, maar ook die van haar heit en mem.
Wanneer haar ouders nog in bed lagen bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk moest Boukje een paar eieren klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had ze later pas begrepen. Maar omdat heit en mem het lekker vonden deed Boukje ook maar een scheut bij haar eigen eitjes. Mijn oom herinnerde dat Boukje had gezegd: ‘Ik was acht jaar, maar ik kwam elke ochtend dronken op school. Hierbij keek ze mijn oom ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’
Tante Boukje leefde altijd samen met een oude, eenzame man die ze in het café opdeed. Het was telkens een andere, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg ze een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.
De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was het treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Het laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder de geringste twijfel vriendelijk voor haar zijn. Ze weten daarboven vast van die flinke scheut uit het vaatje, toen ze 8 jaar was. Kon zij het helpen? Oudtante Boukje vond het zelf niet om te lachen.
Aankomen
Ik voelde me als een sporter die zojuist een Olympische medaille omgehangen heeft gekregen. Zo stond ik van de week voorover op de weegschaal, te turen naar het getal op de display dat het aantal kilo’s aangaf. Het bleek al rap dat ik naast de fictieve plak ook nog eens een paar kilo’s extra had gewonnen. Weg euforisch gevoel. Ik had nu enigszins het idee hoe teleurgesteld Yuri zich moet hebben gevoeld.
Het is allemaal ook niet zo verwonderlijk dat ik wat kilo’s rijker ben. Sinds ik weer 40 uur per week zittend werk doe, en ik ook nog eens 15 uur per week met het openbaar vervoer op mijn achterwerk zit, is het geen verrassing dat ik een paar kilo aan overgewicht mag meesjouwen. Ik houd de afgelopen maanden minder tijd over om te gaan hardlopen, dus dat maakt het ook zwaarder om het gewicht aan de gezonde BMI te houden.
Nu wil ik die kilo’s wel kwijt maar niet met behulp van een dieet. Ik kan het niet opbrengen om mijn eetgedrag aan te passen. In het verleden ben ik die kilo’s ook niet kwijtgeraakt door het aanpassen van mijn eetpatroon. Ik weet ook wel dat alternatieven niet helpen. De wondermiddelen waarmee op het internet geadverteerd wordt zijn kansloos, maar ineens moest ik denken aan een middeltje dat ik een paar jaar geleden heb gebruikt.
Via een Surinaamse collega bij mijn vorige werkgever werd ik destijds geattendeerd op kowru dresi. Het is een Surinaams huismiddeltje om de innerlijke mens te reinigen, maar ook wat overtollige kilo’s kwijt te raken. Het goedje is te koop bij de traditionele toko en het betreft een zwarte vloeistof van gekookt sennablad, anijszaad, zeezout, bitterzout en andere ingrediënten. Kowru dresi wordt in flesjes van 125 ml verkocht, die in één keer lauw moeten worden leeggedronken.
Een paar jaar geleden heb ik de opgewarmde drank op een zaterdagochtend genuttigd, waar na een uurtje de laxerende werking in gang werd gebracht. Het is even een raar praatje, maar alles uit maag en darmen werd via de natuurlijke weg naar buiten gewerkt. Ondanks dat het wat ongemakkelijk en onaangenaam klinkt, kan ik me herinneren dat ik me na de korte kuur weer lekker en prettig voelde. Dat ik daarnaast nog eens paar kilo’s verloor is wellicht een reden om weer eens een flesje kowru dresi aan te schaffen.
Janneman
De man schuin tegenover me in de trein is me niet geheel onbekend. Ik heb hem vaker gezien. Hij is ongeveer van mijn leeftijd. Hij is altijd gekleed in een nette spijkerbroek met gestreken overhemd en fris gepoetste schoenen. Zijn kapsel is kort, ziet er verzorgd uit en is een beetje grijs bij de slapen. Verder heeft hij bolle hamsterwangen en een zuinig, samengeknepen mondje, waarmee hij een klein kind zou kunnen uitdagen om met de vingertjes in zijn wangen te laten prikken, zodat er een straaltje water uit zijn mond spuit. Wanneer ik deze man in de trein of op het perron zie, staat of zit hij altijd een beetje in elkaar gebogen. Als een bedeesd persoon dat verlegen opkijkt en om zich heen loert.
Ik kom de man, die ik voor het gemak maar Jan noem, niet iedere werkdag tegen. Ik weet ook niet of hij parttime werkt of niet. Jan is verder een mysterie. Ooit, toen de NS ons onbedoeld met een omweg naar Utrecht wilde laten reizen, zag ik hem op station Amsterdam-Zuid staan. Toen zag ik ook dat Jan mij herkende van het reizen. De eerste keer dat Jan mij opviel was op een terugreis in een volle trein, waarbij 3 moslima’s in gesprek waren met een oudere heer over het dragen van hoofddoekjes. Jan ergerde zich aan het gesprek, want hij draaide constant met zijn ogen en mompelde onverstaanbaar.
Vandaag zit Jan met een koffie to go in zijn hand en kijkt als vanouds vanuit zijn ooghoeken de trein in. Als door schrikdraad geraakt reageert hij op oogcontact. Ik verbeeld dat Jan, ondanks zijn leeftijd, nog thuis bij zijn ouders woont. Het komt overeen met het idee dat ik van hem heb. Het tegenspreken van zijn ouders is uit den boze, vandaar het binnensmonds gemompel. Thuis, op zijn eigen slaapkamer, waar hij beschikt over zijn eigen luxe gebruiksvoorwerpen waar zijn ouders helemaal niets van willen weten, zal hij vertellen over het grote onrecht dat de wereld hem aandoet. Alleen op de slaapkamer is hij de baas van de wereld. Ja, alleen daar is Jan de man.
In de trein naar Utrecht zit Jan weer onverstaanbaar en binnensmonds te mopperen. Zeker nu nadat uitzendkrachten in witte NS-jasjes kaartjes hebben uitgedeeld met de mededeling dat er binnenkort weer werkzaamheden op het traject naar Utrecht zijn. Jan schudt in ontkenning en boosheid zijn hoofd. Hij is het er duidelijk niet mee eens. Hij is echt boos, want ik hoor duidelijk, ondanks dat ze fluisterend uit zijn mond geperst worden, de woorden: tyfus en teringzooi. Vanavond wanneer hij thuis is, zal Jan op zijn slaapkamer wel even duidelijk vertellen wat hij er allemaal van vindt.
Park
Op station Utrecht Centraal zijn ze al sinds januari 2011 bezig met de renovatie. In december van dit jaar moet alles afgerond zijn. Waar je eerst door voetgangerstunnels over houten vloerplaten naar andere perrons mocht lopen, werden deze later weer gesloopt om plaats te maken voor hekwerken en andere afzettingen. Ze zijn nog hartstikke druk met verbouwen. Je kunt niet zien hoe ver ze zijn, maar je hoort het wel, en dat ruik je soms ook. Wanneer er een slijptol door staal of metaal wordt gehaald. De penetrante geur die vrijkomt brengt me dan even terug naar mijn jeugd in Sneek.
In mijn herinnering heb ik als kind iedere schoolvakantie in Sneek doorgebracht. Wanneer ik de vrijdagmiddag voor de vakantie uit school kwam stapten we meteen op de bus richting Afsluitdijk om vervolgens door het Friese landschap af te reizen naar mijn oma. Mijn oma, we noemden haar opoe, woonde in een klein huisje in de Ubbo Emmiusstraat. Achter het huis van mijn oma stond een grote machinefabriek en daar kwam ook altijd die scherpe penetrante geur van geslepen metaal vrij. Af en toe vond je er ook kleine stukjes metaal, gelijk aan staalkrullen. De dingen die je als kleine jongen oppakt om te bekijken en dan weer argeloos teruggooit.
Opoe woonde niet alleen bij machinefabriek Hubert in de buurt, maar ook vlakbij het Wilhelminapark. Dit stadspark bevond zich aan de overkant van de Franekervaart. Het park werd ooit in 1898 aangelegd. Het werd destijds ontworpen in Engelse stijl door tuinarchitect Gerrit Vlaskamp. Wat ik me nog goed kan herinneren is dat er een eilandje was die met een bruggetje te bereiken was. Verder was er een speciaal ontworpen bankje voor de ‘ouden van dagen’ in de stijl van begin vorige eeuw. Net als de grote volière, waarin exotische vogels en doodshoofdaapjes leefden. Over de vele grasveldjes liepen pauwen statig rond. Ze waren mooi om te zien, maar afschuwelijk om te horen.
Ik heb begrepen dat het park nog steeds in originele staat is. Natuurlijk zijn bruggen en dergelijke vervangen door veilige exemplaren, maar het park ligt er nog zo bij zoals deze aan het einde van de negentiende eeuw was ontworpen. Het park ervaart als in de tijd van ruim honderd jaar geleden. Het lijkt me een plek om fijn te onthaasten en met mooi weer moet het er heerlijk zitten. Binnenkort moet ik maar eens richting Friesland afreizen, want er is niets mis met het idee om fijne herinneringen op te halen. Of nieuwe te creëren.
Van der Madeweg
Het is dinsdagmiddag en ik ben een half uur te vroeg voor mijn afspraak in Amsterdam. Ik stap uit op het metrostation Van der Madeweg en besluit daar in een zeer relaxt tempo naar mijn afspraak te lopen. Van der Madeweg is een deprimerend station. Veel beton met oud en versleten graffiti. Alsof niemand meer de ambitie heeft het metrostation te taggen met frisse graffiti.
De miezerige regen vergroot mijn deprimerende ervaring. Ik kom niet vaak op dit metrostation en ik vind dat we dit maar zo moeten houden. Wanneer ik naar de uitgang loop blijkt deze dicht te zijn getimmerd. Het metrostation wordt gerenoveerd. Er zijn dus nog wel mensen die Van der Madeweg willen opknappen. Niet met graffiti, maar dan toch echt met een nieuwe in- en uitgang.
Ik kijk waar ik een uitgang kan vinden. Op het perron aan de overkant zie ik andere reizigers het station verlaten en even verderop staat een loopbrug over de metrorails, die beide perrons verbindt. Ik was er eerder gedachteloos voorbij gelopen. Ik mag in de miezerige regen weer het hele perron teruglopen. Word je al niet depressief van dit metrostation, dan maakt dit je inmiddels moedeloos.
Medewerkers van het Gemeentelijk vervoersbedrijf staan bij de poortjes in het station. Een medewerker draagt een dikke snor, die op een van een walrus lijkt. De omvang van de man verraadt dat hij van vooral veel eten houdt. Zijn collega is het tegenovergestelde. Hij is dun en lang en heeft een mager gezicht. Hij draagt een ouderwets metalen bril met dikke, vette brillenglazen op zijn neus. Ze staan, denk ik, beiden stilzwijgend op iemand of iets te wachten. De dikke collega zucht diep.
‘Binnen twee jaar moeten alle metrostations opgeknapt zijn,’ zegt de dikke snor. ‘En in november dit station. Nou, ik heb ‘r een hard hoofd in. Kijk naar het drama dat Noord/Zuidlijn heet, hoe lang heeft dat wel niet geduurd? Dit wordt net zo een drama. Ik zeg ’t je.’ De magere collega kijkt van de vloer naar zijn collega en haalt zijn schouders op. ‘Ik denk dat het wel meevalt.’ Hiermee is de kous af. De discussie komt niet op gang. Ik loop door naar de uitgang en buiten rent een kat snel over de Van der Madeweg. Het miezert nog steeds.
Minder
Wanneer God (indien ze bestaat) en mijn gezondheid het toelaten weet ik tegen het einde van dit jaar waar Abraham de mosterd vandaan haalt. Minder poëtisch: dan behaal ik de leeftijd van 50. Mijn vader mocht de volgende tegeltekst vaak uitspreken; ‘Oud. Iedereen wil het worden, maar niemand wil het zijn.’ En daar zit wel een kern van waarheid in. Naarmate je steeds meer kruisjes achter je leeftijd mag zetten, wordt het allemaal minder.
Het leven zelf wordt niet minder, maar het lichaam wel. Ik was nog maar net 40 toen ik na een paar maanden pijnlijke last van artrose in mijn rechtervoet kreeg. Het was weliswaar meer gerelateerd aan mijn overgewicht dan aan de leeftijd, maar de tekenen van slijtage van mijn lichaam hadden zich duidelijk aangediend. Na een paar jaar mocht ik uiteindelijk ook toegeven dat ik de kleine lettertjes moeilijk begon te lezen. Een leesbril werd een gebruiksvoorwerp waar ik al rap niet meer buiten kon.
Zo gaat het maar door. Tegenwoordig versta ik de mensen af en toe helemaal verkeerd. Het is niet dat ik ze niet kan horen, maar ik hoor de dingen onjuist. Dan ben ik ervan overtuigd het woord piemel te hebben verstaan in plaat van het woord knieën. Geloof me, je staat heel raar te kijken wanneer iemand beweert last van zijn versleten knieën te hebben. Mijn gehoor laat me gewoon in de steek en dat terwijl mijn oren, groot als schotelantennes eigenlijk alles prima zouden moeten ontvangen.
Van de week zat ik in de bus vanuit het werk en zag ik in de verte een jonge vrouw in een vleeskleurige legging lopen. Ik dacht nog: die is vanmorgen voordat ze deur achter zich dichttrok, vergeten in de spiegel te kijken. Die legging staat ‘r voor geen meter. Toen mijn bus de jonge vrouw voorbijreed zag ik dat deze mevrouw gewoon blootbeens over straat liep. Geen compliment voor de vrouw, maar ook voor mij een teken dat het allemaal minder met mijn ogen gaat. Ach ja. Hoe ouder de mens, hoe minder zijn kunnen.
Buiten
Tijdens de zomermaanden leven we vaker buiten. Relaxt in de tuin zitten. Tenminste, als het weer ook meewerkt. De barbecue is bij tropische temperaturen al snel aangestoken. Een minder leuke eigenschap van het buitenleven in de grote stad zijn de stadsgeluiden en met deze geluiden bedoel ik het gekrijs van de buurtkindertjes. Natuurlijk, kinderen moeten altijd kinderen kunnen zijn, maar wanneer ze als lawaaierige sirenes door de buurt lopen te blèren, dan wens ik ze voor een moment een vakantietrip naar een verre bestemming, ver uit de buurt.
Volgens de ouders van deze vrij expressief opgevoede kinderen had de Franse filosoof Rousseau zo’n ruim driehonderd jaar geleden al gelijk: Het is niet goed om kinderen te forceren. Kinderen moet je niets opdringen. Het is volgens Rousseau de bedoeling dat een kind zelf moet kunnen uitzoeken wat goed voor hen is. Ik deel die mening niet helemaal. Een kind dat zich misselijk eet aan snoepgoed, is een paar uur later alweer vergeten waardoor het ziek werd, wanneer het de hand weer in de snoeppot of koektrommel steekt.
Er zijn ouders die de kinderen fantastisch opvoeden, maar er zijn er ook ouders die verder helemaal niets met de kinderen hebben. Het enige wat hun aandacht heeft is de uitkering van de kinderbijslag. Verder hangen ze het liefst onderuit en zien ze verder wel. Dat zijn van die mensen die liever lui zijn dan moe. Van die mensen die wensen ooit te reïncarneren als een vulkaan. Dan kunnen ze de godganse dag liggen roken met de aanname dat een groepje aardwetenschappers zullen beweren dat ze hartstikke actief zijn.
Verder hebben we met betrekking tot overlast niets te klagen. Als we echt geen stadsgeluiden of geluidsoverlast wensen moeten we uitwijken naar een hutje op de hei. Helaas zijn daar de financiële middelen nog niet toereikende genoeg voor en verder ben ik stiekem toch wel een stadsmens, en wanneer de buurtkinderen niet te hoog gillen en de muziek bij de buren op een verdraagzaam volume staat, dan willen we heel graag en met net zo veel plezier buiten, in de tuin zitten.
Onzin
Ik kon pas verder met installeren nadat ik een boodschap had ingesproken. Hevig geïrriteerd, maar met genoeg gevoel voor drama, sprak ik een onzin-boodschap in met de mededeling dat we niet thuis waren: druk in het uitgaansleven, coke snuivend op zoek naar jonge, strakke mannen. Hierna kon ik eindelijk verder met het installeren.
Nadat de telefoon bijna geïnstalleerd was en klaar voor gebruik lukte me het helaas niet om de eerder opgenomen onzin-boodschap te wissen. Hoe ik ook probeerde, de ingesproken boodschap bleef op het toestel staan. Irritant werd het toen het toestel overging en het me niet lukte om de beller te woord te staan. Wie zou mijn ingesproken boodschap te horen krijgen?
Een zoekopdracht op het internet bracht geen oplossing meer om de telefoon normaal te laten functioneren. Voordat ik ook maar iets verder kwam met het uitzoeken van het normaal functioneren van de telefoon, hoorde ik op de radio dat mijn zojuist ingesproken boodschap in de finale was gekomen van de meest opmerkelijke voicemailberichten. Nee! Dit kon niet waar zijn!
Met de zenuwen in mijn keel schrok ik wakker. Het duurde even voordat ik doorhad wat me zojuist was overkomen. Het was maar een droom geweest. Geen kapotte telefoons, geen radioprogramma’s met schreeuwerige DJ’s en al helemaal geen idioot ingesproken voicemailberichten. Toen ik eenmaal uit bed was en onder de douche goed wakker, moest ik toch wel lachen.
Trots
Afgelopen zaterdag werd EuroPride 2016 geopend met onder andere de Pride Walk, welke van het Vondelpark naar de Dam in Amsterdam liep. Ik werd geraakt door het beeld van alle vlaggen tijdens deze walk van die landen waar homoseksualiteit nog steeds niet is geaccepteerd. En strafbaar is. Het waren 79 vlaggen. Dat is geen handjevol meer. Bijna 80 landen waar homoseksuele mannen en vrouwen geen bestaansrecht hebben.
Ondanks deze bittere reality check ben ik enorm dankbaar in een land te kunnen leven waar mijn geaardheid niet strafbaar is. Ook al was homoseksualiteit vroeger, in mijn jeugd, niet alledaags. In 1971, het jaar dat ik mijn vijfde verjaardag mocht vieren, was homoseksualiteit pas niet meer strafbaar in Nederland. Als kind wist ik wel dat sommige mannen ‘van de verkeerde kant’ waren, maar ik stond er verder niet bij stil.
Dat veranderde zo’n 10 jaar later. Tijdens mijn pubertijd. Toen ik in de brugklas bewust werd van het feit dat ik graag en constant bij een zekere klasgenoot in de buurt wilde zijn. Het had niets seksueels, maar ik schrok wel van de gedachte dat ik verliefd op een jongen was geworden. In mijn veroordeling behoorde ik nu tot het clubje van Albert Mol en Jos Brink. Dit was niet het beeld dat ik mijn jonge leven lang voor ogen heb gehad.
Ik zag er enorm tegenop om voor mijn geaardheid uit te komen. Ten eerste voor mijzelf en later pas voor de buitenwereld. Ik kroop bij kans nog dieper de figuurlijke kast in, en bouwde er een flinke muur omheen. Leven in ontkenning is niet goed. Na een paar jaar was ik toch bereid om mijn homoseksualiteit te willen accepteren en ben ik op een zaterdagavond naar een COC-avond in Den Helder gegaan.
Ik dacht een stap vooruit te zetten, maar het werden een paar stappen achteruit. Ik voelde me totaal niet op mijn plek tussen de andere homoseksuele mannen en vrouwen. De zondagochtend na mijn bezoek was ik er van overtuigd dat ik niet homoseksueel was en dat dit gewoon een fase was. Een periode waar ik al een paar jaar in zat, en nog een paar jaar in zou blijven hangen.
In april 1993 leerde ik een andere homoseksuele jongen kennen* waarbij ik me helemaal op mijn gemak voelde. Hij bleek het figuurlijke lot uit de loterij te zijn en voor mij reden om 100% mezelf te willen zijn. Er ging een nieuwe wereld voor me open en uiteindelijk ben ik naar iedereen voor mijn geaardheid uitgekomen. De angst om anders te zijn bleek totaal ongegrond. Iets te lang heb ik gewacht om trots op mezelf te zijn.
Treuren om verloren jaren heeft geen zin. Je bereikt er niets mee en krijgt ze er niet mee terug. Ik geniet van het leven, nu ik helemaal mezelf wil zijn. Daarom is het ook zo belangrijk dat alle homoseksuele mannen en vrouwen op deze wereld het recht hebben om te zijn wie ze zijn. Er gebeuren genoeg nare dingen in de wereld om je ook maar druk te maken over de geaardheid van een ander. Of je eigen geaardheid. Wees jezelf. Wees trots.
*waarmee ik tot op de dag van vandaag nog steeds hartstikke blij mee ben.
Starbucks
Bij de Starbucks op Utrecht Centraal sta ik in een korte rij te wachten om een Chai Tea Latte te bestellen. Koffie drink ik eigenlijk alleen zwart. De Efteling-achtige varianten aan koffie mag de Starbucks van mij aan hun andere klanten slijten. Karamel met slagroom in je koffie, ik moet er niet aan denken. Bestel dan meteen een kilo aan overgewicht.
Na ruim 5 minuten wachten is eindelijk de mevrouw voor me in de rij aan de beurt. Zwaar gedachteloos heeft ze staan wachten, want wanneer de Starbucksmedewerkster de bestelling wilt opnemen, weet mevrouw voor me geen keuze te maken. Ze twijfelt tussen twee koffievarianten van de Starbucks. Ze weet niet of ze trek heeft in chocolade of toch karamel.
Naast dat ze niet weet wat ze eigenlijk wil, weet haar innerlijke nieuwsgierigheid wel een paar vragen te stellen. Ze wilt graag weten hoe een andere koffievariant klaargemaakt wordt. ‘Wordt deze in laagjes ingeschonken of gaat het allemaal in een soort van blenderautomaat?’ De Starbucksmedewerkster kijkt verbaasd en ook verontschuldigend naar de rij achter de mevrouw voor me.
Mevrouw voor me kijkt zorgeloos achterom. Ik benijd haar een beetje. Ik wens zo arrogant te kunnen zijn. Ze ziet de rij wel staan, maar het gebrek aan cafeïne -of juist aan suiker, doet haar niet beseffen dat ze de wachtende klanten ophoudt. Een blik op de klok informeert me dat ik nog 10 minuten de tijd heb voordat mijn trein Utrecht Centraal verlaat. Mijn geplande dramatische zucht onderdruk ik bij deze gedachte.
Een Starbuckscollega, die meer verstand heeft van koffievarianten wordt bij mevrouw voor me gehaald om uit te leggen dat de gevraagde procedure van de koffievarianten niet van toepassing is. Uiteindelijk wordt er toch een keuze gemaakt. De Starbucksmedewerkster slaat de keuze aan op de kassa, maar mevrouw voor me wenst ook nog een muffin en een punt cheesecake. Toe maar. Je zult maar honger hebben.
Uiteindelijk ben ik aan de beurt. Op de vraag wat ik wil, bestel ik mijn Chai Tea Latte en geef mijn naam door. Verderop kan ik mijn bestelling ophalen. Ik voel opluchting van de wachtende mensen achter me: er komt weer beweging in de rij. Voordat mevrouw voor me haar bestelling heeft ontvangen, loop ik even later met mijn Chai Tea Latte naar perron 3. Ik laat de mevrouw achter.
Monsters
Op straat zie ik ze in steeds grotere getale lopen. De liefhebbers van het interactieve en populaire spel Pokémon Go. Deelnemers zijn in de echte wereld op zoek naar virtuele monstertjes die ze op hun smart phone kunnen vangen. Of verzamelen. Hiernaast kunnen ze deze monstertjes laten evolueren naar grotere monsters en dan laat je ze tegen elkaar vechten. Hoe dat allemaal gaat, dat is mij onbekend. Ik heb het spel uit nieuwsgierigheid op mijn mobiel gedownload, en ook een paar monstertjes gevangen. Hierna wist ik niet wat ik er verder mee moest.
In het spel wordt uitgelegd dat je in de buurt naar een gym kunt om te oefenen voor die Pokémon-gevechten. De dichtstbij zijnde gym hier in de buurt, is nabij de glasbak op de Cinemadreef. In het echt zie je de virtuele sportschool natuurlijk niet, alleen door het schermpje van je mobiel. Ik ben toen maar afgehaakt. Je ziet mij, een man van bijna vijftig, toch niet bij de glasbak minutenlang een virtueel gevecht staan vechten? Ik heb al een bedenkelijke reputatie bij de glasbak, daar hoeft er niet nog één bij. Ik dank u beleefd.
Voor mij geen virtuele wereld gevuld met de Pokémon-monsters. Geen bezoekjes aan Poké-stops. Deze stops zijn verzamelplaatsen bij bezienswaardigheden of op specifieke plekken waar de deelnemers virtuele bonussen kunnen verzamelen, zoals Pokémon balls (hiermee vang je de monstertjes) en andere gadgets die je verder helpen in het spel. Zo’n Poké-verzamelpunt hebben we ook hier in de buurt. Het bevind zich op een speelveldje voor kleine kinderen.
Als bijna vijftigjarige man bedenk je wel even voordat je op een kinderspeelplaats in een woonwijk met je mobieltje rond gaat hangen. Want als men vraagt wat je daar te zoeken hebt bij al die andere kinderen op het speelplaatsje, is het raar antwoorden dat je op een missie bent om daar kleine monstertjes te verzamelen, en wellicht nog wat extra bonussen.



